ECLI:NL:RBAMS:2026:5427

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
12219999 \ KK EXPL 26-279
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 444 RvArt. 6:119 BWArt. 25.3 algemene bepalingen huurovereenkomstArt. 31 algemene bepalingen huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte en betaling achterstallige huur door Harbour Amsterdam B.V.

In deze kortgedingprocedure vordert [eiser] de ontruiming van een bedrijfsruimte die zij verhuurt aan Harbour Amsterdam B.V. wegens een aanzienlijke betalingsachterstand in huurpenningen en bijkomende bijdragen. De huurachterstand bedraagt €266.339,92 en de achterstallige bijdragen €31.576,00. Harbour erkent deze betalingsachterstanden niet te betwisten, maar heeft kort voor de zitting een verzoek tot surséance van betaling ingediend.

De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is en dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure kans van slagen heeft. De financiële problemen van Harbour doen hieraan niet af. De gevorderde ontruiming wordt toegewezen met een termijn van twee weken voor ontruiming. Daarnaast wordt Harbour veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen, bijdragen, boeterente en proceskosten.

Een aanvullende dwangsom wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en onderbouwing. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen indien niet tijdig betaald. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en de vorderingen die verder gaan dan de genoemde worden afgewezen.

Uitkomst: Harbour Amsterdam B.V. wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen en betaling van achterstallige huur, bijdragen, boeterente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12219999 \ KK EXPL 26-279
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling en mondelinge uitspraak in kort geding van 22 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. D.J. Pijl,
tegen
HARBOUR AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Harbour,
gemachtigde: mr. B. Pietersz.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. M. van der Kaay, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.M.P. Mulder als griffier.
Aanwezig zijn:
- mr. S.V.M. Stefens , gemachtigde van [eiser]
- [naam], namens de statutair bestuurder HB-Invest B.V. van Harbour.
De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:
- de originele dagvaarding.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
In deze procedure dient te worden beoordeeld of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening en of aannemelijk is dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het mede gelet op de belangen van partijen over en weer gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
1.2.
[eiser] verhuurt met ingang van 1 september 2021 aan Harbour de bedrijfsruimte aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De maandelijkse huurprijs bedraagt € 66.584,98 inclusief btw en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Daarnaast is Harbour op grond van een allonge bij de huurovereenkomst bij vooruitbetaling een maandelijkse bijdrage van € 6.315,20 inclusief btw verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Harbour heeft de maandelijkse bijdrage vanaf 1 januari 2026 en de maandelijkse huurpenningen vanaf 1 februari 2026 niet betaald. Gelet op de omvang van de gestelde betalingsachterstand en de daardoor door [eiser] gemiste inkomsten is het vereiste spoedeisend belang aanwezig.
1.3.
Harbour heeft niet betwist dat zij een betalingsachterstand in de huurpenningen heeft laten ontstaan ter hoogte van € 266.339,92 en een betalingsachterstand in de maandelijkse bijdragen ter hoogte van € 31.576,00. De vordering tot betaling van deze bedragen is toewijsbaar.
1.4.
Gelet op de hoogte van de betalingsachterstand moet worden geoordeeld dat sprake is van een zodanig ernstig tekortschieten van Harbour in haar betalingsverplichting, dat toewijzing van de gevorderde ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Er kan vanuit gegaan worden dat de kantonrechter in een bodemprocedure zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. Hieraan kunnen financiële problemen aan de zijde van Harbour niet afdoen. Kort voor aanvang van de mondelinge behandeling is van de gemachtigde van Harbour een e-mail ontvangen (welke de gemachtigde niet heeft gedeeld met [eiser]) waarin is bericht dat een verzoek tot verlening van surséance van betaling bij de rechtbank is ingediend, met daarbij tevens een verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode. Gelet daarop heeft de gemachtigde in die e-mail verzocht om de vordering in kort geding niet inhoudelijk te behandelen, omdat [eiser] geen belang meer zou hebben bij haar vordering. De gemachtigde heeft echter niet de moeite genomen om dit verzoek ter zitting mondeling toe te lichten en Harbour heeft ter zitting ook niet om aanhouding verzocht. De kantonrechter heeft de e-mail dan ook alleen ter kennisgeving aangenomen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat voor zover het verzoek om surséance van betaling wordt toegewezen dat aan een toewijzing van de vordering in deze procedure niet in de weg staat. De afkondiging van een afkoelingsperiode betekent alleen dat gedurende die periode geen verhaal zal kunnen plaatsvinden. De gevorderde ontruiming zal dus worden toegewezen, met dien verstande dat aan Harbour een ontruimingstermijn zal worden verleend van twee weken.
1.5.
De vordering van [eiser] op grond van artikel 25.3 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen (hierna: de algemene bepalingen) dient aldus te worden gelezen dat [eiser] voor iedere maand of gedeelte daarvan dat er huurachterstand bestaat 1% boete over de gehele op dat moment bestaande achterstand mag berekenen (met een minimum van € 300,00) per maand achterstand of gedeelte daarvan zonder dubbeltelling of repetitie. De vordering tot betaling van boete is met inachtneming daarvan voorshands toewijsbaar (€ 300,00 + 4 maanden x € 792,15) en het meer gevorderde wordt in dit kort geding afgewezen.
1.6.
[eiser] vordert op grond van artikel 31 van Pro de algemene bepalingen een contractuele boete van € 250,00 per dag vanaf de dag dat Harbour in verzuim is komen te verkeren. Gelet op de stapeling van de twee contractuele boetebedingen (zie onder 1.5) is voorshands onvoldoende aannemelijk dat deze vordering in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Deze vordering wordt in dit kort geding daarom afgewezen. Ook de gevorderde wettelijke handelsrente wordt gelet op de toegewezen contractuele boete in dit kort geding afgewezen.
1.7.
Gelet op het feit dat [eiser] met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming reeds een titel heeft om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan, dient zij te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Dit geldt te meer omdat voorkomen dient te worden dat zij door het uitstellen van de gedwongen ontruiming de dwangsom kan laten oplopen. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom bij gebrek aan belang afgewezen.
1.8.
Harbour is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.278,57
1.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
veroordeelt Harbour om het gehuurde met al wie en al wat zich daarin vanwege Harbour bevindt, binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde,
2.2.
veroordeelt Harbour om aan [eiser] te betalen € 266.339,92 ter zake van achterstallige huurpenningen tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurpenningen tot de dag van voldoening,
2.3.
veroordeelt Harbour om aan [eiser] te betalen € 31.576,00 ter zake van achterstallige bijdragen tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die bijdragen tot de dag van voldoening,
2.4.
veroordeelt Harbour om aan [eiser] te betalen € 66.584,98 inclusief btw en
€ 6.315,20 inclusief btw per maand vanaf juni 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
2.5.
veroordeelt Harbour om aan [eiser] te betalen € 3.468,60 ter zake van boeterente,
2.6.
veroordeelt Harbour in de proceskosten van € 2.278,57, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,
2.7.
veroordeelt Harbour tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
2.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
2.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M. van der Kaay en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.