ECLI:NL:RBAMS:2026:549

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
13/254848-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging van de ISD-maatregel aan een verdachte van winkeldiefstal met een strafblad

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 28 september 2025 in Amsterdam een winkeldiefstal heeft gepleegd. De verdachte, geboren in 1963 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, heeft tijdens de zitting op 9 januari 2026 bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van cosmeticaproducten die toebehoorden aan een benadeelde partij. De officier van justitie, mr. M.L. Firet, heeft gevorderd dat de verdachte de ISD-maatregel opgelegd krijgt voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest. De verdediging, vertegenwoordigd door mr. A.G. Schol, pleitte voor een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, maar de rechtbank oordeelde dat de ISD-maatregel noodzakelijk was gezien de recidivekans en de ernst van het feit. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar meerdere keren voor winkeldiefstal is veroordeeld en dat hij niet heeft meegewerkt aan hulpverlening. De rechtbank heeft de ISD-maatregel opgelegd om de veiligheid van de maatschappij te waarborgen en om de verdachte de kans te geven zijn problematiek aan te pakken. De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/254848-25
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in: [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.G. Schol, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij zich op 28 september 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan diefstal bij [benadeelde partij] .
Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als: poging tot diefstal.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte het primair ten laste gelegde heeft bekend, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
1. de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van
9 januari 2026;
2. een proces-verbaal van aangifte met nummer 250928-2451-662 van
28 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambenaar 1] en [opsporingsambenaar 2] , werkzaam bij de politie Eenheid Amsterdam, inclusief bijlage, doorgenummerde pag. 5 tot en met 8;

5.Het bewijs

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 28 september 2025 te Amsterdam, cosmeticaproducten die aan [benadeelde partij] . toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om bij een veroordeling te volstaan met oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden worden verbonden. Zolang er geen duidelijk beeld bestaat van de onderliggende problematiek van verdachte, kan niet worden vastgesteld dat de ISD-maatregel bijdraagt aan het door de wetgever beoogde doel. Ook zijn minder ingrijpende alternatieven voor de ISD-maatregel niet aantoonbaar uitgeput.
Subsidiair is door de raadsvrouw verzocht om bij een bewezenverklaring de ISD-maatregel voorwaardelijk aan verdachte op te leggen.
Indien de rechtbank wel overgaat tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, is door de raadsvrouw verzocht om deze te beperken tot de duur van één jaar.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit waarbij vaak financiële schade voor de winkelier ontstaat. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor de belangen van het bedrijf waar hij de goederen heeft gestolen.
Persoon van de verdachte
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 januari 2026 2026 volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen voor winkeldiefstal tot een gevangenisstraf is veroordeeld.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 10 december 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 1] , reclasseringswerker en [unitmanager] , unitmanager. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte is al jaren dakloos en ontvangt een daklozenuitkering. Verdachte heeft aan de reclassering aangegeven in behandeling te zijn voor psychische klachten en middelengebruik. Uit een Pro Justitia rapportage van 2008 blijkt dat verdachte werd gediagnosticeerd met schizofrenie. Deze diagnostiek is verouderd en het is volgens de reclassering wenselijk dat er nieuw diagnostisch onderzoek bij verdachte plaatsvindt. Aan verdachte is éénmaal reclasseringstoezicht opgelegd. Aan de uitvoering van dit reclasseringstoezicht heeft verdachte niet meegewerkt. Ook heeft verdachte tot dusver geen medewerking verleend aan het opstellen van reclasseringsadviezen, zo ook niet ten aanzien van het onderhavige rapport, waarbij verdachte het gesprek met de reclasseringswerker na twee minuten afbrak. Verdachte heeft eerder begeleid gewoond bij HVO Querido, maar hield de begeleiding af.
De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, gelet op de justitiële documentatie van verdachte, de instabiliteit op de leefgebieden en de niet ontvankelijke houding ten opzichte van hulpverlening of reclasseringsinterventies. Ook het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt door de reclassering ingeschat als hoog.
Gelet op het ontbreken van de ontvankelijkheid voor hulpverlening en de hoge kans op onttrekking ziet de reclassering geen mogelijkheden voor reclasseringsinterventies in het kader van een voorwaardelijke straf. De reclassering acht het noodzakelijk dat er diagnostiek bij verdachte plaatsvindt, zodat op grond daarvan een passende behandeling opgestart kan worden. Ook acht de reclassering een klinische behandeling tijdens de extramurale fase van de ISD-maatregel uitermate geschikt en noodzakelijk.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 2] , collega van reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 1] , als deskundige gehoord. Hij heeft gepersisteerd bij voornoemd advies en in aanvulling daarop aangegeven dat verdachte meerdere gesprekken, die de reclassering heeft geprobeerd te voeren met verdachte sinds 2024, heeft afgebroken. Ook het FACT-team is voor verdachte ingeschakeld, maar zonder resultaat.
Motivering van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2026 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Verdachte is recent meermalen veroordeeld voor vermogensdelicten, zo blijkt uit zijn omvangrijke strafblad. De gevangenisstraffen die hierbij zijn opgelegd, hebben niet geleid tot gedragsverandering bij verdachte. Ook weigert verdachte, ondanks de vele pogingen van de reclassering om contact met verdachte te leggen, consequent om zijn medewerking te verlenen aan hulpverlening. De rechtbank acht het gelet hierop dan ook niet kansrijk dat verdachte zich aan de voorwaarden zal houden bij oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden en evenmin dat verdachte zich zal houden aan voorwaarden bij een voorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de harde en zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank vindt oplegging van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk om de door de wetgever beoogde doelen van de ISD-maatregel te realiseren: het doorbreken van het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte en het beveiligen van de maatschappij.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatigedaders voor de duur van
2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. D. Bode en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2026.
[...]