Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5481

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
13/229947-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen voorbereiden ontploffing wegens onvoldoende bewijs

Op 30 augustus 2024 werd een geïmproviseerde explosieve constructie aangetroffen bij een pand in Amsterdam. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van het voorbereiden van een ontploffing en het voorhanden hebben van deze constructie. Het bewijs bestond uit twee vingerafdrukken van verdachte op het explosief.

De officier van justitie stelde dat deze vingerafdrukken voldoende waren om verdachte als medepleger aan te merken. De verdediging voerde aan dat het enkel aantreffen van vingerafdrukken zonder aanvullend bewijs onvoldoende is om betrokkenheid vast te stellen, mede omdat de sporen op verplaatsbare voorwerpen zaten en er meerdere verklaringen mogelijk zijn.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs beperkt bleef tot het aanraken van de flessen en tape, zonder aanwijzingen dat verdachte betrokken was bij het vervaardigen, vervoeren of plaatsen van het explosief. Er was geen bewijs dat verdachte een van de personen op camerabeelden was of enige rol had bij het voorbereiden van de ontploffing. Daarom werd verdachte vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.

Daarnaast werd beslag gelegd op de cobra’s, flessen en verdovende middelen. De cobra’s en flessen werden onttrokken aan het verkeer vanwege hun gevaarlijke aard, terwijl de verdovende middelen eveneens werden onttrokken. Andere inbeslaggenomen goederen werden in bewaring gegeven ten behoeve van de rechthebbende.

De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen voorbereiden ontploffing.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/229947-25
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] .
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 15 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.T.M. Eijsbouts, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij] en van hetgeen door mr. M.P. de Klerk, namens hem, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is, samengevat, tenlastegelegd dat hij zich op 30 augustus 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1:het medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
feit 2:het medeplegen van het voorhanden hebben van een geïmproviseerde explosieve constructie.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste
gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing
van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. Op 30 augustus 2024 is er een geïmproviseerde explosieve constructie, bestaande uit drie flessen wasbenzine en cobra’s die met tape aan elkaar waren vastgeplakt, aangetroffen bij het pand gelegen aan het [adres 2] . Op camerabeelden is te zien dat kort daarvoor twee personen komen aangereden, één van hen het explosief bij het pand neerlegt, en even later de tweede persoon zich erbij voegt. Op het onderste deel van één van de flessen en op de buitenzijde van de tape worden vingerafdrukken van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft geen verklaring gegeven of alternatief scenario geschetst over hoe zijn vingerafdrukken hierop terecht zijn gekomen. Er is echter maar één verklaring te geven voor het aantreffen van zijn vingerafdrukken, namelijk dat hij het explosief in handen heeft gehad. Verdachte kan volgens de officier van justitie dan ook als medepleger worden aangemerkt van het voorbereiden van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en het voorhanden hebben van een geïmproviseerde explosieve constructie.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het enkel aantreffen van twee dactyloscopische sporen op de onderzijde van een fles en op de rugzijde van de tape, bij gebrek aan steunbewijs, onvoldoende is om vast te stellen dat verdachte wetenschap had van een explosieve constructie, laat staan dat verdachte dit explosief mede heeft vervaardigd, vervoerd of geplaatst. De plekken waarop de sporen zijn aangetroffen zijn niet uitzonderlijk of specifiek belastend en het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt om vast te stellen wanneer de sporen zijn ontstaan. Het gaat bovendien om verplaatsbare gebruiksvoorwerpen die in vrijwel elk huishouden aanwezig zijn en er zijn dan ook meerdere scenario’s denkbaar voor het ontstaan van deze sporen.
De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de inhoud van de flessen, waarin vermoedelijk wasbenzine zat, niet is onderzocht, zodat verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Uit het dossier blijkt dat er twee vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen op de geïmproviseerde explosieve constructie die bij de kapperszaak is neergelegd. Het was al de tweede keer dat de kapperszaak vermoedelijk doelwit was van een aanslag en het betreft dan ook een zeer naar en ontwrichtend feit met grote gevolgen voor de direct betrokkenen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte als (mede)pleger betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten.
Het bewijs tegen de verdachte wordt uitsluitend gevormd door het aantreffen van twee dactyloscopische sporen op het explosief. Eén vingerafdruk is gevonden op de onderzijde van één van de flessen waarin - volgens de politie - wasbenzine zat en de andere vingerafdruk is gevonden op de buitenkant van de tape waarmee de cobra’s aan de flessen waren vastgeplakt. De rechtbank kan slechts vaststellen dat verdachte op enig moment één van de flessen en de buitenkant van de tape heeft aangeraakt. Ander bewijs tegen verdachte is er niet. Zo is er geen bewijs dat verdachte één van de twee personen is die te zien is op de camerabeelden en kan evenmin worden vastgesteld of hij enige rol voor, tijdens of na de plaatsing van het explosief heeft gehad op grond waarvan hij als medepleger kan worden aangemerkt. Meer dan een vermoeden dat verdachte betrokken is geweest bij het medeplegen van het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing kan aan het dossier dan ook niet worden ontleend. Dat betekent dat verdachte van beide feiten zal worden vrijgesproken.

5.Beslag

Tijdens het onderzoek in onderliggende zaak zijn (onder verdachte) de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- verdovende middelen (6612200);
- verdovende middelen (6612218);
- verdovende middelen (6612219);
- verdovende middelen (6612221);
- verdovende middelen (6612230);
- 3 flessen (
wasbenzine) (6547653);
- kassabon (6547650);
- aansteker (6547649);
- tas (6547651);
- 3 cobra’s (6552180).
5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen cobra’s en de flessen worden verbeurdverklaard. De inbeslaggenomen kassabon, aansteker en tas dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De officier van justitie heeft ten aanzien van verdovende middelen aangegeven dat verdachte daar afstand van heeft gedaan, en is van oordeel dat hierover geen beslissing meer hoeft te worden genomen.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdovende middelen kunnen worden verbeurdverklaard, nu verdachte hier afstand van doet. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen goederen heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen cobra’s en flessen als één geheel moeten worden beschouwd, nu hiermee een geïmproviseerde explosieve constructie is gemaakt. De rechtbank zal de inbeslaggenomen cobra’s en flessen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte werd verdacht, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en onder deze omstandigheden van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
De rechtbank zal ook de inbeslaggenomen verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, omdat deze zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte werd verdacht, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De rechtbank zal de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende van de kassabon, de aansteker en de tas.

6.De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Nu verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, zal de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde onder feit 1 en 2 niet bewezen en
spreekt verdachte
daarvan vrij.
Beslag
Verklaart
onttrokkenaan het verkeer:
- verdovende middelen (6612200);
- verdovende middelen (6612218);
- verdovende middelen (6612219);
- verdovende middelen (6612221);
- verdovende middelen (6612230);
- 3 flessen (
wasbenzine) (6547653);
- 3 cobra’s (6552180).
Gelast de
bewaringten behoeve van de rechthebbende van:
- kassabon (6547650);
- aansteker (6547649);
- tas (6547651).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij]
niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte
ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas-van Es en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2026.
[...]