Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5527

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
13-060670-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor handel in gestolen voertuigen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Aachen, Duitsland, gericht op de overlevering van een Nederlandse verdachte geboren in 1995. Het EAB betreft strafbare feiten waaronder handel in gestolen voertuigen, die in Duitsland zijn gepleegd en waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar staat.

De verdachte heeft geen beroep gedaan op de terugkeergarantie van artikel 6 van Pro de Overleveringswet (OLW). De rechtbank heeft onderzocht of de facultatieve weigeringsgronden van artikel 13 OLW Pro van toepassing zijn. De officier van justitie stelde dat de feiten voornamelijk in Duitsland zijn gepleegd, het onderzoek daar plaatsvindt en Nederland geen vervolging kan instellen, waardoor weigering niet aan de orde is.

De rechtbank concludeerde dat de feiten geacht worden in Duitsland, Nederland en België te zijn gepleegd, maar dat dit onvoldoende aanleiding geeft om overlevering te weigeren. De weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, onder b, OLW is niet van toepassing omdat de feiten in de uitvaardigende lidstaat zijn gepleegd.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe wegens handel in gestolen voertuigen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-060670-26
Datum uitspraak: 27 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 februari 2026 door het
Amtsgericht Aachen,Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Rus, advocaat te Maastricht, waarnemend voor mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van het
Amtsgericht Aachen[Kantongerecht Aken] van 19 februari 2026, dossiernummer Kantongerecht Aken 522E Gs 51/26.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
handel in gestolen voertuigen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten achterwege moet blijven.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel van de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW Pro. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden in Duitsland, Nederland en België te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
Standpunt van de raadsvrouw
Desgevraagd heeft de raadsvrouw geen beroep gedaan op deze weigeringsgrond, gelet op de haar bekende jurisprudentie van deze rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgronden van artikel 13, sub a en sub b, OLW van toepassing zijn en heeft verzocht om van toepassing van deze weigeringsgronden af te zien. Ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 13, sub a, OLW heeft de officier van justitie aangevoerd dat het onderzoek is aangevangen in Duitsland, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de medeverdachten daar worden vervolgd, en de auto’s in Duitsland zijn gestolen, gestald en van daaruit vervoerd. Ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 13, sub b, OLW heeft de officier van justitie opgemerkt dat hij denkt dat Nederland in dit geval geen vervolging kan instellen.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van artikel 13, eerste lid, sub a, OLW
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; [5]
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele
internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
- de locatie van de slachtoffers;
- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
- en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in
voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. [6]
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.
Ten aanzien van artikel 13, eerste lid, sub b, OLW
Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, OLW kan de rechtbank de overlevering weigeren, indien het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geheel buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat zijn gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien de feiten buiten Nederland zouden zijn gepleegd. Bij de feiten in het EAB gaat het om handel in gestolen voertuigen met onder meer de pleegplaatsen Titz, Vettweiß, Linnich en Frankfurt-Oost in Duitsland, zodat de weigeringsgrond van artikel 13, onder b, OLW niet van toepassing is omdat de feiten in de uitvaardigende lidstaat zouden zijn gepleegd.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 225 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Aachen,Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
6.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (