ECLI:NL:RBAMS:2026:5479

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
8117850422
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WvSrArt. 14a WvSrArt. 14b WvSrArt. 14c WvSrArt. 22c WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bestuurder voor faillissementsfraude en schending administratieplicht

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan faillissementsfraude als bestuurder van een rechtspersoon die failliet werd verklaard. Verdachte heeft in de periode voorafgaand aan het faillissement aanzienlijke geldbedragen en een auto aan de boedel onttrokken en buitensporig privé-uitgaven gedaan, waardoor schuldeisers zijn benadeeld.

Daarnaast heeft verdachte nagelaten een volledige administratie te voeren en heeft hij geweigerd de curator de vereiste inlichtingen te verstrekken, wat de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkte. De rechtbank stelde vast dat verdachte medepleger was samen met een medeverdachte die feitelijk bestuurder was.

De rechtbank hield rekening met een forse overschrijding van de redelijke termijn en legde een taakstraf van 180 uur op, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden wegens faillissementsfraude en schending van administratie- en inlichtingenplicht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/178504-22
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 april 2026 en 7 mei 2026 en 21 mei 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak, en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.
De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , onder parketnummer 81/178564-22.

2.Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort samengevat – van beschuldigd dat hij
1. in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2020, als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , welke op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, gelden en goederen aan de boedel heeft onttrokken en/of buitensporig middelen heeft verbruikt, in de wetenschap dat daardoor schuldeisers zijn benadeeld;
2. in de periode van 25 februari 2020 tot en met heden, als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , welke op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, door niet of ontoereikend te reageren op de verzoeken van de curator;
3. in de periode van 1 juli 2016 tot en met heden. als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting tot het voeren en/of bewaren van een administratie.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir - op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen, met dien verstande dat verdachte ten aanzien van feit 1 en 3 van het tenlastegelegde medeplegen dient te worden vrij gesproken omdat uit het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte 1] .
3.2.
Standpunt van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de feiten niet door hem maar door zijn ex-echtgenote en tevens medeverdachte [medeverdachte 1] zijn gepleegd.
3.3.
Vaststaande feiten
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
3.3.1.
Bedrijfsstructuur [naam bedrijf BV 1] (hierna [naam bedrijf BV 1] ), en de gelieerde vennootschappen
Op 22 mei 2007 is [naam bedrijf BV 1] opgericht. De activiteiten bestonden uit beveiligingswerkzaamheden, met name cruiseschipbeveiliging. Bestuurder en enig aandeelhouder was [naam bedrijf BV 2] B.V. (hierna: [naam bedrijf BV 2] ). [naam bedrijf BV 3] (hierna; [naam bedrijf BV 3] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf BV 2] . Op zijn beurt is verdachte bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf BV 3] . Dit maakt dat verdachte middellijk bestuurder is van [naam bedrijf BV 1] . [2]
[naam bedrijf BV 3] en [naam bedrijf BV 2] zijn op 22 mei 2007 opgericht en in de Kamer van Koophandel (KvK) ingeschreven met als activiteit Financiële holdings. Op 1 augustus 2020 zijn [naam bedrijf BV 3] en [naam bedrijf BV 2] middels een turboliquidatie opgeheven.
Aan [naam bedrijf BV 1] zijn twee bedrijven gelieerd. [naam bedrijf BV 4] (hierna: [naam bedrijf BV 4] , handelsnaam [handelsnaam 1] ) en [naam bedrijf BV 5] (hierna: [naam bedrijf BV 5] , handelsnaam [handelsnaam 2] ). [naam bedrijf BV 5] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf BV 4] . [medeverdachte 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf BV 5] . [3] Beide ondernemingen zijn op 27 december 2019 middels een turboliquidatie opgeheven.
Op 19 november 2019 zijn door [medeverdachte 1] drie nieuwe vennootschappen opgericht te weten de holding [naam bedrijf BV 6] (hierna: [naam bedrijf BV 6] ), waarvan [medeverdachte 1] enig aandeelhouder is, [handelsnaam 2] B.V. (hierna: [handelsnaam 2] ) en [handelsnaam 1] B.V. (hierna: [handelsnaam 1] ). Van deze laatste twee vennootschappen is [naam bedrijf BV 6] enig aandeelhouder. [4]
De bedrijfsactiviteiten van [handelsnaam 2] zien op uitzendwerk in de particuliere beveiliging en die van [handelsnaam 1] op bedrijfsopleiding- en trainingen.
In onderstaande afbeelding is de bedrijfsstructuur in kaart gebracht:
3.3.2.
Faillissement, melding en aangifte vermoeden faillissementsfraude en contacten met de curator
Op 25 februari 2020 is [naam bedrijf BV 1] door de rechtbank Midden-Nederland failliet verklaard. Hierbij is mr. [curator] aangesteld als curator. [5] Het faillissement is door werknemers van [naam bedrijf BV 1] aangevraagd omdat het salaris vanaf oktober 2019 niet werd uitbetaald.
Op 7 juli 2021 heeft de curator een melding van mogelijke faillissementsfraude gedaan bij het Kenniscentrum Faillissementsfraude van de FIOD. [6] Op 5 november 2021 heeft de curator een aanvullende aangifte gedaan tegen verdachte en [medeverdachte 1] , wegens onrechtmatige onttrekkingen aan de boedel, het buitensporig verbruik van middelen van de rechtspersoon, het schenden van de inlichtingenplicht en het niet voldoen aan de administratieplicht. [7] De curator stelt in zijn aangifte dat in het zicht van het faillissement - vanaf januari 2019 in totaal € 597.961,40 aan de boedel van [naam bedrijf BV 1] is onttrokken en overgemaakt naar rekeningen van [naam bedrijf BV 4] , [naam bedrijf BV 2] , [naam bedrijf BV 5] , [naam bedrijf BV 5] en [handelsnaam 1] . Deze betalingen zouden onverplicht verrichte rechtshandelingen om niet betreffen. [8]
De curator verklaart dat hij [medeverdachte 1] (in de periode van 10 maart 2020 tot en met 9 september 2021) [9] en verdachte (in de periode van 26 februari 2020 tot en met 7 oktober 2021) [10] meermalen schriftelijk, per gewone post en per e-mail, heeft verzocht om inlichtingen en het verstrekken van administratieve bescheiden, waaronder ondersteunende documentatie die ziet op transacties vanaf de bankrekeningen van [naam bedrijf BV 1] . De curator verklaart dat hij nooit een volledige administratie heeft aangetroffen of heeft ontvangen van verdachte of [medeverdachte 1] . De curator beschikte slechts over bescheiden die hij van [naam bank] en IT-bedrijf [naam IT-bedrijf] heeft ontvangen. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben daarmee volgens de curator niet voldaan aan de verplichting om (desgevraagd) inlichtingen te verschaffen aan de curator. Daarbij komt dat verdachte en [medeverdachte 1] , ondanks uitnodiging daartoe, niet op het kantoor van de curator zijn verschenen.
Omdat een groot deel van de administratie ontbreekt, is in de ogen van de curator niet voldaan aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW Pro: het op zodanige wijze voeren van een administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. [11]
3.3.3.
Transacties betreffende de boedel
A.
Mutaties op de bankrekening van [naam bedrijf BV 1]
Door de FIOD is een onderzoek verricht naar de mutaties op de bankrekening [rekeningnummer 1] , ten name van [naam bedrijf BV 1] , vanaf 1 januari 2019. [12] Zoals eerder benoemd, is [naam bedrijf BV 1] op 25 februari 2020 failliet verklaard. Bij deze rekening hoorde één bankpas, die op naam stond van [naam] als “gemachtigde”. Dit betreft [medeverdachte 1] , die tijdens haar huwelijk met verdachte zijn achternaam gebruikte. [13]
Uit onderzoek naar de inkomsten en uitgaven van [naam bedrijf BV 1] blijkt dat er in 2019 elke maand meer geld verdwijnt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar de aan de vennootschap gelieerde vennootschappen dan dat er van deze vennootschappen op de rekening van [naam bedrijf BV 1] binnenkomt. [14]
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 5]
In de periode van 1 januari 2019 tot aan het faillissement, is via 23 overboekingen een totaalbedrag van € 129.500,- overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 2] ten name van [naam bedrijf BV 5] . Van deze overboekingen zijn geen onderliggende stukken, zoals managementovereenkomsten, salarisstroken, leningovereenkomsten of facturen, overgelegd of aangetroffen. Bij de meeste overboekingen ontbreekt het aan een omschrijving, zodat niet duidelijk is wat de aard en het doel van deze betalingen zijn.
In september 2019 is in totaal € 53.000,- overgeboekt naar [naam bedrijf BV 5] . Deze betalingen hebben plaatsgevonden vlak voor de turboliquidatie van [naam bedrijf BV 5] op 27 december 2019. In januari 2020, kort na de turboliquidatie, is in totaal € 11.000,- overgeboekt naar [naam bedrijf BV 5] .
In totaal is in 2019 een bedrag van € 36.661,36 met de omschrijving 'loon' overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 5] naar de privérekening ten name van [medeverdachte 1] . Er zijn geen facturen overgelegd waaruit volgt dat [naam bedrijf BV 1] deze betalingen verschuldigd is. [15]
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 3]
In de periode van 1 januari 2019 tot het faillissement van [naam bedrijf BV 1] is door middel van 20 overboekingen een totaalbedrag van € 114.500,- overgemaakt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 3] ten name van [naam bedrijf BV 3] .
De overboekingen zijn, op één overboeking na (die als omschrijving “management” heeft), niet voorzien van een omschrijving, zodat niet duidelijk is wat de grondslag van deze betalingen is. Van deze betalingen zijn ook geen onderliggende stukken overgelegd of aangetroffen. Hierdoor is niet vast te stellen of er een rechtsgeldig titel is voor deze overboekingen. Een groot deel van de door [naam bedrijf BV 3] ontvangen betalingen zijn zonder omschrijving overgeboekt naar privérekeningen van verdachte en [medeverdachte 1] : € 27.450,- is overgeboekt naar de privérekening ten name van verdachte, € 41.658,- is overgeboekt naar de gezamenlijke rekening ten name van verdachte en [medeverdachte 1] en € 25.350,- is overgeboekt naar de privérekening van [medeverdachte 1] . Er zijn geen facturen aangetroffen met betrekking tot deze betalingen en niet is gebleken dat [naam bedrijf BV 3] geld verschuldigd was aan verdachte en/of [medeverdachte 1] . [16]
Volgens het Belastingdienstsysteem Fiscale Loongegevens (FLG) heeft verdachte over het jaar 2019 een brutoloon van € 9.750,- ontvangen vanuit [naam bedrijf BV 3] . Voor de overige betalingen van in totaal € 104.750,- is niet gebleken of er een rechtsgeldige titel bestaat.
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 4]
In dezelfde periode is in 23 overboekingen een totaalbedrag van € 245.546,40 overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 4] ten name van [naam bedrijf BV 4] . Vanaf medio juli 2019 wordt aan nagenoeg geen van de overboekingen een omschrijving meegegeven. Van deze betalingen zijn geen onderliggende stukken, zoals facturen, aangetroffen. Door het ontbreken hiervan kan niet worden vastgesteld of er een rechtsgeldige titel is voor deze overboekingen.
In december 2019 en januari 2020 is in totaal € 127.500,- naar [naam bedrijf BV 4] overgeboekt voor het aflossen van de kredietfaciliteit van [naam bedrijf BV 1] / [naam bedrijf BV 4] . Er zijn geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat [naam bedrijf BV 1] een titel of verplichting had om de schulden van [naam bedrijf BV 4] bij de bank of andere derden af te lossen. [17]
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 2]
Vanaf januari 2019 is in totaal, door middel van 7 overschrijvingen, een bedrag van € 38.250,- overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 5] ten name van [naam bedrijf BV 2] . De overboekingen hebben geen omschrijving meegekregen, zodat niet duidelijk is wat de aard en doel van deze betalingen zijn. Van de betalingen zijn geen onderliggende stukken aangetroffen, zoals facturen voor gestelde werkzaamheden. Er is € 1.000,- teruggeboekt, waardoor er per saldo € 37.250,- aan overboekingen resteert. Vanaf september 2019 zijn de volgende bedragen vanaf de rekening van [naam bedrijf BV 2] overgemaakt: € 2.250,- naar de gezamenlijke rekening ten name van verdachte en [medeverdachte 1] , € 2.000,- naar de bankrekening ten name van [naam bedrijf BV 5] en € 1.986,82 naar de privérekening van [medeverdachte 1] . Niet is gebleken dat deze betalingen verschuldigd zouden zijn door [naam bedrijf BV 1] . [18]
Overboeking naar [handelsnaam 1]
Op 15 januari 2020 is een bedrag van € 30.000,- overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 6] ten name van [handelsnaam 1] . De overboeking heeft de omschrijving 'afrekenen' meegekregen. Van de betaling van € 30.000,- zijn geen onderliggende stukken aangetroffen. Evenmin zijn er stukken aangetroffen waaruit blijkt dat [naam bedrijf BV 1] een titel of verplichting had om deze betaling te doen. [19]
Samenvatting
In totaal is er, in het jaar voorafgaand aan het faillissement van [naam bedrijf BV 1] , een bedrag van € 547.046,40 van [naam bedrijf BV 1] naar bovenstaande vijf vennootschappen overgemaakt waarvan geen onderliggende stukken zijn aangetroffen. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben die evenmin overgelegd. Door het ontbreken van onderliggende stukken is niet gebleken of er een rechtsgeldige titel is voor deze overboekingen. [20]
Auto’s op naam van [naam bedrijf BV 1]
Op 18 maart 2020 heeft de curator per e-mail aan verdachte informatie gevraagd over de kentekens [kenteken 1] (toebehorend aan een Peugeot 107) en [kenteken 2] (toebehorend aan een Renault Clio). De tenaamstellingen van deze kentekens zijn binnen een jaar voorafgaand aan het faillissement gewijzigd.
Renault Clio (kenteken [kenteken 2] )
De Renault Clio stond van 20 december 2013 tot en met 18 januari 2020 op naam van [naam bedrijf BV 1] . Op 18 januari 2020 is de Renault Clio op naam gesteld van [persoon 1] . [persoon 1] bevestigde aan de curator dat hij de auto heeft gekocht door overlegging van een factuur van 17 januari 2020, die is ondertekend door verdachte. Hierin staat dat [persoon 1] de auto heeft gekocht voor een bedrag van € 4.500,-. Ook kon hij aantonen dat dit bedrag door hem is voldaan. Een deel van de koopprijs (€ 2.000,-) was overgemaakt naar een op naam van [medeverdachte 1] gestelde bankrekening, terwijl de rest van het bedrag (€ 2.500,-) was overgemaakt naar een bankrekening op naam gesteld van verdachte. [21]
Peugeot 107 (kenteken [kenteken 1] )
Op 5 maart 2019 is de Peugeot 107 met kenteken [kenteken 1] , die op naam stond van [naam bedrijf BV 1] , op naam gesteld van [persoon 2] . Van enige betaling hebben zowel de curator als het onderzoeksteam geen onderliggende stukken aangetroffen. Hierdoor is niet gebleken of er een rechtsgeldige titel is voor deze wijziging in tenaamstelling.
Uitgaven met een privékarakter
Uit de bankanalyse van het bankrekeningnummer [rekeningnummer 7] ten name van [naam bedrijf BV 1] blijkt dat er in de periode van 2 januari 2019 tot en met 4 oktober 2019 bedragen werden afgeschreven die vermoedelijk een privékarakter hadden. Het ging om een totaalbedrag van € 14.071,50 aan transacties voor luxegoederen bij betaalautomaten [22] en drie betalingen met een totaalbedrag van € 16.375,55 aan reisorganisatie TUI. [23]
3.4.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de tenlastegelegde onttrekkingen aan de boedel (feit 1)
3.4.1.
Partiele vrijspraak van het onttrekken van de Peugeot 107 (kenteken [kenteken 1] ) aan de boedel
Op basis van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is gebleken dat er in maart 2019 een Peugeot met kenteken [kenteken 1] , is overgedragen. Omdat er geen onderliggende stukken van de overdracht zijn aangetroffen kan de rechtbank niet vaststellen wat er met de (eventuele) opbrengst is gebeurd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onttrekken van de Peugeot aan de boedel van [naam bedrijf BV 1] .
3.4.2.
Ten aanzien van de overige onderdelen van feit 1:
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 2 januari 2017 tot en met 14 februari 2020 als bestuurder, tezamen en in vereniging met een ander, geldbedragen en een Renault Clio, heeft onttrokken aan de boedel van [naam bedrijf BV 1] en buitensporig middelen heeft uitgeven, door het doen uitgaven met een privékarakter vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] , wetende dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
-
Bestuurder
Op basis van de uittreksels van de KvK en de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, stelt de rechtbank vast dat verdachte (middellijk) bestuurder was van [naam bedrijf BV 1] . [24]
De rechtbank stelt vandaag in het in de zaak tegen [medeverdachte 1] te wijzen vonnis vast dat zij feitelijk bestuurder was en dat zij zich bezighield met de financiën van de onderneming. [25] Die vaststelling doet echter niet af aan de verantwoordelijkheid van verdachte als bestuurder. Hij heeft de situatie dat [medeverdachte 1] zich met de financiën bezighield toegestaan en laten bestaan. Bovendien zijn de overboekingen voor een aanzienlijk deel ten gunste gekomen van aan hem gelieerde bedrijven en aan hemzelf, waaruit de rechtbank afleidt dat hij de gang van zaken daarmee heeft geaccepteerd en laten bestaan. Verdachte heeft zijn verklaring dat hij desondanks geen enkele betrokkenheid bij of voordeel van de overboekingen had niet geconcretiseerd of onderbouwd.
-
Geldbedragen
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat er in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 februari 2020 een totaalbedrag van € 547.046,40 aan [naam bedrijf BV 1] is onttrokken. Er is circa € 150.000,- overgemaakt naar entiteiten die gelieerd zijn aan verdachte en circa € 400.000,- naar entiteiten die gelieerd zijn aan [medeverdachte 1] (of direct naar haar eigen bankrekening). [26]
Vast staat dat er geen enkel stuk of ook maar enige administratie is overgelegd of aangetroffen waarin enige duidelijkheid wordt gegeven over de aard en het doel van deze overboekingen, zodat van deze betalingen niet kan worden vastgesteld dat zij een geldige titel hebben. Nu voor de overboekingen telkens een geldige titel of grondslag ontbreekt, zoals facturen, betalingsbewijzen en/of overeenkomsten, worden deze als onttrekkingen aangemerkt.
-
Renault Clio (kenteken [kenteken 2] )
Op basis van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is gebleken dat er op 18 januari 2020 een Renault Clio met kenteken [kenteken 2] , van [naam bedrijf BV 1] , is verkocht en dat de opbrengst is overgemaakt naar de privérekeningen van verdachte en [medeverdachte 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Renault Clio heeft verkocht en dat de verkoopopbrengst is uitbetaald op de privérekeningen van verdachte en [medeverdachte 1] .
Nu de verkoopopbrengst niet is overgemaakt naar de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] , ontbreekt een rechtsgeldige titel en wordt de verkoop van de auto als een onttrekking aangemerkt.
-
Uitgaven met privékarakter
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er van 2 januari 2019 tot en met 4 oktober 2019 een totaalbedrag van € 14.071,50 aan betalingen voor luxegoederen is afgeschreven. Deze bedragen kunnen op grond van artikel 343 sub Pro 2 van het Wetboek van Strafrecht worden gekwalificeerd als het buitensporig verbruiken van middelen van de rechtspersoon. Daarnaast zijn er drie betalingen geweest aan reisorganisatie TUI, met een totaalbedrag van € 16.375,55. Deze uitgaven kunnen worden aangemerkt als onttrekkingen aan de boedel, zoals bedoeld in artikel 343 sub Pro 1 van het Wetboek van Strafrecht.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een deel van de uitgaven met een privékarakter heeft plaatsgevonden in het kader van zakelijke reizen voor [naam bedrijf BV 1] . Voor het overige heeft verdachte geen verklaring gegeven.
De rechtbank overweegt dat verdachte heeft nagelaten te onderbouwen hoe de verschillende uitgaven ten goede van de vennootschap hadden kunnen komen en is van oordeel dat deze uitgaven derhalve als privé-uitgaven kunnen worden aangemerkt.
3.4.3.
Was er zicht op een faillissement
Door het onttrekken van geldbedragen en een auto en het doen van buitensporige (privé) uitgaven is [naam bedrijf BV 1] langzaam leeggehaald.
Van januari 2019 tot september 2019 werd een omzet behaald van € 502.262,-, nadien is geen omzet meer opgegeven bij de Belastingdienst. [27] Zoals hiervoor overwogen is in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 februari 2020 een bedrag € 547.046,04 aan [naam bedrijf BV 1] onttrokken. Dit betreft dus al een hoger bedrag dan de in 2019 behaalde omzet, terwijl bijvoorbeeld over het jaar 2019 bij de Belastingdienst door of namens [naam bedrijf BV 1] een loonsom van € 212.864,- was opgegeven, waarbij er indicatief 34 loongerechtigden in dienst waren. [28]
Elke maand is er per saldo meer geld naar gelieerde ondernemingen gegaan dan dat er van deze partijen bij [naam bedrijf BV 1] binnenkwam. Zo is er in de maand januari 2019 al € 38.000,- verschoven. [29] Bij een omzet in die maand van € 43.167,- [30] bleef er al niet veel over om aan huur-, salaris- en andere verplichtingen te voldoen. De maanden september 2019, december 2019 en januari 2020 vallen in het bijzonder op. In deze maanden vond er steeds per saldo een verschuiving van ongeveer € 90.000,- plaats terwijl er op dat moment geen enkele omzet meer werd behaald. [31]
Dat het al langere tijd niet goed ging met [naam bedrijf BV 1] blijkt onder meer uit de verklaring van [persoon 3] , vertegenwoordiger van [naam bedrijf] ( [naam bedrijf] ). Hij heeft verklaard dat [naam bedrijf] de samenwerking met [naam bedrijf BV 1] in 2019 uiteindelijk heeft beëindigd, omdat het vanaf 2018 bergafwaarts ging. Al in 2017 en 2018 bleek dat de contractuele werkzaamheden niet, of niet naar behoren werden nagekomen. [32] In 2019 werd het duidelijk dat [naam bedrijf BV 1] betalingsproblemen had, omdat vanaf oktober 2019 de huur niet meer werd betaald. [33] Ook zijn vanaf oktober 2019 de salarissen van de werknemers niet meer betaald [34]
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte wist (of had moeten weten) dat een faillissement aanstaande was.
3.4.4.
Wetende dat schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld
Het benadelen van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden, als bedoeld in art. 343 van Pro het Wetboek van Strafrecht, behelst handelen met opzet op deze benadeling. Onder dit opzet is ook voorwaardelijk opzet begrepen. Om tot een bewezenverklaring te komen, moet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat de schuldeisers van de failliete onderneming zouden worden benadeeld en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. Ook moet worden vastgesteld dat de schuldeisers als gevolg van dat handelen daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.
Door al sinds januari 2019 grote geldbedragen en een auto aan de boedel te onttrekken is er, mede gelet op de eerder omschreven voorzienbaarheid van het faillissement, een aanmerkelijke kans op de benadeling van de schuldeisers ontstaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte, als bestuurder van de vennootschap, wist of in ieder geval had moeten weten dat alle onttrekkingen in het zicht van het faillissement ertoe zouden leiden dat schuldeisers zouden worden benadeeld.
Uit het faillissementsverslag van 28 september 2022 volgt dat het totaalbedrag aan vorderingen dat bij de curator is ingediend € 318.504,44 bedroeg. [35]
Aangezien het faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven, staat vast dat de schuldeisers van de vennootschap daadwerkelijk zijn benadeeld. [36]
3.4.5.
Medeplegen
Verdachte en [medeverdachte 1] (die feitelijk bestuurder was) zijn als bestuurders samen verantwoordelijk geweest voor [naam bedrijf BV 1] . De gelden die aan [naam bedrijf BV 1] zijn onttrokken, zijn terecht gekomen bij de vennootschappen van zowel verdachte als [medeverdachte 1] . Zij hebben hiervan beiden geprofiteerd. Dat geldt ook voor de verkoop van de Renault Clio. De betalingen hiervoor zijn deels naar de privérekening van verdachte overgemaakt en deels naar de privérekening van [medeverdachte 1] . Zelfs als [medeverdachte 1] degene is geweest die alle overboekingen heeft verricht en niet verdachte, dan nog geldt dat verdachte de situatie waarbinnen deze overboekingen konden plaatsvinden heeft gecreëerd, heeft laten voortbestaan en daarvan heeft geprofiteerd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] hiermee tezamen en in vereniging bedragen en goederen aan de boedel hebben onttrokken, waardoor schuldeisers zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden
3.5.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2: niet voldoen aan de inlichtingenplicht
Op grond van artikel 106 Faillissementswet Pro berust op verdachte, als bestuurder van de failliete rechtspersoon, de verplichting om aan de curator inlichtingen te verschaffen als dit wordt verlangd.
Uit de melding en de aangifte van de curator, en de e-mailcorrespondentie tussen de curator en verdachte, is komen vast te staan dat verdachte als bestuurder van [naam bedrijf BV 1] niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht tegenover de curator. In de periode van 26 februari 2020 tot en met 7 oktober 2021 zijn er meerdere contactmomenten geweest tussen de curator en verdachte, waarin de curator meermaals heeft gevraagd om bepaalde inlichtingen en hem uitnodigde op kantoor. Verdachte heeft niet voldaan aan de verzoeken om informatie te verstrekken en heeft geweigerd naar het kantoor van de curator te komen. Verdachte heeft hierbij steeds verwezen naar de medeverdachte, dan wel naar de (voormalige) accountants van [naam bedrijf BV 1] . [37]
De rechtbank acht een kortere periode dan de periode in de tenlastelegging bewezen aangezien [naam bedrijf BV 1] op 15 november 2022 is opgeheven en is uitgeschreven als onderneming bij de KvK, waarmee de werkzaamheden van de curator tot een einde kwamen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte tot en met 15 november 2022 niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht.
3.6.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3: schending administratieplicht
3.6.1.
Schenden administratieplicht
De rechtbank stelt op basis van de melding van de curator, de aangifte en de e-mailcorrespondentie tussen de curator en verdachte vast dat verdachte als bestuurder van [naam bedrijf BV 1] niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie. De curator heeft nooit een volledige administratie aangetroffen, noch aangeleverd gekregen. Voor zover administratie is aangeleverd, is dit gedaan door [naam IT-bedrijf] en [naam bank] . Volgens de curator is de afhandeling van het faillissement hierdoor bemoeilijkt, omdat vanwege het ontbreken van de administratie het onderzoek naar onbehoorlijk bestuur en mogelijk paulianeus handelen is bemoeilijkt. [38]
Verdachte heeft als bestuurder een eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid die ook het voeren en bewaren van een correcte administratie van een onderneming met zich brengt. Door hieraan niet te voldoen, heeft verdachte opzettelijk niet voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 november 2022 niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen om een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en gegevensdragers te bewaren. Deze periode is korter dan de periode die is opgenomen in de tenlastelegging, omdat het onderzoek een aanvang neemt op 1 januari 2019 en [naam bedrijf BV 1] op 15 november 2022 is opgeheven en is uitgeschreven als onderneming bij de KvK.
3.6.2.
Medeplegen
Verdachte en [medeverdachte 1] zijn als (feitelijk) bestuurders samen verantwoordelijk geweest voor [naam bedrijf BV 1] . Voor beiden geldt de verplichting tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Dat er in het geheel geen administratie is aangetroffen is beide bestuurders aan te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] hiermee tezamen en in vereniging de wettelijke plicht tot het voeren van een deugdelijke administratie hebben geschonden. Verdachte en [medeverdachte 1] wijzen tevergeefs steeds naar elkaar, zij waren beiden verantwoordelijk voor de onderneming die zij samen runden.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, voor het faillissement, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2020, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, goederen aan de boedel heeft onttrokken en buitensporig middelen van [naam bedrijf BV 1] heeft uitgegeven en vervreemd, door
- zonder geldige titel vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] geldbedragen van in totaal € 547.046,40 over te maken aan [naam bedrijf BV 5] , van in totaal € 129.500,- en [naam bedrijf BV 3] , van in totaal € 104.750,- en [naam bedrijf BV 4] , van in totaal € 245.546,40 en [naam bedrijf BV 2] B.V,. van in totaal € 37.250,- en [handelsnaam 1] B.V., van in totaal € 30.000,- en
- uitgaven met een privékarakter te doen vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] en
- eenn auto van [naam bedrijf BV 1] , te weten een Renault Clio met kenteken [kenteken 2] te verkopen en de koopprijs te laten betalen op privérekeningen van hem, verdachte, en [medeverdachte 1] , terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor één of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld.
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
in de periode van 25 februari 2020 tot en met 15 november 2022, in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf BV 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, terwijl hij ingevolgde artikel 105 Faillissementswet Pro en artikel 106 Faillissementswet Pro wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, door ontoereikend te reageren op de verzoeken om informatie van mr. [curator] , curator van [naam bedrijf BV 1] , over de administratie van [naam bedrijf BV 1] en de betalingen die voorafgaand aan het faillissement zijn gedaan vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar aan [naam bedrijf BV 1] gelieerde vennootschappen.
ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:
als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , tijdens of voor het faillissement van de rechtspersoon, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 november 2022, in Nederland, tezamen en in vereniging met een natuurlijk persoon, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren.
7.2.
Het standpunt van verdachte
Verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door – vóór het faillissement van [naam bedrijf BV 1] – buitensporig middelen te gebruiken en daarnaast geldbedragen en een auto aan de boedel te onttrekken. Ook heeft hij nagelaten om een volledige administratie te voeren en te voldoen aan de op zijn als bestuurder van een failliete rechtspersoon rustende inlichtingenplicht. Verdachte heeft door zijn handelen de curator gehinderd in de uitoefening van de aan hem opgedragen taken en de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt. Daarnaast zijn de schuldeisers in het faillissement met een aanzienlijk bedrag benadeeld, waarbij de rechtbank uitgaat van een benadelingsbedrag van ruim € 300.000,-. Schuldeisers kunnen hierdoor in de problemen komen met het betalen van hun eigen rekeningen en zelf eventueel ook failliet gaan. Deze vormen van faillissementsfraude tasten het vertrouwen tussen ondernemers onderling aan, terwijl vertrouwen van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer.
Gebleken is dat van de overgeboekte gelden vanuit [naam bedrijf BV 1] ongeveer 20 procent naar de (privé)rekeningen is gegaan waar verdachte over kan beschikken.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Op te leggen straf
De rechtbank constateert dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn en ziet daarom aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die bij een benadelingsbedrag van € 300.000,- uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. De rechtbank zal met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een substantiële taakstraf. Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf van 180 uur, bij niet voldoen te vervangen door 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Dat de medeverdachte een hogere taakstraf krijgt opgelegd hangt samen met het verschil in verrijking tussen beiden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 194, 343 en 344a van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, 2 en 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel hebben onttrokken, buitensporig middelen van de rechtspersoon uitgeven en vervreemden
ten aanzien van feit 2:
als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard en wettelijk is verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige redenen wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. A.M.M. Leuven en S.L. van Tellingen, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de ettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DCC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.
2.DOC-002.
3.AMB-003.
4.AMB-003, p. 12 t/m 14; DOC-017, p. 1.;DOC-018, p. 1.; DOC-019, p. 1.
5.DOC-001, p. 1 en p. 2.
6.G-001-01, p. 1.
7.G-001-01 p. 1 en 2.
8.G-001-01 p. 7.
9.G-001-01, bijlagen 5a t/m 5c.
10.G-001-01, bijlage 3.
11.G-001-01 p. 4 t/m 6,
12.AMB-023, p. 2.
13.AMB-007, p. 5.
14.AMB-007, p. 6.
15.AMB-020, p. 1 t/m 5.
16.AMB-021, p. 1 t/m 6.
17.AMB-019, p. 1 t/m 6.; DOC-031, p. 1.; DOC-032, p. 1.
18.AMB-023, p. 1 t/m 4.; DOC-026, p. 1.
19.AMB-022, p. 1 t/m 3.
20.ZD-001-01, p. 48.
21.AMB-005, p. 4 en 5.
22.AMB-007, p. 9; DOC-027
23.AMB-007, p. 9.; DOC-027, p. 1.; DOC-028, p. 1.
24.Verklaring verdachte ter terechtzitting van 9 april 2026.
25.Zie vonnis van medeverdachte [medeverdachte 1] van 21 mei 2026.
26.DOC-025.
27.AMB-017, p. 3.
28.AMB-017, p. 3.
29.AMB-007, p. 6 figuur 4 en DOC-026.
30.AMB-017, p. 3.
31.AMB-007, p. 6 figuur 4 en DOC-026.
32.G-004-01, p. 3.
33.G-004-01, p. 4.
34.G-002, p. 4 en G-003, p.3
35.DOC-058, p. 24 en 25.
36.DOC-058, p. 26.; DOC-059.
37.G-001-01, p. 96.; V-001-01, p. 67.
38.G-001-01, p. 5