ECLI:NL:RBAMS:2026:538

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11862160
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsgeschil over tankbeurt door fout tankstation afgewezen voor schadevergoeding en incassokosten

SODA trad namens tankstation BP op tegen gedaagde wegens een betalingsachterstand van €5,00 na een tankbeurt op 14 oktober 2024. SODA vorderde naast de hoofdsom ook schadevergoeding, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

Gedaagde erkende het tanken maar betwistte de vordering en stelde contant betaald te hebben. De kantonrechter stelde vast dat door een fout van het tankstation een ander artikel op de kassa was aangeslagen, waardoor administratief een bedrag van €5,00 openstond. Dit bedrag moest door gedaagde alsnog worden betaald.

De gevorderde schadevergoeding en incassokosten werden afgewezen omdat SODA onvoldoende toelichting gaf over de vergissing en onredelijk snel schadevergoeding in rekening bracht. Ook de rente werd beperkt toegekend. SODA werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde wegens onjuiste stellingen in de dagvaarding.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter H.D. Coumou en op 8 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagde moet €5,00 betalen, schadevergoeding en incassokosten worden afgewezen, SODA wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11862160 \ CV EXPL 25-12031
Vonnis van 8 januari 2026
in de zaak van
STICHTING SERVICEORGANISATIE DIRECTE AANSPRAKELIJKSTELLING,
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: SODA,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 augustus 2025, met producties;
- het proces-verbaal van het mondeling antwoord;
- het instructievonnis van 25 september 2025;
- de conclusie van repliek, met één productie.
1.2.
Hoewel [gedaagde] hiertoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij geen conclusie van dupliek genomen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
SODA verricht diensten tot het beperken van schade ten gevolge van onder meer wanprestatie en onrechtmatige gedragingen en treedt in gerechtelijke procedures op namens benadeelden. Dit doet zij onder meer voor houders van tankstations.
2.2.
In deze hoedanigheid treedt SODA op namens tankstation BP [locatie] (hierna: het tankstation).
2.3.
Op 14 oktober 2024 heeft [gedaagde] bij het tankstation getankt.
2.4.
Op 7 november 2024 heeft SODA [gedaagde] voor het eerst aangemaand om het openstaande bedrag te betalen, te vermeerderen met een forfaitaire schadevergoeding van € 29,50. In de brief staat verder, voor zover relevant, het volgende:

Gezien de omstandigheden gaat onze opdrachtgever er vanuit dat dit een vergissing van uw kant is. (…)

3.Het geschil

3.1.
SODA vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5,00 aan hoofdsom en de schade die het tankstation heeft geleden doordat niet direct tot betaling daarvan is overgegaan, zoals de kosten voor het doen van aangifte en de administratie die daarbij hoort. In totaal gaat het daarbij om een bedrag van € 131,00. Daarnaast wil SODA dat [gedaagde] de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten betaalt.
3.2.
SODA legt aan de vorderingen ten grondslag dat tussen [gedaagde] en het tankstation een overeenkomst tot stand is gekomen voor de levering van brandstof tegen directe betaling en dat [gedaagde] deze betalingsverplichting niet volledig is nagekomen. Bij het afrekenen is een fout op de kassa geweest, waarbij een ander artikel is aangeslagen en afgerekend. De pomphouder heeft de betaling toen verrekend met het openstaande bedrag aan brandstof, waardoor nog een bedrag van € 5,00 openstaat.
3.3.
[gedaagde] erkent dat hij die dag heeft getankt, maar is het niet eens met de vordering en voert verweer. [gedaagde] stelt dat hij de tankbeurt contant heeft betaald. De foto’s die SODA heeft overgelegd, zijn van de bijrijder. [gedaagde] stelt dat op andere foto’s te zien moet zijn dat hij contant betaalt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] heeft getankt op 14 oktober 2024. Partijen zijn het echter niet eens over de vraag of [gedaagde] het volledige bedrag voor deze tankbeurt heeft betaald. [gedaagde] stelt dat hij het volledige bedrag contant heeft betaald op 14 oktober 2024 in het tankstation.
Ambtshalve toetsing
4.2.
De overeenkomst is gesloten met een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. De kantonrechter moet daarom ambtshalve onderzoeken of eiseres haar informatieplichten heeft nageleefd.
4.3.
De kantonrechter begrijpt dat sprake is van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten en oordeelt dat uit de context van de overeenkomst blijkt dat bij het tanken is voldaan aan de informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230l BW.
De hoofdsom
4.4.
Vaststaat dat [gedaagde] in ieder geval een deel van zijn tankbeurt op 14 oktober 2024 heeft betaald. SODA stelt dat bij het afrekenen een fout is gemaakt doordat de medewerker niet de pomp, maar een ander artikel op de kassa zou hebben aangeslagen. Hierdoor is het bedrag voor de brandstof administratief niet volledig verwerkt en is een bedrag van € 5,00 open blijven staan. Deze stelling heeft [gedaagde] verder niet betwist. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat bij [gedaagde] voor de tankbeurt een bedrag in rekening is gebracht dat hij contant heeft betaald, maar dat uiteindelijk is gebleken dat door een fout van het tankstation dit niet juist in de kassa is verwerkt en dit bedrag dus te weinig is geweest. Gelet hierop is niet relevant voor wiens rekening het komt dat de camerabeelden niet meer beschikbaar zijn. Er wordt immers van uitgegaan dat [gedaagde] wel degelijk een bedrag heeft afgerekend, maar dat dit klaarblijkelijk te weinig is geweest. Dit betekent dat [gedaagde] alsnog is gehouden het bedrag van € 5,00 aan SODA te betalen.
De schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten
4.5.
Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten overweegt de kantonrechter het volgende. Vaststaat dat de oorzaak van de onvolledige betaling ligt in een fout aan de zijde van het tankstation. SODA heeft echter in de eerste incassobrief van 7 november 2024 geen duidelijke toelichting gegeven hoe de vergissing is ontstaan en waarom nog een bedrag van € 5,00 openstond. Integendeel, in de brief staat dat [gedaagde] een tankbeurt niet heeft afgerekend en het zou gaan om een vergissing van [gedaagde] , terwijl direct een bedrag aan schadevergoeding bij [gedaagde] in rekening werd gebracht. Gelet echter op de wijze waarop de afrekening is gegaan, mocht [gedaagde] er in redelijkheid van uitgaan dat hij aan zijn betalingsverplichting had voldaan. De omstandigheid dat de vergissing niet inzichtelijk is gemaakt, komt voor rekening van SODA. Daarbij wordt meegewogen dat het ook de kantonrechter nog niet volledig duidelijk is hoe deze vergissing is ontstaan en SODA bovendien in eerste instantie in de dagvaarding ten onrechte heeft gesteld dat [gedaagde] 2,38 liter zou hebben getankt en die niet zou hebben afgerekend. Pas in repliek heeft SODA te kennen gegeven dat een medewerker van het tankstation een fout heeft gemaakt. In het licht van deze omstandigheden acht de kantonrechter het niet redelijk om de gevolgen van deze fout voor rekening van [gedaagde] te laten komen. De vorderingen tot betaling van de schadevergoeding en de buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Rente
4.6.
SODA vordert een bedrag van € 0,27 aan vervallen wettelijke rente. De kantonrechter wijst deze vordering af, nu pas in deze procedure voor [gedaagde] duidelijk is geworden dat de vordering voortkomt uit een fout die heeft plaatsgevonden bij het betalen bij het tankstation. Dit is pas bij repliek duidelijk geworden. Gelet op de onduidelijkheid in de eerdere correspondentie kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] eerder in verzuim is geraakt, zodat de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf veertien dagen na heden.
4.7.
SODA vordert voorts betaling van de nog te vervallen wettelijke handelsrente berekend over de hoofdsom. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is.
De proceskosten
4.8.
De kantonrechter ziet aanleiding om SODA in de proceskosten te veroordelen. Hoewel de hoofdsom toewijsbaar is, heeft SODA in eerste instantie ten onrechte in de dagvaarding gesteld dat [gedaagde] zou hebben getankt zonder te hebben betaald terwijl pas bij repliek is duidelijk dat [gedaagde] te weinig heeft betaald vanwege een fout van het tankstation. Ten aanzien van de overige vorderingen, die gezamenlijk het merendeel van het totaal gevorderde bedrag uitmaken, is SODA in het ongelijk gesteld. De kantonrechter stelt de kosten van de kant van [gedaagde] tot op heden vast op een (forfaitair) bedrag van € 50,- aan reis-, verblijf- en verletkosten, omdat [gedaagde] is verschenen op de rolzitting van 28 maart 2025. Ook zal SODA in de nakosten worden veroordeeld op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan SODA een bedrag te betalen van € 5,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt SODA in de kosten van het geding, tot op heden begroot op € 50,00 aan verletkosten en € 19,- aan nakosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SODA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289