Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[verweerder] ,
2.
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
1.De procedure
- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 23 december 2025, met producties;
- de tussenbeschikking van 19 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling van het verzoek is gelast;
- het verweerschrift met een productie, ingekomen ter griffie op 7 april 2026;
2.De feiten
bromscooter reed paralel op de fietspad wat verboden is. Draaide zonder te kijken de autoweg op en botste tegen mijn rechter kant van mijn auto en belande op de grond.”
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
De brommer stond vooraan opgelijnd op de rijweg. Daarachter stond de auto en daarachter stond ik” en “
Toen het stoplicht groen werd begon iedereen langzaam te rijden. De scooter reed ook al, die stond niet meer stil. De automobilist reed toen tegen de scooter aan. (…) De auto reed harder dan de scooter. Ik zag het gebeuren van achter en ik vond het raar dat het zo ging.”
De scooter reed een klein beetje aan de rechterkant van de rijbaan. Ik denk dat hij dit deed zodat de auto erlangs kon gaan. Het volgende moment zag ik de scooter op de grond liggen.”Dit stemt overeen met de verklaring van [verzoeker] , hij heeft verklaard dat: “
Ik zag in mijn spiegel dat de auto steeds dichterbij kwam en ik vermoedde dat hij mij ging raken. Ik ben toen een beetje uit gaan wijken naar rechts, zodat hij mij kon inhalen. Vervolgens vloog ik de lucht in en lag ik op de grond.”Voor de rechtbank is er geen reden om aan de juistheid van de verklaringen van [persoon 4] en [persoon 3] , destijds taxichauffeur respectievelijk beroepschauffeur van beroep, te twijfelen dan wel om aan hun verklaringen minder waarde te hechten.
Ik weet het niet meer zo goed, het gebeurde binnen een fractie van een seconde.” hetgeen haar verklaring minder overtuigend maakt. [persoon 1] heeft een andere locatie aangewezen als waar de aanrijding volgens [verzoeker] en [verweerder] heeft plaatsgevonden, namelijk ter hoogte van de witte vierkanten op de weg en dus (vlak) voor de ingang van het Westergasterrein (zie afbeelding onder 2.1). [verzoeker] en [verweerder] hebben daarentegen tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de aanrijding voorbij de eerste ingang van het Westergasterrein en dus verder (naar schatting (meer dan) 100 meter) plaatsvond. De rechtbank acht om die redenen de verklaring van [persoon 1] niet overtuigend. Aan de verklaring van [verweerder] hecht de rechtbank, gelet op zijn hoedanigheid als betrokken partij bij de aanrijding en zijn eventuele belang bij de uitkomst van deze procedure, minder gewicht toe.
De auto is aan de rechterkant aan de voorzijde geraakt.” en de daarbij gemaakte tekening met een pijl naar de rechtervoorzijde van de auto (zie hieronder tekening [persoon 1] ). [verweerder] heeft daarmee als enige verklaard dat hij aan de rechterspiegel schade heeft als gevolg van de aanrijding, terwijl dit met de foto’s onvoldoende wordt onderbouwd.