AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling bestuurder faillissementsfraude door onttrekking en administratieplicht
De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan faillissementsfraude als feitelijk bestuurder van [naam bedrijf BV 1]. Verdachte heeft in de periode voorafgaand aan het faillissement van de vennootschap aanzienlijke geldbedragen en een auto aan de boedel onttrokken en buitensporig middelen verbruikt, waardoor schuldeisers zijn benadeeld. Tevens heeft zij nagelaten een volledige administratie te voeren en niet voldaan aan haar wettelijke inlichtingenplicht jegens de curator.
De rechtbank oordeelde dat verdachte feitelijk bestuurder was, ondanks haar verweer dat zij vanaf september 2019 geen substantiële rol meer had. Uit getuigenverklaringen, bankgegevens en e-mails bleek dat zij de leiding had over de financiën en administratie. Er is vastgesteld dat ruim € 547.000,- zonder geldige titel van de failliete vennootschap naar gelieerde ondernemingen en privérekeningen is overgemaakt.
Verdachte heeft geweigerd volledige informatie te verstrekken aan de curator en heeft de administratie niet of onvoldoende overlegd, wat de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkte. De rechtbank verwierp de verweren van verdachte en concludeerde dat zij wist of had moeten weten dat haar handelen de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadeelde.
Gezien de ernst van de feiten, de omvang van de benadeling en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een taakstraf van 240 uur op, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank hield rekening met een forse overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden wegens faillissementsfraude en het niet voldoen aan administratie- en inlichtingenplicht.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/178564-22
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen: verdachte.
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 april 2026 en 7 mei 2026 en 21 mei 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak, en van wat verdachte en haar raadslieden, mr. S.A.M. Verweij en mr. drs. E.G. Engwirda, advocaten in Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , onder parketnummer 81/178504-22.
2.Tenlastelegging
Verdachte wordt er – kort samengevat – van beschuldigd dat zij
1. in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2020, als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , welke op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met een ander, gelden en goederen aan de boedel heeft onttrokken en/of buitensporig middelen heeft verbruikt, in de wetenschap dat daardoor schuldeisers zijn benadeeld;
2. in de periode van 25 februari 2020 tot en met heden, als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , welke op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, door niet of ontoereikend te reageren op de verzoeken van de curator;
3. in de periode van 1 juli 2016 tot en met heden. als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting tot het voeren en/of bewaren van een administratie.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.Voorvragen
3.1.
Geldigheid van de dagvaarding
De verdediging heeft betoogd dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 onvoldoende feitelijk bepaald is. De tenlastegelegde periode is zeer lang en de gedragingen die verdachte worden verweten zijn bijzonder ruim geformuleerd en onvoldoende feitelijk geconcretiseerd. Zo is niet gespecificeerd welke onderdelen van de administratie misten en hoe dat de afhandeling van het faillissement kan hebben bemoeilijkt. Het is verdachte daarom niet duidelijk waartegen zij zich precies moet verdedigen. De verdediging verzoekt dit deel van de tenlastelegging nietig te verklaren.
De rechtbank overweegt als volgt.
De dagvaarding moet een opgave inhouden van het feit dat wordt ten laste gelegd en die opgave moet voldoende feitelijk en voldoende duidelijk zijn (artikel 261 WetboekPro van Strafvordering). Of aan die eisen is voldaan, hangt af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld, in samenhang met het dossier waarop zij is gebaseerd.
Tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, waarin door de curator is aangegeven dat zo goed als de hele administratie, waaronder de inkoopfacturen, verkoopfacturen, grootboekadministratie en jaarrekeningen, ontbrak en dat het daardoor niet mogelijk was om de rechten en verplichtingen van en aan derden af te leiden uit de administratie, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waarop het derde feit op de dagvaarding betrekking heeft. Dat de tenlastegelegde periode relatief lang is, doet daaraan niet af.
Het door de verdediging gevoerde verweer, strekkende tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3 wordt dan ook verworpen.
De dagvaarding is geldig.
3.2.
Overige voorvragen
Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4.Waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir - op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen, met dien verstande dat verdachte ten aanzien van feit 1 en 3 van het tenlastegelegde medeplegen moet worden vrijgesproken omdat uit het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] .
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet kan worden aangemerkt als (feitelijk) bestuurder in de zin van artikel 343 vanPro het Wetboek van Strafrecht, omdat verdachte vanaf september 2019 geen substantiële rol meer speelde bij [naam bedrijf BV 1] (hierna: [naam bedrijf BV 1] ). Reeds om die reden dient verdachte van alle feiten te worden vrijgesproken.
Feit 1:
Meer specifiek ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging het volgende aangevoerd.
De in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2020 overgeboekte bedragen zijn geen onttrekkingen. De overgeboekte bedragen waaraan geen factuur ten grondslag lag, bijvoorbeeld de transacties die zien op saldocompensatie, zijn verwerkt in de rekening courant-verhouding. Andere overboekingen zien op dienstverlening c.q. werkzaamheden die door verdachte en/of haar medeverdachte, dan wel hun andere ondernemingen zijn verricht. Met de verkoop van auto’s die op naam stonden van [naam bedrijf BV 1] heeft verdachte niets te maken. [medeverdachte] is degene geweest die de auto’s heeft verkocht.
Ook is door de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van het buitensporig uitgeven van middelen. De transacties waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen betreffen geen privéuitgaven, maar hebben een zakelijk karakter.
Evenmin kan worden gezegd dat de transacties die hebben plaatsvonden in de maanden januari tot en met augustus 2019 hebben bijgedragen aan de benadeling van de schuldeisers, omdat de omzet van [naam bedrijf BV 1] in die maanden gemiddeld € 156.563,- bedroeg. Een causaal verband tussen de uitgaven in deze periode en benadeling van schuldeisers ontbreekt. Deze transacties met een totaalbedrag van € 252.208 moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten.
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de benadeling van schuldeisers. De aanmerkelijke kans op een faillissement was voor verdachte in de periode dat zij zich nog met [naam bedrijf BV 1] bemoeide niet voorzienbaar. Voor zover er wel een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond, geldt dat verdachte deze aanmerkelijke kans in ieder geval niet bewust heeft aanvaard. Ook om deze redenen dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.
Feit 2:
Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat op verdachte niet de plicht rustte om informatie te verstrekken aan de curator omdat zij niet kan worden aangemerkt als (feitelijk) bestuurder van [naam bedrijf BV 1] . Daarnaast kan niet bewezen worden dat zij opzettelijk heeft nagelaten om informatie te verstrekken omdat ze geen beschikkingsmacht had over de administratie van [naam bedrijf BV 1] . Verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit.
Feit 3:
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de administratie die werd gevoerd niet zo gebrekkig was dat die de afhandeling van het faillissement heeft benadeeld. Het probleem was dat de administratie niet werd overhandigd (zoals tenlastegelegd onder feit 2), niet dat deze niet werd gevoerd.
Daarbij heeft de curator, ondanks het ontbreken van een volledige administratie, voldoende informatie gehad om vorderingen van schuldeisers in kaart te brengen, zodat het causale verband dat in artikel 344a van het Wetboek van Strafrecht wordt genoemd ontbreekt. Tot slot is aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte opzet heeft gehad op het niet voeren van de administratie. Ook voor dit feit dient daarom vrijspraak te volgen.
4.3.
Vaststaande feiten
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
4.3.1.
Bedrijfsstructuur van [naam bedrijf BV 1] en gelieerde vennootschappen
Op 22 mei 2007 is [naam bedrijf BV 1] opgericht. De activiteiten bestonden uit beveiligingswerkzaamheden, met name cruiseschipbeveiliging. Bestuurder en enig aandeelhouder was [naam bedrijf BV 2] (hierna: [naam bedrijf BV 2] ). [naam bedrijf BV 3] (hierna: [naam bedrijf BV 3] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf BV 2] . Op zijn beurt is [medeverdachte] bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf BV 3] . Dit maakt dat [medeverdachte] middellijk bestuurder is van [naam bedrijf BV 1] . [2]
[naam bedrijf BV 3] en [naam bedrijf BV 2] zijn op 22 mei 2007 opgericht en in de Kamer van Koophandel (KvK) ingeschreven met als activiteit Financiële holdings. Op 1 augustus 2020 zijn [naam bedrijf BV 3] en [naam bedrijf BV 2] middels een turboliquidatie opgeheven.
Aan [naam bedrijf BV 1] zijn twee bedrijven gelieerd. [naam bedrijf BV 4] (hierna: [naam bedrijf BV 4] , handelsnaam [naam handelsnaam 1] ) en [naam bedrijf BV 5] (hierna: [naam bedrijf BV 5] , handelsnaam [naam handelsnaam 2] ). [naam bedrijf BV 5] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf BV 4] . Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf BV 5] . [3]
Beide ondernemingen zijn op 27 december 2019 middels een turboliquidatie opgeheven.
Op 19 november 2019 zijn door verdachte drie nieuwe vennootschappen opgericht, te weten de holding [naam beheer BV] (hierna: [naam beheer BV] ), waarvan verdachte enig aandeelhouder is, [naam handelsnaam 2] B.V. (hierna: [naam bedrijf BV 5] ) en [naam handelsnaam 1] B.V. (hierna: [naam handelsnaam 1] ). Van deze laatste twee vennootschappen is [naam beheer BV] enig aandeelhouder. [4]
De bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf BV 5] zien op uitzendwerk in de particuliere beveiliging en die van [naam handelsnaam 1] op bedrijfsopleiding- en trainingen.
In onderstaande afbeelding is de bedrijfsstructuur in kaart gebracht:
4.3.2.
Faillissement, melding en aangifte vermoeden faillissementsfraude en contacten met de curator
Op 25 februari 2020 is [naam bedrijf BV 1] door de rechtbank Midden-Nederland failliet verklaard. Hierbij is mr. [curator] aangesteld als curator. [5] Het faillissement is door werknemers van [naam bedrijf BV 1] aangevraagd omdat het salaris vanaf oktober 2019 niet werd uitbetaald.
Op 7 juli 2021 heeft de curator een melding van mogelijke faillissementsfraude gedaan bij het Kenniscentrum Faillissementsfraude van de FIOD. [6] Op 5 november 2021 heeft de curator een aanvullende aangifte gedaan tegen verdachte en [medeverdachte] , wegens onrechtmatige onttrekkingen aan de boedel, het buitensporig verbruik van middelen van de rechtspersoon, het schenden van de inlichtingenplicht en het niet voldoen aan de administratieplicht. [7] De curator stelt in zijn aangifte dat, in het zicht van het faillissement, vanaf januari 2019 in totaal € 597.961,40 aan de boedel van [naam bedrijf BV 1] is onttrokken en overgemaakt naar rekeningen van onder meer [naam bedrijf BV 4] , [naam bedrijf BV 2] , [naam bedrijf BV 3] , [naam bedrijf BV 5] , [naam handelsnaam 1] . Deze betalingen zouden onverplicht verrichte rechtshandelingen om niet betreffen. [8]
De curator verklaart dat hij verdachte (in de periode van 10 maart 2020 tot en met 9 september 2021 [9] ), en [medeverdachte] (in de periode van 26 februari 2020 tot en met 7 oktober 2021 [10] ), meermalen schriftelijk, per gewone post en per e-mail, heeft verzocht om inlichtingen en het verstrekken van administratieve bescheiden, waaronder ondersteunende documentatie die ziet op transacties vanaf de bankrekeningen van [naam bedrijf BV 1] . De curator verklaart dat hij nooit een volledige administratie heeft aangetroffen of heeft ontvangen van verdachte of [medeverdachte] . De curator beschikte slechts over bescheiden die hij van [naam bank] en [naam IT-bedrijf] heeft ontvangen. Verdachte en [medeverdachte] hebben daarmee volgens de curator niet voldaan aan de verplichting om (desgevraagd) inlichtingen te verschaffen. Daarbij komt dat verdachte en [medeverdachte] , ondanks uitnodiging daartoe, niet op het kantoor van de curator zijn verschenen.
Omdat een groot deel van de administratie ontbreekt, is in de ogen van de curator niet voldaan aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BWPro: het op zodanige wijze voeren van een administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. [11]
4.3.3.
Transacties betreffende de boedel
A. Mutaties op de bankrekening van [naam bedrijf BV 1]
Door de FIOD is een onderzoek verricht naar de mutaties op de bankrekening [bankrekeningnummer] , ten name van [naam bedrijf BV 1] , vanaf 1 januari 2019. [12] Zoals eerder benoemd, is [naam bedrijf BV 1] op 25 februari 2020 failliet verklaard. Bij deze rekening hoorde één bankpas, die op naam stond van [medeverdachte] als “gemachtigde”. Dit betreft verdachte [verdachte] , die tijdens haar huwelijk met [medeverdachte] zijn achternaam gebruikte. [13]
Uit dit onderzoek naar de inkomsten en uitgaven van [naam bedrijf BV 1] blijkt dat er in 2019 elke maand meer geld verdwijnt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar de aan de vennootschap gelieerde vennootschappen dan dat er van deze vennootschappen op de rekening van [naam bedrijf BV 1] binnenkomt. [14]
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 5]
In de periode van 1 januari 2019 tot aan het faillissement, is via 23 overboekingen een totaalbedrag van € 129.500,- overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 1] ten name van [naam bedrijf BV 5] . Van deze overboekingen zijn geen onderliggende stukken, zoals managementovereenkomsten, salarisstroken, leningovereenkomsten of facturen, overgelegd of aangetroffen. Bij de meeste overboekingen ontbreekt het aan een omschrijving, zodat niet duidelijk is wat de aard en het doel van deze betalingen zijn.
In september 2019 is in totaal € 53.000,- overgeboekt naar [naam bedrijf BV 5] . Deze betalingen hebben plaatsgevonden vlak voor de turboliquidatie van [naam bedrijf BV 5] op 27 december 2019. In januari 2020, kort na de turboliquidatie, is in totaal € 11.000,- overgeboekt naar [naam bedrijf BV 5] .
In totaal is in 2019 een bedrag van € 36.661,36 met de omschrijving 'loon' overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 5] naar de privérekening op naam van verdachte. Er zijn geen facturen overgelegd waaruit volgt dat [naam bedrijf BV 1] deze betalingen verschuldigd is. [15]
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 3]
In de periode van 1 januari 2019 tot het faillissement van [naam bedrijf BV 1] is door middel van 20 overboekingen een totaalbedrag van € 114.500,- overgemaakt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van [naam bedrijf BV 3] .
De overboekingen zijn, op één overboeking na (die als omschrijving “management” heeft), niet voorzien van een omschrijving, zodat niet duidelijk is wat de grondslag van deze betalingen is. Van deze betalingen zijn ook geen onderliggende stukken overgelegd of aangetroffen. Hierdoor is niet vast te stellen of er een rechtsgeldig titel is voor deze overboekingen. Een groot deel van de door [naam bedrijf BV 3] ontvangen betalingen zijn zonder omschrijving overgeboekt naar privérekeningen van verdachte en [medeverdachte] : € 27.450,- is overgeboekt naar de privérekening ten name van [medeverdachte] , € 41.658,- is overgeboekt naar de gezamenlijke rekening ten name van [medeverdachte] en verdachte en € 25.350,- is overgeboekt naar de privérekening van verdachte. Er zijn geen facturen aangetroffen met betrekking tot deze betalingen en niet is gebleken dat [naam bedrijf BV 3] geld verschuldigd was aan verdachte en/of [medeverdachte] . [16]
Volgens het Belastingdienstsysteem Fiscale Loongegevens (FLG) heeft [medeverdachte] over het jaar 2019 een brutoloon van € 9.750 ontvangen vanuit [naam bedrijf BV 3] . Voor de overige betalingen van in totaal € 104.750 is niet gebleken of er een rechtsgeldige titel bestaat.
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 4]
In dezelfde periode is in 23 overboekingen een totaalbedrag van € 245.546,40 overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 3] ten name van [naam bedrijf BV 4] . Vanaf medio juli 2019 wordt aan nagenoeg geen van de overboekingen een omschrijving meegegeven. Van deze betalingen zijn ook geen onderliggende stukken, zoals facturen aangetroffen. Door het ontbreken hiervan kan niet worden vastgesteld of er een rechtsgeldige titel is voor deze overboekingen.
In december 2019 en januari 2020 is in totaal € 127.500,- naar [naam bedrijf BV 4] overgeboekt voor het aflossen van de kredietfaciliteit van [naam bedrijf BV 1] / [naam bedrijf BV 4] . Er zijn geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat [naam bedrijf BV 1] een titel of verplichting had om de schulden van [naam bedrijf BV 4] bij de bank of andere derden af te lossen. [17]
Overboekingen naar [naam bedrijf BV 2]
Vanaf januari 2019 is in totaal, door middel van 7 overschrijvingen, een bedrag van € 38.250,- overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 4] ten name van [naam bedrijf BV 2] . De overboekingen hebben geen omschrijving meegekregen, zodat niet duidelijk is wat de aard en doel van deze betalingen zijn. Van de betalingen zijn ook geen onderliggende stukken aangetroffen. Er is € 1.000,- teruggeboekt, waardoor er per saldo € 37.250,- aan overboekingen resteert. Vanaf september 2019 zijn de volgende bedragen vanaf de rekening van [naam bedrijf BV 2] overgemaakt: € 2.250,- naar de gezamenlijke rekening ten name van [medeverdachte] en verdachte, € 2.000,- naar de bankrekening ten name van [naam bedrijf BV 5] , en € 1.986,82 naar de privérekening van verdachte. Niet is gebleken dat deze betalingen verschuldigd zouden zijn door [naam bedrijf BV 1] . [18]
Overboeking naar [naam handelsnaam 1]
Op 15 januari 2020 is een bedrag van € 30.000,- overgeboekt van de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar bankrekening [rekeningnummer 5] ten name van [naam handelsnaam 1] . De overboeking heeft de omschrijving 'afrekenen' meegekregen. Van de betaling van € 30.000,- zijn geen onderliggende stukken aangetroffen. Evenmin zijn er stukken aangetroffen waaruit blijkt dat [naam bedrijf BV 1] een titel of verplichting had om deze betaling te doen. [19]
Samenvatting
In totaal is er, in het jaar voorafgaand aan het faillissement van [naam bedrijf BV 1] , een bedrag van € 547.046,40 van [naam bedrijf BV 1] naar bovenstaande vijf vennootschappen overgemaakt, waarvoor geen onderliggende stukken zijn aangetroffen. Verdachte en [medeverdachte] hebben die evenmin overgelegd. Door het ontbreken van onderliggende stukken is niet gebleken of er een rechtsgeldige titel is voor deze overboekingen. [20]
Auto’s op naam van [naam bedrijf BV 1]
Op 18 maart 2020 heeft de curator per e-mail aan [medeverdachte] informatie gevraagd over de kentekens [kenteken 1] (toebehorend aan een Peugeot 107) en [kenteken 2] (toebehorend aan een Renault Clio). De tenaamstellingen van deze kentekens zijn binnen een jaar voorafgaand aan het faillissement gewijzigd.
Renault Clio (kenteken [kenteken 2] )
De Renault Clio stond van 20 december 2013 tot en met 18 januari 2020 op naam van [naam bedrijf BV 1] . Op 18 januari 2020 is de Renault Clio op naam gesteld van [persoon 1] . [persoon 1] bevestigde aan de curator dat hij de auto heeft gekocht door overlegging van een factuur van 17 januari 2020, die is ondertekend door [medeverdachte] . Hierin staat dat [persoon 1] de auto heeft gekocht voor een bedrag van € 4.500,-. Ook kon hij aantonen dat dit bedrag door hem is voldaan. Een deel van de koopprijs (€ 2.000,-) was overgemaakt naar een op naam van verdachte gestelde bankrekening, terwijl de rest van het bedrag (€ 2.500,-) was overgemaakt naar een bankrekening op naam gesteld van [medeverdachte] . [21]
Peugeot 107 (kenteken [kenteken 1] )
Op 5 maart 2019 is de Peugeot 107 met kenteken [kenteken 1] , die op naam stond van [naam bedrijf BV 1] op naam gesteld van [persoon 2] . Van enige betaling hebben zowel de curator als het onderzoeksteam geen onderliggende stukken aangetroffen. Hierdoor is niet gebleken of er een rechtsgeldige titel was voor deze wijziging in tenaamstelling.
Uitgaven met een privékarakter
Uit de bankanalyse van het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van [naam bedrijf BV 1] blijkt dat er in de periode van 2 januari 2019 tot en met 4 oktober 2019 bedragen werden afgeschreven die vermoedelijk een privékarakter hadden. Het ging om een totaalbedrag van € 14.071,50 aan transacties voor luxegoederen bij betaalautomaten [22] en drie betalingen met een totaalbedrag van € 16.375,55 aan reisorganisatie TUI. [23]
4.4.
Bewijsoverwegingen algemeen
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verdachte kan worden aangemerkt als bestuurder van [naam bedrijf BV 1] .
Op grond van artikel 348a van het Wetboek van Strafrecht geldt dat onder bestuurder van een rechtspersoon ook moet worden begrepen degene die feitelijk als bestuurder van een rechtspersoon optreedt. De rechtbank stelt vast dat daarvan in het geval van verdachte sprake is en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft over haar werkzaamheden voor [naam bedrijf BV 1] schriftelijk verklaard dat zij zich bezighield met relatiebeheer, de belastingaangiftes verstuurde, offertes opmaakte en prijsonderhandelingen voerde. Daarnaast ondertekende zij alle arbeidsovereenkomsten, loste zij arbeidsconflicten op en handelde ze klachten af. Ook bemoeide zij zich met de financiën van [naam bedrijf BV 1] . [24] Uit het dossier volgt dat verdachte meerdere arbeidsovereenkomsten (of verlengingen daarvan) met medewerkers van [naam bedrijf BV 1] heeft ondertekend met de naam [medeverdachte] (haar huwelijksnaam) of [verdachte] , als ‘zakelijk directeur’. De laatste twee overeenkomsten dateren van begin oktober 2019. [25] Ook bevinden zich in het dossier meerdere door verdachte verstuurde e-mails (de laatste is verzonden op 15 oktober 2019), waarbij in de digitale handtekening van verdachte de titel van 'zakelijk directeur' van [naam bedrijf BV 1] staat. [26] Verdachte was bij [naam bank] bekend als de gemachtigde van de hoofdrekening [bankrekeningnummer] van [naam bedrijf BV 1] en de bankpas stond op haar (huwelijkse) naam: [medeverdachte] . [27]
Daarnaast zijn er meerdere getuigen die verklaren over de rol van verdachte bij [naam bedrijf BV 1] . Getuige [getuige 1] , oud-werknemer van [naam bedrijf BV 1] , heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte] de leiding hadden en dat verdachte de echte ‘spin in het web’ was. Zij deed de financiën en de salarissen. [28]
Getuige [getuige 2] , oud-werknemer van [naam bedrijf BV 1] , heeft verklaard dat [medeverdachte] de zeggenschap op de werkvloer leek te hebben en dat verdachte het administratieve gedeelte deed. Zij ‘was meer financieel’. Volgens hem was verdachte echt de baas en besloot zij ook alles. [medeverdachte] had weinig tot niks te vertellen. [29]
Getuige [getuige 3] verklaarde namens [naam bedrijf] ( [naam bedrijf] ), klant en tevens verhuurder van de kantoorruimtes van [naam bedrijf BV 1] , dat verdachte en [medeverdachte] samen [naam bedrijf BV 1] runden, maar dat verdachte in de praktijk degene was die eigenlijk alles regelde. Verdachte was zakelijk directeur van [naam bedrijf BV 1] . [medeverdachte] was wel op de hoogte van alles wat zich binnen het bedrijf afspeelde, maar verdachte was de drijvende kracht achter [naam bedrijf BV 1] , zowel financieel als administratief. Zij was feitelijk de bestuurder. [naam bedrijf] deed vooral zaken met [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat hiermee verdachte wordt bedoeld) over planning, financieel, facturatie en huur. Zij vervulde die rol vanaf 2012 en ook nog in de periode november/december 2019. [30]
De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte in het najaar van 2019 nog steeds kon beschikken over de bankrekening [naam bedrijf BV 1] . Naast het feit dat zij de gemachtigde was van deze rekening en beschikte over de betaalpas, hebben er van september 2019 tot en met januari 2020 immers meerdere overboekingen plaatsgevonden vanuit [naam bedrijf BV 1] naar [naam bedrijf BV 5] , waarvan verdachte de enige aandeelhouder en bestuurder was. In september 2019 is in totaal € 53.000,- overgeboekt, vlak voor de turboliquidatie van [naam bedrijf BV 5] . In januari 2020, kort na de turboliquidatie, is in totaal nog eens € 11.000,- overgeboekt naar [naam bedrijf BV 5] . Vanaf de rekening van [naam bedrijf BV 5] is in de maanden september, oktober en november 2019 vervolgens een totaalbedrag van € 21.275,85 overgemaakt naar de privérekening van verdachte. [31]
Ook hebben er in de periode van 16 december 2019 tot en met 15 januari 2020 meerdere substantiële overboekingen (in totaal € 127.500,-) plaatsgevonden vanuit [naam bedrijf BV 1] naar [naam bedrijf BV 4] , waarvan [naam bedrijf BV 5] enig aandeelhouder en bestuurder was. [32] Niet in te zien valt hoe iemand anders dan verdachte belang had bij deze betalingen.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte tot aan het faillissement (feitelijk) bestuurder was van [naam bedrijf BV 1] . Het verweer van de verdediging dat verdachte niet kan worden aangemerkt als bestuurder van [naam bedrijf BV 1] wordt verworpen.
4.5.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de tenlastegelegde onttrekkingen aan de boedel (feit 1)
4.5.1.
Partiele vrijspraak van het onttrekken van de Peugeot 107 (kenteken [kenteken 1] ) aan de boedel
Op basis van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is gebleken dat er in maart 2019 een Peugeot met kenteken [kenteken 1] is overgedragen. Omdat er geen onderliggende stukken van de overdracht zijn aangetroffen, kan de rechtbank niet vaststellen wat er met de (eventuele) opbrengst is gebeurd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onttrekken van de Peugeot aan de boedel van [naam bedrijf BV 1] .
4.5.2.
Ten aanzien van de overige onderdelen van feit 1:
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2020 als (feitelijk) bestuurder, tezamen en in vereniging met een ander, geldbedragen en een Renault Clio, heeft onttrokken aan de boedel van [naam bedrijf BV 1] en buitensporig middelen heeft uitgeven door het doen uitgaven met een privékarakter vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] , wetende dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
- Geldbedragen
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zonder administratie niet kan vertellen wat de reden was voor de overboekingen naar de aan [naam bedrijf BV 1] gelieerde vennootschappen. Ten aanzien van een deel van de overboekingen heeft zij verklaard dat deze overboekingen zijn verricht in verband met de rekening-courant verhouding tussen [naam bedrijf BV 1] en andere B.V.’s of dat er sprake was van saldocompensaties.
Vast staat echter dat er geen enkel stuk of ook maar enige administratie is overgelegd of aangetroffen waarin enige duidelijkheid wordt gegeven over de aard en het doel van deze overboekingen, zodat van deze overboekingen niet kan worden vastgesteld dat zij een geldige titel hebben. Verdachte heeft haar verklaring op geen enkele wijze geconcretiseerd of onderbouwd. De rechtbank zal om deze reden aan de verklaring van verdachte, dat een deel van de betalingen is verricht in verband met een rekening-courantverhouding dan wel saldocompensatie, voorbij gaan. Nu niet is gebleken van een geldige titel of grondslag ten aanzien van de overboekingen, worden (ook) deze overboekingen als onttrekkingen aangemerkt.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor onder 4.3.3 opgenomen bewijsmiddelen vast dat er in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 februari 2020 een totaalbedrag van € 547.046,04 aan [naam bedrijf BV 1] is onttrokken. Er is circa € 150.000,- overgemaakt naar entiteiten die gelieerd zijn aan [medeverdachte] en circa € 400.000,- naar entiteiten die gelieerd zijn aan verdachte of direct naar haar eigen bankrekening. [33]
- Renault Clio (kenteken [kenteken 2] )
Op basis van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is gebleken dat er op 18 januari 2020 een Renault Clio met kenteken [kenteken 2] , van [naam bedrijf BV 1] , is verkocht en dat de opbrengst is overgemaakt naar de privérekeningen van verdachte en [medeverdachte] . Nu de verkoopopbrengst niet is overgemaakt naar de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] , ontbreekt een rechtsgeldige titel en wordt de verkoop van de auto als een onttrekking aangemerkt.
- Uitgaven met privékarakter
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er van 2 januari 2019 tot en met 4 oktober 2019 een totaalbedrag van € 14.071,50 aan betalingen voor luxegoederen is afgeschreven. Deze bedragen kunnen op grond van artikel 343 subPro 2 van het Wetboek van Strafrecht worden gekwalificeerd als het buitensporig verbruiken van middelen van de rechtspersoon. Daarnaast zijn er drie betalingen geweest aan reisorganisatie TUI, met een totaalbedrag van € 16.375,55. Deze uitgaven kunnen worden aangemerkt als onttrekkingen aan de boedel, zoals bedoeld in artikel 343 subPro 1 van het Wetboek van Strafrecht.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een deel van deze uitgaven heeft plaatsgevonden in het kader van zakelijke reizen voor [naam bedrijf BV 1] en daarmee geen privé-uitgaven zijn. Voor het overige heeft verdachte geen verklaring gegeven.
De rechtbank overweegt dat verdachte heeft nagelaten te onderbouwen hoe de verschillende uitgaven ten goede van de vennootschap hadden kunnen komen en is van oordeel dat deze uitgaven derhalve als privé-uitgaven kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank kan niet vaststellen wie de overboekingen en uitgaven feitelijk heeft gedaan. Het ligt voor de hand dat verdachte dit is geweest. Zij presenteerde zich immers als zakelijk directeur, was volgens getuigen verantwoordelijk voor de financiën en was de gemachtigde tot de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] . Bovendien zijn de overboekingen voor een zeer aanzienlijk deel ten gunste komen van aan haar gelieerde bedrijven en aan haarzelf. In ieder geval was zij, als feitelijk bestuurder, samen met haar medeverdachte als bestuurder, verantwoordelijk voor deze overboekingen en heeft zij de gang van zaken daarmee geaccepteerd en laten bestaan.
4.5.3.
Was er zicht op een faillissement?
De verdediging heeft gesteld dat niet kan worden gesproken van (voorwaardelijk) opzet omdat het faillissement niet voorzienbaar was. De rechtbank overweegt in dit kader het volgende.
Door het onttrekken van geldbedragen en een auto en het doen van buitensporige (privé) uitgaven is [naam bedrijf BV 1] langzaam leeggehaald.
Van januari 2019 tot september 2019 werd een omzet behaald van € 502.262,-, nadien is geen omzet meer opgegeven bij de Belastingdienst. [34] Zoals hiervoor overwogen is in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 februari 2020 een bedrag € 547.046,04 aan [naam bedrijf BV 1] onttrokken. Dit betreft dus al een hoger bedrag dan de in 2019 behaalde omzet, terwijl bijvoorbeeld over het jaar 2019 bij de Belastingdienst door of namens [naam bedrijf BV 1] een loonsom van € 212.864,- was opgegeven, waarbij er indicatief 34 loongerechtigden in dienst waren. [35]
Elke maand is er per saldo meer geld naar gelieerde ondernemingen gegaan dan dat er van deze partijen bij [naam bedrijf BV 1] binnenkwam. Zo is er in de maand januari 2019 al € 38.000,- verschoven. [36] Bij een omzet in die maand van € 43.167,- [37] bleef er al niet veel over om aan huur-, salaris- en andere verplichtingen te voldoen. De maanden september 2019, december 2019 en januari 2020 vallen in het bijzonder op. In deze maanden vond er steeds per saldo een verschuiving van ongeveer € 90.000,- plaats terwijl er op dat moment geen enkele omzet meer werd behaald. [38]
Dat het al langere tijd niet goed ging met [naam bedrijf BV 1] blijkt onder meer uit de verklaring van [getuige 3] . Hij heeft verklaard dat [naam bedrijf] de samenwerking met [naam bedrijf BV 1] in 2019 uiteindelijk heeft beëindigd, omdat het vanaf 2018 bergafwaarts ging. Al in 2017 en 2018 bleek dat de contractuele werkzaamheden niet, of niet naar behoren werden nagekomen. [39] In 2019 werd het hem duidelijk dat [naam bedrijf BV 1] betalingsproblemen had, omdat vanaf oktober 2019 de huur niet meer werd betaald. [40] Ook zijn vanaf oktober 2019 de salarissen van de werknemers niet meer betaald [41]
Daarbij komt dat verdachte al enige tijd bezig was met het oprichten van drie eigen ondernemingen, waarbij twee ondernemingen ( [naam handelsnaam 2] en [naam handelsnaam 1] B.V.) dezelfde activiteiten ondernamen als [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 4] , namelijk particuliere beveiliging/beveiligingswerkzaamheden en bedrijfsopleidingen op het gebied van beveiliging en veiligheid. [42] [naam bedrijf BV 1] had als handelsnaam [naam handelsnaam 2] en [naam bedrijf BV 4] had als handelsnaam [naam handelsnaam 1] .
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte al sinds 2019 bezig was om alles op te zetten om zelf verder te gaan. Dit zou blijken uit het feit dat zij nieuwe B.V.'s heeft opgericht en websites heeft ze laten bouwen/overzetten, waarbij zij op 17 oktober 2019 de website [naam handelsnaam 2] .nl heeft opgezet. [43]
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte wist (of had moeten weten) dat een faillissement aanstaande was en dat zij bezig was [naam bedrijf BV 1] leeg te trekken en zich te richten op werkzaamheden met nieuwe eigen ondernemingen die feitelijk de activiteiten voortzetten.
4.5.4.
Wetende dat schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld
Het benadelen van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden, als bedoeld in art. 343 vanPro het Wetboek van Strafrecht, behelst handelen met opzet op deze benadeling. Onder dit opzet is ook voorwaardelijk opzet begrepen. Om tot een bewezenverklaring te komen, moet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat de schuldeisers van de failliete onderneming zouden worden benadeeld en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Ook moet worden vastgesteld dat de schuldeisers als gevolg van dat handelen daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.
Door al sinds januari 2019 grote geldbedragen en een auto aan de boedel te onttrekken is er, mede gelet op de eerder omschreven voorzienbaarheid van het faillissement, een aanmerkelijke kans op de benadeling van de schuldeisers ontstaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte, als (feitelijk) bestuurder van de vennootschap en als degene die zich om de financiën van [naam bedrijf BV 1] bekommerde, wist of in ieder geval had moeten weten dat alle onttrekkingen in het zicht van het faillissement ertoe zouden leiden dat schuldeisers zouden worden benadeeld.
Uit het faillissementsverslag van 28 september 2022 volgt dat het totaalbedrag aan vorderingen dat bij de curator is ingediend € 318.504,44 bedroeg. [44]
Aangezien het faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven, staat vast dat de schuldeisers van de vennootschap daadwerkelijk zijn benadeeld. [45]
4.5.5.
Medeplegen
Verdachte en [medeverdachte] (die middellijk bestuurder was) zijn als (feitelijk) bestuurders samen verantwoordelijk geweest voor [naam bedrijf BV 1] . De gelden die aan [naam bedrijf BV 1] zijn onttrokken, zijn terecht gekomen bij de vennootschappen van zowel verdachte als [medeverdachte] . Zij hebben hiervan beiden geprofiteerd. Dat geldt ook voor de verkoop van de Renault Clio. De betalingen hiervoor zijn deels naar de privérekening van verdachte overgemaakt en deels naar de privérekening van [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] hiermee tezamen en in vereniging bedragen en goederen aan de boedel hebben onttrokken, waardoor schuldeisers zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden
4.6.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2: niet voldoen aan de inlichtingenplicht
Op grond van artikel 106 FaillissementswetPro berust op verdachte, als feitelijke bestuurder van de failliete rechtspersoon, de verplichting om aan de curator inlichtingen te verschaffen als dit wordt verlangd.
Uit de melding en de aangifte van de curator, en de e-mailcorrespondentie tussen de curator en verdachte, is komen vast te staan dat verdachte als (feitelijk) bestuurder van [naam bedrijf BV 1] niet heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht tegenover de curator. In de periode van 10 maart 2020 t/m 9 september 2021 zijn meerdere contactmomenten geweest tussen de curator en verdachte, waarin de curator meermaals heeft gevraagd om bepaalde inlichtingen en haar uitnodigde op kantoor. Verdachte heeft niet voldaan aan de verzoeken om informatie te verstrekken en heeft geweigerd naar het kantoor van de curator te komen. Op berichten van de curator heeft zij niet of niet inhoudelijk gereageerd. Met betrekking tot de transacties aan [naam bedrijf BV 4] en [naam bedrijf BV 5] heeft verdachte in een brief van 19 mei 2020 verklaard dat zij kan bewijzen dat deze zagen op geleverde diensten, maar dat zij zich tot dat bewijs niet verplicht voelde. [46]
Het verweer dat verdachte niet opzettelijk heeft nagelaten om de administratie te verstrekken, omdat zij daarover geen beschikking had, wordt verworpen. Verdachte is immers op grond van de wet als (feitelijk) bestuurder zelf verantwoordelijk voor het verschaffen van de vereiste inlichtingen. Van enige feitelijke onmogelijkheid om aan deze inlichtingenplicht te voldoen is op geen enkele manier gebleken. In tegendeel, de rechtbank maakt uit de hiervoor aangehaalde brief van verdachte uit dat er veeleer sprake was van onwil.
De rechtbank acht een kortere periode dan de periode in de tenlastelegging bewezen aangezien [naam bedrijf BV 1] op 15 november 2022 is opgeheven en is uitgeschreven als onderneming bij de KvK, waarmee de werkzaamheden van de curator tot een einde kwamen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte tot en met 15 november 2022 niet heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht.
4.7.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3: schending administratieplicht
4.7.1.
Schenden administratieplicht
De rechtbank stelt op basis van de melding van de curator, de aangifte en de e-mailcorrespondentie tussen de curator en verdachte vast dat verdachte als (feitelijk) bestuurder van [naam bedrijf BV 1] niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie. De curator heeft nooit een volledige administratie aangetroffen, noch aangeleverd gekregen. Voor zover enige administratie is aangeleverd, is dit gedaan door [naam IT-bedrijf] en [naam bank] . Volgens de curator is de afhandeling van het faillissement hierdoor bemoeilijkt, omdat vanwege het ontbreken van de administratie het onderzoek naar onbehoorlijk bestuur en mogelijk paulianeus handelen is bemoeilijkt. [47] Het verweer van verdachte dat dit niet het geval is geweest, mist feitelijke grondslag.
Verdachte heeft als (feitelijk) bestuurder, een eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid die ook het voeren en bewaren van een correcte administratie van een onderneming met zich brengt. Door hieraan niet te voldoen, heeft verdachte opzettelijk niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen. De enkele stelling van verdachte dat de administratie er wel was, maar dat zij deze niet kon verstrekken, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 november 2022 niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichtingen om een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en gegevensdragers te bewaren. Deze periode is korter dan de periode die is opgenomen in de tenlastelegging, omdat het onderzoek een aanvang neemt op 1 januari 2019 en [naam bedrijf BV 1] op 15 november 2022 is opgeheven en uitgeschreven als onderneming bij de KvK.
4.7.2.
Medeplegen
Verdachte en [medeverdachte] zijn als (feitelijk) bestuurders samen verantwoordelijk geweest voor [naam bedrijf BV 1] . Voor beiden geldt de verplichting tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Dat er in het geheel geen administratie is aangetroffen is hen beiden aan te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] hiermee tezamen en in vereniging de wettelijke plicht tot het voeren van een deugdelijke administratie hebben geschonden. Verdachte en [medeverdachte] wijzen tevergeefs steeds naar elkaar, zij waren beiden verantwoordelijk voor de onderneming die zij samen runden.
5.Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, voor het faillissement, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2020, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, goederen aan de boedel heeft onttrokken en buitensporig middelen van [naam bedrijf BV 1] heeft uitgegeven en vervreemd, door
- zonder geldige titel vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] geldbedragen van in totaal € 547.046,40 over te maken aan [naam bedrijf BV 5] B.V., van in totaal € 129.500,- en [naam bedrijf BV 3] , van in totaal € 104.750,- en [naam bedrijf BV 4] , van in totaal € 245.546,40 en [naam bedrijf BV 2] , van in totaal € 37.250,- en [naam handelsnaam 1] B.V., van in totaal € 30.000,- en
- uitgaven met een privékarakter te doen vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] en
- eenn auto van [naam bedrijf BV 1] , te weten een Renault Clio met kenteken [kenteken 2] , te verkopen en de koopprijs te laten betalen op privérekeningen van haar, verdachte, en [medeverdachte] , terwijl zij, verdachte, wist dat hierdoor één of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld.
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
in de periode van 25 februari 2020 tot en met 15 november 2022, in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf BV 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland op 25 februari 2020 in staat van faillissement is verklaard, terwijl zij ingevolgde artikel 105 FaillissementswetPro en artikel 106 FaillissementswetPro wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, door ontoereikend te reageren op de verzoeken om informatie van mr. [curator], curator van [naam bedrijf BV 1] , over de administratie van [naam bedrijf BV 1] en de betalingen die voorafgaand aan het faillissement zijn gedaan vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] naar aan [naam bedrijf BV 1] gelieerde vennootschappen.
ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:
als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 1] , tijdens of voor het faillissement van de rechtspersoon, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 15 november 2022, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6.De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8.Motivering van de straffen en maatregelen
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstraf.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door – vóór het faillissement van [naam bedrijf BV 1] – buitensporig middelen te gebruiken en daarnaast geldbedragen en een auto aan de boedel te onttrekken. Ook heeft zij nagelaten om een volledige administratie te voeren en te voldoen aan de op haar als bestuurder van een failliete rechtspersoon rustende inlichtingenplicht. Verdachte heeft door haar handelen de curator gehinderd in de uitoefening van de aan hem opgedragen taken en de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt. Daarnaast zijn de schuldeisers in het faillissement voor een aanzienlijk bedrag benadeeld, waarbij de rechtbank uitgaat van een benadelingsbedrag van ruim € 300.000,-. Schuldeisers kunnen hierdoor in de problemen komen met het betalen van hun eigen rekeningen en zelf eventueel ook failliet gaan. Deze vormen van faillissementsfraude tasten het vertrouwen tussen ondernemers onderling aan, terwijl vertrouwen van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer.
Verdachte heeft in november 2019 drie nieuwe bedrijven opgericht, waaronder [naam handelsnaam 1] B.V., en is met deze ondernemingen doorgegaan met vergelijkbare bedrijfsactiviteiten als die van [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 4] .
De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte met behulp van aan de boedel onttrokken geld een doorstart heeft gemaakt, aangezien er op 20 januari 2020 een bedrag van € 30.000,- vanuit [naam bedrijf BV 1] is overgemaakt naar [naam handelsnaam 1] B.V. Daarnaast is gebleken dat van de overgeboekte gelden vanuit [naam bedrijf BV 1] ongeveer 80 procent naar de aan verdachte gelieerde bankrekeningen is gegaan, waarmee zij zich aanzienlijk heeft verrijkt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Op te leggen straf
De rechtbank constateert dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn en ziet daarin aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die bij een benadelingsbedrag van € 300.000,- uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. De rechtbank zal met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarnaast een substantiële taakstraf. Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf van 240 uur, bij niet voldoen te vervangen door 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Dat de medeverdachte een lagere taakstraf krijgt opgelegd hangt samen met het verschil in verrijking tussen beiden.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 194, 343 en 344a van het Wetboek van Strafrecht.
10.De beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder de feiten 1, 2 en 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel hebben onttrokken, buitensporig middelen van de rechtspersoon uitgeven en vervreemden.
ten aanzien van feit 2:
als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard en wettelijk is verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt
Veroordeelt verdachte tot een taakstrafvan 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. A.M.M. Leuven en S.L. van Tellingen, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.
Voetnoten
1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.
2.DOC-002.
3.AMB-003.
4.AMB-003, p. 12 t/m 14; DOC-017, p. 1.;DOC-018, p. 1.; DOC-019, p. 1.
5.DOC-001, p. 1 en p. 2.
6.DOC-003.
7.G-001-01, p. 1 en 2.
8.G-001-01 p. 7.
9.G-001-01, bijlagen 5a t/m 5c.
10.G-001-01, bijlage 3.
11.G-001-01 p. 4 t/m 6.
12.AMB-023, p. 2.
13.AMB-007, p. 11.
14.AMB-007, p. 6.
15.AMB-020.
16.AMB-021.
17.AMB-019; DOC-031, p. 1.; DOC-032, p. 1.
18.AMB-023.; DOC-026, p. 1.
19.AMB-022.
20.ZD-001-01, p. 48.
21.AMB-005, p. 4 en 5.
22.AMB-007, p. 9; DOC-027
23.AMB-007, p. 9; DOC-028.
24.DOC-041, p. 12.
25.DOC-037, p. 1.; G-001-01, bijlage 1, p. 19, 22, 35, 36, 45, 49 en 55.
26.DOC-043; DOC-044; DOC-045, p. 3.; DOC-046, p.3.
27.AMB-007, p. 11.
28.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , G-002-01 p. 3.