Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5364

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/2914
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:43 APV AmsterdamAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen voor evenementenvergunning op locatie in Amsterdam

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor een evenement op een locatie in Amsterdam op een datum in 2026. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, heeft deze aanvraag op 15 mei 2026 afgewezen wegens vermeende onverantwoorde druk op het woon- en leefklimaat, gebaseerd op een nieuwe beleidslijn die niet schriftelijk is vastgelegd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het evenement niet kan plaatsvinden. De nieuwe beleidslijn is niet gepubliceerd en er is geen duidelijke uitleg gegeven over de toepassing ervan. Ook is niet ingegaan op de verschillen tussen het huidige evenement en eerdere evenementen waarvoor wel vergunningen zijn verleend.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster mag handelen alsof de vergunning is verleend zolang de bezwaarprocedure loopt. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de evenementenvergunning is geschorst en verzoekster mag het evenement laten doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 26/2914

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

26 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. W.M. Terra),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. C.J. Kruissink en [gemachtigde]).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een evenementenvergunning voor het evenement [verzoekster] Amsterdam op [locatie] op [datum] 2026.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 1] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigden van verweerder en [de persoon 2] namens de [marktcommissie] (de Marktcommissie).
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De Marktcommissie heeft verzocht om als derde-belanghebbende te worden betrokken bij deze procedure. Ten aanzien van dit verzoek is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de Marktcommissie geen belanghebbende is. De Marktcommissie is een Markt Adviescommissie die door verweerder is ingesteld op grond van de Marktverordening. Gelet hierop heeft de Marktcommissie een adviserende rol over de gang van zaken met betrekking tot een markt. Het maken van bezwaar hoort niet tot de bevoegdheden. Bovendien gaat dit verzoek om een voorlopige voorziening over de doorgang van het evenement [verzoekster] en niet over een markt. In de bezwaarprocedure kan de belanghebbendheid van de Marktcommissie (eventueel) verder aan bod komen en beoordeeld worden door verweerder.
4. Met het bestreden besluit van 15 mei 2026 heeft verweerder de aanvraag voor een evenementenvergunning voor het evenement [verzoekster] Amsterdam op [locatie] op [datum] 2026 afgewezen op grond van artikel 2:43, onder c, en f, van de APV [1] . Volgens verweerder is sprake is van een onverantwoorde druk op het woon- en leefklimaat. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het niet wenselijk is om een evenementenvergunning te verlenen voor het houden van een [markt] op een zondag op een locatie waar al wekelijks van dinsdag tot en met zaterdag een gemeentelijke warenmarkt plaatsvindt. Volgens verweerder is er sprake van een nieuwe beleidslijn in vervolg op een beslissing op bezwaar van 23 maart 2026 tegen een evenementenvergunning voor een braderie op [locatie] in het najaar van 2025.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat de nieuwe beleidslijn waarop verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd niet schriftelijk is vastgelegd en niet is gepubliceerd. Er is dan ook geen sprake van een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Hooguit kan er sprake zijn van een gedragslijn. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder een dergelijke gedragslijn mag volgen, als verweerder de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw motiveert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd wat de gedragslijn inhoudt en hoe deze wordt toegepast. Volgens verweerder is er ruimte om elke aanvraag voor een evenement op [locatie] op zondag afzonderlijk te beoordelen en af te wegen of deze wel of geen doorgang kan vinden. Verweerder heeft hierbij echter onvoldoende toegelicht hoe deze beoordeling plaatsvindt. In dit geval heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom [verzoekster] niet kan plaatsvinden op [datum] 2026.
6. Bovendien is verweerder in het besluit niet ingegaan op de verschillen tussen [verzoekster] en de braderie die ten grondslag lag aan de beslissing op bezwaar van
23 maart 2026, waarin volgens verweerder de nieuwe lijn is ingezet. Door de aanvraag zonder nadere motivering op één lijn te stellen met die voor een braderie, worden relevante verschillen in aard, schaal en impact op de omgeving namelijk miskend.
7. In het besluit wordt ook niet toegelicht waarom het nu 'niet wenselijk’ is om een evenementenvergunning te verlenen voor het houden van [verzoekster], terwijl verzoekster voor dezelfde beurs op dezelfde plek in november 2025 wel een vergunning kreeg. Verweerder heeft nagelaten concreet te motiveren welke relevante feiten, omstandigheden of beleidsmatige inzichten zó wezenlijk zijn gewijzigd dat dit een weigering van de aanvraag nu rechtvaardigt.
8. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat precedentwerking kan worden tegengegaan door beleid op te stellen en bekend te maken. Daarmee is duidelijk aan welke criteria verweerder dergelijk aanvragen toetst. Met beleid kan een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten evenementen en hun impact op de buurt en op de leefomgeving.
9. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 15 mei 2026 is geschorst en dat verzoekster hangende de bezwaarprocedure mag handelen alsof de evenementenvergunning voor [verzoekster] op [locatie] op [datum] 2026 is verleend. Dit betekent dat [verzoekster] mag doorgaan op [datum] 2026 op [locatie] in Amsterdam zoals aangevraagd.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 15 mei 2026 tot de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verzoekster hangende de bezwaarprocedure mag handelen alsof de evenementenvergunning voor [verzoekster] op [locatie] op [datum] 2026 is verleend zoals aangevraagd;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026 door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam.