Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5568

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
12072580 CV EXPL 26-1051
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande factuur en incassokosten wegens schijn van volmachtverlening

Kramer Staaltechniek B.V. vordert betaling van een openstaande factuur van €7.444,71, incassokosten en rente van [gedaagde], eigenaar van een beëindigde eenmanszaak [bedrijf 1]. Kramer stelt dat de overeenkomst rechtsgeldig is gesloten met de eenmanszaak, vertegenwoordigd door [naam], en dat gedaagde gebonden is aan de overeenkomst door schijn van volmachtverlening.

Gedaagde betwist betaling en stelt dat zij nooit opdracht heeft gegeven en dat haar bedrijfsgegevens zijn misbruikt. De kantonrechter oordeelt dat Kramer gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam], mede vanwege eerdere betaalde facturen en het nalaten van gedaagde om de relatie toe te lichten. Dit leidt tot toerekening van de overeenkomst aan de eenmanszaak van gedaagde.

De kantonrechter wijst de vordering toe, inclusief buitengerechtelijke incassokosten van €747,24 en contractuele rente van 12% vanaf 14 juni 2023, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 januari 2026. Gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande factuur, incassokosten, rente en proceskosten wegens schijn van volmachtverlening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12072580 \ CV EXPL 26-1051
Vonnis van 5 juni 2026
in de zaak van
KRAMER STAALTECHNIEK B.V.,
gevestigd te Boesingheliede,
eisende partij,
hierna te noemen: Kramer,
gemachtigde: S.A. Coster (Frontyr B.V.),
tegen
[gedaagde] (H.O.D.N. [bedrijf 1] ),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 januari 2026 met producties,
- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ,
- de aanvulling op het mondelinge antwoord van [gedaagde] ,
- het tussenvonnis van 13 maart 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte aanvullende producties van Kramer,
- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Kramer is een onderneming die zich richt op constructiewerk, metaalwerk, reparaties, onderhoud en beheer en machinebouw (staaltechniek).
2.2.
[gedaagde] is de eigenaar van (de beëindigde) eenmanszaak [bedrijf 1] , gevestigd op de [adres] . Dit is tevens haar woonadres. De eenmanszaak staat geregistreerd onder KvK-nummer [KvK-nummer 1] . In het uittreksel van de Kamer van Koophandel staat het e-mail [emailadres 1] . De eenmanszaak is op 19 september 2022 geregistreerd in het handelsregister en op 11 april 2024 uitgeschreven.
2.3.
Op 3 mei 2023 heeft Kramer een e-mail gestuurd naar het e-mailadres [emailadres 2] . Hierin staat het volgende:
“Goedemorgen [naam ] ,
Bedankt voor de opdracht.
Ligt morgen klaar, ik bel je indien gereed.
Wil je mij je bedrijfsgegevens even mailen, dan kunnen we het staal voor de dakopbouw op de juiste bedrijfsnaam aanbieden.
Alvast bedankt.
(…)”
2.4.
De heer [naam ] (hierna: [naam ] ) heeft diezelfde dag het volgende naar Kramer gemaild:
“(…)
[bedrijf 1]
[adres]
KvKnr. : [KvK-nummer 1]
Btw nr. : [btw nummer]
[emailadres 3]
(…)”
2.5.
Kramer heeft op dezelfde dag een offerte gestuurd naar [emailadres 2] en de offerte op naam gesteld van “ [bedrijf 1] T.a.v. dhr. [naam ] , [adres] ”. De offerte betrof een prijsaanvraag voor twee spantconstructies voor “ [woning 1] , [woning 2] ”. Het offertebedrag betrof € 14.889,41 inclusief btw. Op de offerte zijn de Metaalunievoorwaarden van toepassing. In de offerte staat verder dat 50% van het offertebedrag gefactureerd wordt bij opdracht, en de resterende 50% na levering.
2.6.
Op 8 mei 2023 heeft [naam ] vanaf het e-mailadres [emailadres 2] gereageerd op de offerte van Kramer. [naam ] heeft “Dat is akkoord” teruggemaild.
2.7.
Op 8 mei 2023 heeft Kramer een opdrachtbevestiging gestuurd. De opdrachtbevestiging is geadresseerd aan [bedrijf 1] , t.a.v. de heer [naam ] , gevestigd op de [adres] . Hierin zijn de prijs en voorwaarden herhaald zoals vermeld in de offerte (zie 2.5).
2.8.
Op 12 mei 2023 heeft Kramer een factuur opgemaakt voor een bedrag van € 7.444,71 inclusief btw (50% van de overeengekomen prijs). De factuur is op 17 mei 2023 voldaan vanaf een rekeningnummer van ING eindigend op [nummer] op naam van [bedrijf 1] .
2.9.
Op 30 mei 2023 heeft Kramer een factuur ( [factuurnummer] ) opgemaakt voor een bedrag van € 7.444,71 inclusief btw (de overige 50% van de overeengekomen prijs). Het werk was reeds uitgevoerd. De factuur is niet betaald. De vervaldatum van de factuur betrof 13 juni 2023.
2.10.
Op 18 en 24 juni 2023 heeft Kramer betalingsherinneringen gestuurd naar [emailadres 2] voor de factuur met [factuurnummer] . Dit heeft niet tot betaling geleid.
2.11.
Op 29 juni en 13 augustus 2023 heeft Kramer betalingsherinneringen gestuurd naar [emailadres 3] voor de factuur met [factuurnummer] . Dit heeft niet tot betaling geleid.
2.12.
Kramer heeft eerder al contact gehad en werkzaamheden uitgevoerd op verzoek van [naam ] . Hiervoor zijn op 4 en 12 mei 2023 facturen gestuurd die op naam stonden van [bedrijf 1] , de eenmanszaak van [gedaagde] . Deze facturen zijn betaald vanaf de ING-rekening eindigend op [nummer] op naam van [bedrijf 1] .
2.13.
In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat een andere eenmanszaak geregistreerd genaamd [bedrijf 2] . Het bijbehorende KvK-nummer is [KvK-nummer 2] . [naam ] staat geregistreerd als eigenaar. Deze eenmanszaak heeft diverse bezoekadressen geregistreerd, waaronder de [adres] in de periode van 23 april 2013 tot en met 1 juni 2018.
2.14.
In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat tevens een B.V. geregistreerd genaamd [bedrijf 3] B.V. Het bijbehorende KvK-nummer is [KvK-nummer 3] . Deze B.V. is ingeschreven in het handelsregister op 30 mei 2017 en ontbonden op 14 januari 2025 naar aanleiding van een faillissement. De bestuurder van de B.V. was [bedrijf 4] B.V. De bestuurder van [bedrijf 4] B.V. is [naam ] . Zowel het bouwbedrijf als de holding waren/zijn gevestigd op een adres in [plaats] . [bedrijf 4] B.V. was eerder geregistreerd op de [adres] , van 26 mei 2017 tot en met 15 februari 2023.

3.Het geschil

3.1.
Kramer vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
€ 7.444,71 inclusief btw zijnde het openstaande bedrag van de factuur met [factuurnummer] ,
€ 747,24 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten,
€ 2.535,61 aan wettelijke rente van 14 juni 2023 tot en met 8 januari 2026, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 tot aan het moment van algehele voldoening,
de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Kramer, met veroordeling van Kramer in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[gedaagde] moet de factuur betalen
4.1.
Kramer heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij een overeenkomst heeft met (de voormalige eenmanszaak van) [gedaagde] , uit hoofde waarvan zij haar betalingsverplichtingen moet nakomen. [gedaagde] heeft betwist dat zij de factuur moet betalen. Volgens haar heeft [naam ] haar bedrijfsgegevens misbruikt en heeft zij zelf nooit opdracht gegeven tot het leveren van de goederen en het verrichten van de werkzaamheden waar de factuur op ziet. Kramer heeft daartegen aangevoerd dat [gedaagde] de schijn van volmachtverlening heeft gewekt waardoor Kramer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [naam ] haar mocht vertegenwoordigen, en dat [gedaagde] dus gebonden is aan de overeenkomst die [naam ] namens haar (voormalige eenmanszaak) is aangegaan.
4.2.
De beantwoording van de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam en dus als contractspartij heeft opgetreden of als vertegenwoordiger van een ander, waarbij die ander dus als contractspartij moet worden aangemerkt, hangt af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (zie HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter); HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, rov. 3.4.3).
4.3.
Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan. Dat staat in artikel 3:61 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.4.
Voor toerekening van schijn van volmachtverlening kan ook plaats zijn wanneer de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die de vertegenwoordigde betreffen en voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Van zodanige feiten en omstandigheden kan ook sprake zijn in geval van een niet-doen, waaronder het laten voortbestaan van een bepaalde situatie (zie HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1456).
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [bedrijf 1] , de eenmanszaak van [gedaagde] , de contractspartij van Kramer is. Dat komt doordat Kramer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit het geval was. Dit heeft zij begrijpelijkerwijs afgeleid uit het gegeven dat zij ook eerdere overeenkomsten met [bedrijf 1] heeft gesloten waarbij [bedrijf 1] ook werd vertegenwoordigd door [naam ] . De facturen van die eerdere overeenkomsten zijn vervolgens ook daadwerkelijk betaald vanaf het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] . Ook de eerste factuur behorend bij deze overeenkomst is vanaf het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] verricht. Hierbij komt nog dat [gedaagde] heeft nagelaten om toe te lichten wat de relatie is tussen haar en [naam ] . Uit het dossier blijkt dat er meerdere bedrijven van [naam ] gevestigd zijn (geweest) op haar woonadres en uit het in het handelsregister geregistreerde e-mailadres van [gedaagde] ( [emailadres 1] ) blijkt ook dat [naam ] voor [gedaagde] waarschijnlijk geen vreemde is gelet op het gebruik van zijn achternaam. Tegen deze achtergrond kan [gedaagde] zich er niet met succes op beroepen dat [naam ] de opdracht verstrekt heeft en zonder haar toestemming gebruik heeft gemaakt van haar (voormalige) bedrijfsgegevens. De kantonrechter is van oordeel dat een en ander voor risico van [gedaagde] komt en dat Kramer redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat [naam ] bij het sluiten van de overeenkomst bevoegd was om deze rechtshandeling namens de (voormalige) eenmanszaak van [gedaagde] te verrichten (artikel 3:61 lid 2 BW Pro). Deze schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft [gedaagde] niet weggenomen nadien, bijvoorbeeld door te reageren op aanmaningen die naar haar woonadres en het e-mailadres van haar eenmanszaak zijn gestuurd.
4.6.
Ten overvloede vermeldt de kantonrechter dat [gedaagde] de dag na de mondelinge behandeling, waar zij niet verschenen is, per e-mail heeft laten weten dat zij ziek was en dat zij alsnog de mogelijkheid wil krijgen om vragen te beantwoorden. Dat is echter te laat. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de zitting geen contact opgenomen en de kantonrechter had ook geen actueel e-mailadres of telefoonnummer van haar. Op het moment dat zij contact opnam, was de zaak al naar de rol verwezen voor vonnis. Dit alles komt voor haar eigen rekening en risico.
4.7.
Dit leidt ertoe dat [gedaagde] de factuur van Kramer moet betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
Kramer vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van de Metaalunievoorwaarden. Kramer heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Kramer heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 747,24 worden toegewezen.
Rente
4.9.
Ook de gevorderde contractuele rente (op grond van de Metaalunievoorwaarden) van 12% per jaar van 14 juni 2023 tot en met 8 januari 2026 wordt als onweersproken toegewezen. Dat betreft een bedrag van € 2.535,61.
4.10.
Kramer heeft ook wettelijke rente over de reeds berekende contractuele rente gevorderd, te berekenen vanaf 9 januari 2026. Ook deze wordt toegewezen, enkel voor zover deze rente langer dan een jaar verschuldigd is, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Kramer worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
126,38
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.693,38

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Kramer te betalen een bedrag van € 7.444,71,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Kramer te betalen een bedrag van € 747,24 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Kramer te betalen een bedrag van € 2.535,61 aan contractuele rente, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 voor zover de contractuele rente langer dan een jaar verschuldigd is, tot aan de dag der algehele voldoening,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.693,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.