Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5581

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/13/784162 / KG ZA 26-145
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 1 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering tot vrijgave escrowbedrag na geschil over garanties en vrijwaringen in SPA

Eisers vorderen in kort geding de vrijgave van een bedrag dat in escrow is geplaatst als zekerheid voor vrijwaringen en garanties in een Share Purchase Agreement (SPA) tussen eisers en Netafim. Het geschil betreft aanspraken van Netafim op grond van vrijwaringsbepalingen vanwege claims van derden, waaronder een Labour Claim en een Distributie Claim.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Labour Claim, die door een Mexicaanse rechter deels is toegewezen, het langer vasthouden van een deel van het escrowbedrag rechtvaardigt. De Distributie Claim is echter onvoldoende onderbouwd en de arbitrageprocedure is ingetrokken, waardoor deze claim geen reden vormt om het escrowbedrag langer te blokkeren.

Daarom wordt Netafim veroordeeld om binnen twee werkdagen een bedrag van € 973.191 vrij te geven en de Escrow Agent te instrueren tot betaling aan eisers. De vordering tot vrijgave van het subsidiaire bedrag van € 417.825 wordt niet inhoudelijk beoordeeld. De kosten van de procedure worden gecompenseerd en verstek wordt verleend tegen de Escrow Agent die niet is verschenen.

Uitkomst: Netafim wordt veroordeeld tot vrijgave van € 973.191 uit escrow, met verstek tegen de Escrow Agent en compensatie van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/784162 / KG ZA 26-145 LV/MV
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van

1.KGP HOLLAND B.V.,

te Wateringen,
2.
[eiser 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
3.
[eiser 3] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
4.
[eiser 4],
te [woonplaats 1] (Polen),
5.
[eiser 5],
te [woonplaats 2] (Polen),
eisende partijen bij dagvaarding van 3 maart 2026,
advocaten: mr. M.E. Gaaf en mr G.K. Stenfert,
tegen

1.de vennootschap naar Israëlisch rechtNETAFIM LTD.,

te Tel Aviv-Jaffa (Israël),
hierna te noemen: Netafim,
advocaten: mr. A.D. Josephus Jitta, mr. J.J. van Schooten en mr. N.S.O. Meuwissen,
2.
CSC ESCROW AND SETTLEMENTS (NETHERLANDS) B.V.,
te Amsterdam,
hierna ook te noemen: de Escrow Agent,
niet verschenen,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding, die is verplaatst van 8 april 2026 naar 19 mei 2026, hebben eisers de dagvaarding alsmede de aktes vermindering en vermeerdering van eis toegelicht. Netafim heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van eisers: [naam 1] en [naam 2] met mr. Gaaf en mr. Stenfert;
aan de zijde van Netafim: [naam 3] en [naam 4] (beide bijgestaan door M. Iest, tolk Nederlands/Engels) met mr. Josephus Jitta, mr. Van Schooten en mr. Meuwissen.
1.3. [naam 5] , de vader van [eiser 4] en [eiser 5] , heeft aan de mondelinge behandeling deelgenomen via een digitale verbinding.
1.4.
Na verder debat is vonnis bepaald op 2 juni 2026. Nadien zijn partijen ervan in kennis gesteld dat op uiterlijk 9 juni 2026 vonnis wordt gewezen. Uiteindelijk is vonnis gewezen op 4 juni 2026.
1.5.
De Escrow Agent is bij exploot opgeroepen te verschijnen op de mondelinge behandeling van dit kort geding die aanvankelijk was bepaald op 8 april 2026. Zij is toen niet verschenen. Na overleg tussen eisers en Netafim is de mondelinge behandeling verplaatst naar 19 mei 2026. De Escrow Agent is ook toen niet verschenen. Omdat zowel eisers als Netafim hebben verklaard dat de Escrow Agent op de hoogte was van de verplaatsing naar 19 mei 2026 (omdat zij in de correspondentie tussen eisers en Netafim steeds in de CC stond) wordt verstek tegen haar verleend.

2.De feiten

2.1.
Eiseressen 1, 2 en 3 hielden alle aandelen in Gakon Holding B.V. Eisers 4 en 5 ( [eiser 4] en [eiser 5] ) hielden alle aandelen in de Poolse vennootschap Gakon sp. z.o.o.
Gakon Holding B.V. en Gakon sp. z.o.o. worden hierna samen Gakon genoemd.
2.2.
In 2020 zijn eisers in onderhandeling getreden met Netafim over verkoop van de aandelen in Gakon. Op 16 september 2020 hebben partijen een
term sheetondertekend en in de periode van 4 oktober 2020 tot en met 26 februari 2021 heeft Netafim een
due diligence-onderzoek verricht, waarvoor zij toegang had tot een door eisers ingerichte
data room.
2.3.
Op 5 maart 2021 hebben partijen een
share purchase agreement(SPA) getekend op grond waarvan op 1 april 2021 (
closing) alle aandelen in Gakon zijn overgedragen aan Netafim. De koopprijs voor de aandelen bedroeg € 11.800.000. Een deel van dit bedrag
(€ 2.503.474) is in escrow geplaatst bij de Escrow Agent, tot zekerheid van in de SPA opgenomen vrijwaringen en garanties. Hiertoe is op 7 mei 2021 een escrow overeenkomst gesloten tussen eisers, Netafim en de Escrow Agent.
2.4.
In april 2022 hebben eisers conform het in de SPA en in de escrow overeenkomst overeengekomen betaalschema een betaling uit de escrow ontvangen van € 625.000.
2.5.
Bij brief van 10 november 2022 heeft Netafim eisers bericht dat zij een aanspraak heeft op grond van een in de SPA opgenomen vrijwaringsbepaling en op grond van diverse in de SPA gegeven garanties. Verder staat in die brief dat indien eisers niet vóór 3 april 2023 hun aansprakelijkheid erkennen, Netafim uitbetaling van het bedrag dat nog in escrow staat zal blokkeren. Na de brief van 10 november 2022 hebben partijen verder met elkaar gecorrespondeerd over de aanspraken van Netafim onder de SPA.
2.6.
Netafim heeft op 13 februari 2023, 7 maart 2024 en 17 maart 2025 aan de Escrow Agent drie zogenoemde
Objection Noticesgestuurd waarmee zij de uitbetaling aan eisers van respectievelijk € 1.055.366, € 196.371 en € 221.454 (in totaal € 1.473.191) tegenhoudt.
2.7.
Conform het in de SPA en in de escrow overeenkomst overeengekomen betaalschema diende aan eisers op 1 april 2026 het bedrag van € 417.824 te worden uitgekeerd. Op die dag heeft de Escrow Agent € 405.282,61 aan eisers uitgekeerd.
2.8.
In reactie hierop heeft Netafim de Escrow Agent bij brief van 7 april 2026 – kort gezegd – bericht dat de Escrow Agent in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door op 1 april 2026 tot uitbetaling over te gaan, omdat zij wist van het dispuut tussen partijen en van dit kort geding.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen na vermindering en vermeerdering van eis bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
ten aanzien van Netafimprimair(i) Netafim te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, de Escrow Agent schriftelijk te instrueren tot onmiddellijke vrijgave en betaling aan eisers van
€ 1.473.191, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf de respectievelijke datum van opeisbaarheid (1 april 2023, 1 april 2024 en 1 april 2025) tot aan de dag van algehele voldoening, en Netafim te veroordelen alle overige medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is om deze vrijgave te effectueren, waaronder begrepen doch niet beperkt tot het intrekken van de door haar verzonden Objection Notices voor zover deze betrekking hebben op dit bedrag;
(ii) te bepalen dat, indien Netafim niet binnen de onder (i) bedoelde termijn aan de daar genoemde veroordeling voldoet, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats treedt van de door Netafim aan de Escrow Agent te geven instructie tot vrijgave en betaling aan eisers van voornoemd bedrag, en dat de Escrow Agent alsdan gerechtigd en gehouden is tot uitbetaling aan eisers over te gaan overeenkomstig dit vonnis;
subsidiair:
(iii) Netafim te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, de Escrow Agent schriftelijk te instrueren tot onmiddellijke vrijgave en betaling aan Verkopers van het onterecht geblokkeerde bedrag van € 417.825, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf 1 april 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, en Netafim te veroordelen alle overige medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is om deze vrijgave te effectueren, waaronder begrepen doch niet beperkt tot het intrekken van de door haar verzonden Objection Notices voor zover deze betrekking hebben op dit bedrag;
(iv) te bepalen dat, indien Netafim niet binnen de onder (iii) bedoelde termijn aan de daar genoemde veroordeling voldoet, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats treedt van de door Netafim aan de Escrow Agent te geven instructie tot vrijgave en betaling aan eisers van voornoemd bedrag, en dat de Escrow Agent alsdan gerechtigd en gehouden is tot uitbetaling aan Verkopers over te gaan overeenkomstig dit vonnis;
zowel primair als subsidiair:
(v) Netafim te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Netafim in gebreke blijft te voldoen aan het onder (i) en/of (iii) bepaalde, met een maximum van € 1.000.000;
(vi) Netafim te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening.
ten aanzien van de Escrow Agent:(vii) de Escrow Agent te veroordelen om over te gaan tot vrijgave en betaling aan
eisers van het bedrag waartoe Netafim bij dit vonnis is veroordeeld en medewerking te verlenen, zodra (a) Netafim de onder (i) respectievelijk (iii) bedoelde schriftelijke instructie aan haar heeft verstrekt; dan wel (b) de onder (ii) respectievelijk (iv) bedoelde termijn ongebruikt is verstreken en dit vonnis aan de Escrow Agent is betekend, een en ander overeenkomstig de bepalingen van de Escrow Overeenkomst en met inachtneming van de in dit vonnis bepaalde rentevergoeding.
Grondslag van de vordering
3.2.
Eisers leggen aan hun vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Het bedrag in escrow wordt ten onrechte geblokkeerd omdat er geen sprake is van schending van garanties door eisers. Tijdens het
due diligence-onderzoek heeft Netafim aandacht besteed aan de verhouding tussen Gakon en [naam 6] ( [naam 6] ). Gakon en [naam 6] (die in Mexico woont) hebben vanaf 1 juni 2018 uitvoering gegeven aan een zogenoemde
labour assignment agreementvan 31 mei 2018. Op basis hiervan trad [naam 6] op als
[functie]in Mexico en Latijns-Amerika waar hij verantwoordelijk was voor het aan de man brengen van Gakon-producten. De activiteiten van [naam 6] werden uitgevoerd via de door hem opgerichte vennootschap [bedrijf] . Via [bedrijf] declareerde [naam 6] zijn
feevan € 7.905 per maand. In maart 2019 zijn Gakon en [naam 6] overeengekomen dat hij een extra vergoeding zou krijgen in de vorm van een percentage van de omzet die werd gehaald in Mexico. Om duidelijkheid te verschaffen over deze (niet in een overeenkomst vastgelegde) afspraak hebben eisers een memorandum opgesteld en dit gedeeld met Netafim in het kader van het
due diligence-onderzoek. Naar aanleiding hiervan zag Netafim een risico dat de afspraken tussen Gakon en [naam 6] mogelijk zouden kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Om dit risico te ondervangen hebben partijen afgesproken dat een nieuwe overeenkomst met [naam 6] zou worden gesloten waarin de bestaande afspraken zouden worden opgenomen en waarmee de voorgaande overeenkomsten tussen Gakon en [naam 6] zouden vervallen. Deze afspraak is als een
completion deliverablevastgelegd in artikel 7.2 sub f (xi) van de SPA. De afspraak kwam erop neer dat partijen gezamenlijk zouden streven naar de totstandkoming van een nieuwe
engagement agreementmet [naam 6] vóór
closing.Indien dit niet haalbaar zou zijn, zou dit de
closingniet tegenhouden en zouden eisers Netafim vrijwaren voor iedere aansprakelijkheid die daaruit zou voortvloeien. Dit is opgenomen in artikel 12.1 (j) van de SPA. Vervolgens hebben Gakon en [naam 6] op 19 maart 2021 (en dus vóór
closing) een
engagement agreement(door partijen aangeduid als
Confirmation Letter) getekend. In de
Confirmation Letter, die is overeengekomen voor de duur van één jaar en daarna kon worden verlengd, is uitdrukkelijk bepaald dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De
Confirmation Letteris aan Netafim verstrekt en Netafim heeft de
Confirmation Letterblijkens de
completion agenda
in agreed form” aanvaard. Daarmee was aan de
completion deliverablevoldaan.
3.3.
Desondanks heeft Netafim bij brief van 10 november 2022 (zie 2.5) bericht dat zij aanspraken meent te hebben onder de SPA, aldus eisers. Die aanspraken zijn specifiek gebaseerd op de vrijwaringsbepaling in artikel 12.1 (j) én op diverse in de SPA opgenomen garanties. Aanleiding hiervoor is dat [naam 6] , [bedrijf] en een werknemer van [bedrijf] claims zouden hebben ingesteld tegen Netafim en enkele van haar groepsmaatschappijen. Kennelijk hebben Netafim en [naam 6] in het eerste jaar na
closingnaar tevredenheid uitvoering gegeven aan de
Confirmation Letter. Bij brief van 23 februari 2022 heeft Netafim echter aan [naam 6] en [bedrijf] bericht dat zij de
Confirmation Letterna afloop van de termijn van één jaar niet wenst te verlengen. Die eenzijdige beëindiging heeft kennelijk geleid tot claims. Eisers zijn niet op de hoogte gesteld van de inhoud en grondslag van die claims. Eisers hebben alleen inzage gekregen in een brief van [naam 6] aan Netafim van 10 maart 2022 waarin hij het standpunt inneemt dat (ondanks de
Confirmation Letter) sprake is van een arbeidsrelatie (hierna de Labour Claim).
3.4.
Daarnaast stelt Netafim in haar brief van 10 november 2022, aldus eisers, dat [bedrijf] een claim heeft ter hoogte van € 3.500.000 in verband met de vermeende beëindiging van een distributieovereenkomst tussen [bedrijf] en Gakon van 16 maart 2018 (hierna de Distributie Claim). De Distributie Claim bestaat uit een schadevergoeding wegens vermeende inkomstenderving en uit een vordering Netafim te verbieden producten in Mexico en Latijns-Amerika te verkopen. Netafim voert ten aanzien de Distributie Claim aan dat eisers ten onrechte de distributieovereenkomst niet hebben verstrekt in het kader van het
due diligence-onderzoek en dat zij Netafim ten onrechte niet zouden hebben ingelicht over het exclusiviteitsbeding dat indertijd is afgesproken. Eisers bestrijden de Labour Claim en de Distributie Claim op hierna te noemen gronden.
3.5.
Eisers voeren aan dat onder meer uit de na de brief van 10 november 2022 tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt dat zowel de Labour Claim als de Distributie Claim onzeker is en totaal niet onderbouwd. Voor zover eisers kunnen overzien is de Labour Claim door de rechter in Mexico afgewezen en is de Distributie Claim nog steeds niet aanhangig gemaakt, dit terwijl het vier jaar geleden is dat Netafim door [naam 6] en [bedrijf] zou zijn aangesproken. Een en ander maakt dat eisers recht hebben op vrijgave van het bedrag dat nog in escrow staat en wel om de volgende redenen:
(1) Netafim stelt dat eisers de distributieovereenkomst niet hebben gedeeld in het
due diligence-onderzoek en dat dit tot schade zou hebben geleid omdat Netafim door het exclusiviteitsbeding in die overeenkomst wordt beperkt in het drijven van haar onderneming in Latijns-Amerkika. Dit zou een schending opleveren van de garanties in de SPA. Eisers betwisten dat zij de distributieovereenkomst hadden moeten delen omdat aan die overeenkomst nooit enig gevolg is gegeven door Gakon en [naam 6] . In plaats daarvan is gevolg gegeven aan de afspraken over de omzetafhankelijke commissie. Bovendien was op verzoek van Netafim een nieuwe overeenkomst tussen Gakon en [naam 6] tot stand gekomen die alle eerdere overeenkomsten verving, te weten de
Confirmation Letter, die ook meer dan een jaar lang door Netafim is nageleefd. Eisers hebben dus wel degelijk alle informatie verstrekt die voor Netafim nodig was om een “
fair view” van de onderneming te krijgen. Bovendien hebben eisers het exclusiviteitsbeding tussen Gakon en [bedrijf] op andere wijze in het
due diligence-onderzoek gedeeld, te weten door opname in de
data roomvan een verklaring van Gakon van 20 augustus 2020 die zij heeft afgegeven ten behoeve van een klant en waarin staat dat [bedrijf] “
as our official and exclusive representative in Mexico” wordt erkend. Hiermee is dit exclusiviteitsbeding “
fairly disclosed”.
(2) Netafim stelt verder dat indien alsnog zou blijken dat er een arbeidsovereenkomst zou bestaan tussen Gakon en [naam 6] , eisers inbreuk hebben gemaakt op de garanties in de SPA. Ook deze stelling faalt. De Labour Claim jegens Gakon (om precies te zijn Kassen-Verwarmings Gakon B.V., hierna KVG) is reeds afgewezen door de Mexicaanse rechter. De twee entiteiten waartegen kennelijk nog een hoger beroep loopt (Netafim Mexico en Orbia) kwalificeren niet als “
Group Company” in de zin van de SPA. Bovendien is in de
Confirmation Letteruitdrukkelijk opgenomen (zie ook hiervoor) dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en hebben eisers alle informatie over deze kwestie “
fairly disclosed”. Ingevolge artikel 9.6 van de SPA komt Netafim dan geen beroep toe op deze garanties.
(3) Netafim kan zich ten aanzien van de door haar beweerde exclusiviteit niet beroepen op de vrijwaring van artikel 12.1 (j) SPA. Uit de bewoordingen van dit artikel blijkt duidelijk dat deze vrijwaring alleen aan de orde is als de
completion deliverableniet voorafgaand aan
closingis vervuld. Die verplichting is nagekomen. Voorts kan de distributieovereenkomst niet worden aangemerkt als een “
exclusivity agreement between [naam 6] and any Group Company” als bedoeld in artikel 12.1 (j) SPA omdat [naam 6] geen partij is bij die overeenkomst, die is gesloten tussen Gakon en [bedrijf] .
(4) Er is geen sprake van aantoonbare schade en Netafim heeft niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Netafim heeft eisers niet (volledig) ingelicht over de Labour Claim en de Distributie Claim, zodat eisers Netafim niet hebben kunnen ondersteunen in de verdediging hiertegen.
(5) Een gedeelte van het geblokkeerde bedrag (te weten het subsidiair gevorderde bedrag van € 417.825) is hoe dan ook onterecht geblokkeerd. In artikel 17.1 van de SPA staat dat het bedrag in escrow enkel gedurende de eerste twee jaar na
closingals zekerheid dient voor inbreuken op de ‘gewone’ garanties en vorderingen onder een vrijwaring. In de periode na de eerste twee jaar tot en met vijf jaar na
closingdient het escrow bedrag enkel nog als zekerheid voor inbreuken op fundamentele garanties en voor een claim onder de fiscale vrijwaringen. Uit het voorgaande blijkt dat Netafim enkel een beroep doet op de ‘gewone’ garanties en op een vrijwaring, niet zijnde een fiscale vrijwaring. Dit betekent dat de Objection Notes van 7 maart 2024 en 17 maart 2025 te laat zijn ingediend.
3.6.
Volgens eisers hebben zij een spoedeisend belang bij toewijzing van hun vorderingen omdat inmiddels vier jaar is verstreken sinds het ontstaan van de (vermeende) claims, zonder dat daarin enige vooruitgang is geboekt. De Labour Claim is afgewezen jegens de enige relevante
Group Companyen de Distributie Claim is weliswaar bij de ICC ingediend maar vervolgens ook weer ingetrokken. De escrow is niet bedoeld om de koopsom onbeperkt vast te houden. Daar komt bij dat Netafim zich thans in een overnameproces bevindt, hetgeen vrijgave van het escrowbedrag in de toekomst kan bemoeilijken.
Verweer Netafim
3.7.
Netafim heeft het volgende verweer gevoerd. Netafim heeft bij brief van 10 november 2022, ruim binnen de termijn van twee jaar en dus op tijd, haar aanspraken onder de SPA kenbaar gemaakt. Netafim licht dit als volgt toe. Op 23 februari 2022 heeft Netafim de
Confirmation Letteropgezegd. [naam 6] was het hier niet mee eens en stelde op 10 maart 2022 dat tussen hem en Netafim een arbeidsovereenkomst bestond. Op 4 mei 2023 heeft [naam 6] bij de Mexicaanse rechter daadwerkelijk een vordering ingesteld omdat hij Gakon vertegenwoordigd zou hebben als werknemer. De Mexicaanse rechter heeft deze vordering jegens twee aan Netafim gelieerde entiteiten toegewezen tot een bedrag van € 263.189,45. De vordering tegen KVG is niet-ontvankelijk verklaard vanwege een betekeningsgebrek, maar hiertegen loopt nog een hoger beroep (dat schorsende werking heeft). Eisers hebben met betrekking tot deze kwestie een vrijwaring afgegeven in de SPA. Netafim heeft een claim onder die vrijwaring (de Labour Claim) indien het oordeel van de Mexicaanse rechter in hoger beroep wordt bevestigd. Daarnaast geldt dat in de Mexicaanse procedure bewijsstukken zijn opgedoken (waarop de rechter ook zijn oordeel heeft gebaseerd) die ten tijde van de transactie niet met Netafim waren gedeeld. Dit levert garantieschendingen op. Verwezen wordt naar de artikelen 14.3 (eisers moeten volledige en juiste informatie geven met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van alle werknemers), 14.4 (de groepsvennootschappen hebben alle verplichtingen jegens werknemers behoorlijk geadministreerd), 14.14 (relaties met een agent kunnen niet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst) en 18.1 (geen informatie die materieel was voor Netafim wordt achtergehouden) van Schedule 7 bij de SPA. Ook de schade die Netafim als gevolg hiervan lijdt, kan zij verhalen op eisers.
3.8.
Ten tweede is gebleken, aldus Netafim, dat tussen Gakon en [bedrijf] een exclusieve distributieovereenkomst bestond voor de duur van tien jaar, dat uit hoofde daarvan commissie zou worden betaald op basis van de omzet en dat opzegging van die overeenkomst aanzienlijke kosten voor Netafim zou meebrengen. De distributieovereenkomst is gesloten op 16 maart 2018 maar Netafim wist pas van het bestaan daarvan toen zij op 5 april 2022 van [bedrijf] een kopie ontving. Vaststaat dat de distributieovereenkomst niet is gedeeld tijdens het
due diligence-onderzoek. Ook op dit punt hebben eisers dus garanties geschonden. Verwezen wordt naar de artikelen 7.3 (geen enkele
group companyis partij bij een overeenkomst die haar vrijheid beperkt om haar onderneming uit te oefenen), 18.1 (geen informatie die materieel was voor Netafim wordt achtergehouden) en 18.2 (de verstrekte informatie moet in alle opzichten compleet, juist en accuraat zijn) van Schedule 7 van de SPA. [bedrijf] heeft met betrekking tot deze kwestie een claim ingediend bij Netafim (de Distributie Claim) ter hoogte van € 3.400.000, te vermeerderen met kosten. Op 6 februari 2024 heeft [bedrijf] hiervoor een ICC-arbitrage aanhangig gemaakt. Nadien is die procedure door het ICC als ingetrokken beschouwd omdat [bedrijf] de kosten van de ICC niet had voldaan. Netafim verwacht echter dat [bedrijf] die procedure opnieuw zal beginnen zodra zij daarvoor de middelen heeft (bijvoorbeeld als de Labour Claim aan [naam 6] is uitgekeerd). Dat de
Confirmation Letterde distributieovereenkomst zou hebben vervangen, zoals eisers menen, is onjuist omdat [bedrijf] geen partij is bij de
Confirmation Letter, laat staan dat de
Confirmation Lettervermeldt dat die de distributieovereenkomst vervangt. Dat eisers de exclusiviteit die is opgenomen in de distributieovereenkomst
fairly disclosedzouden hebben door het delen van een verklaring van 20 augustus 2020 die is opgesteld ten behoeve van een klant en waarin staat dat [bedrijf] feitelijk de enige distributeur is in Mexico, is volgens Netafim eveneens onjuist. Hoe dan ook mocht Netafim erop vertrouwen dat van exclusiviteit in juridische zin geen sprake was.
3.9.
Netafim is van mening dat zij het escrowbedrag rechtsgeldig heeft geblokkeerd. Artikel 17.1 van de SPA bepaalt immers dat het gehele escrowbedrag tot zekerheid dient voor claims met betrekking tot garantieschendingen en de
specific indemnities, mits ingediend binnen twee jaar na
closing, zoals hier is gebeurd. Daar komt bij dat artikel 17.4 van de SPA bevestigt dat ook na twee jaar sprake kan zijn van een blokkering van de escrow vanwege een
outstanding claim.De escrow overeenkomst zelf beperkt de redenen van het blokkeren van delen van de escrow na ommekomst van de termijn van twee jaar niet. Netafim verwijst in dat verband naar artikel 5.2 van die overeenkomst
.Het subsidiaire standpunt van eisers dat zij hoe dan ook recht hebben op vrijgave van € 417.825 is dan ook onjuist, aldus Netafim.
3.10.
Tot slot voert Netafim aan dat eisers geen spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vorderingen. De discussie tussen partijen speelt al vanaf november 2022, in de periode daarna hebben eisers regelmatig stilgezeten, en ook de vrijgave van het bedrag van € 405.282 op 1 april 2026 (zie 2.7) vermindert het spoedeisend belang. Een afweging van belangen moet in het voordeel van Netafim uitvallen omdat haar claims op eisers het bedrag dat nog in escrow staat ruimschoots overstijgen.
3.11.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De (voorzieningenrechter van de) rechtbank Amsterdam is op grond van artikel 20.2 van de SPA en artikel 8.2 van de escrow overeenkomst bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.
4.2.
Eisers vorderen primair vrijgave van het gehele bedrag dat op dit moment nog in escrow staat (€ 1.473.191). Subsidiair vorderen zij vrijgave van het bedrag van € 417.825.
4.3.
De grondslag van de primaire vordering van eisers komt er – kort gezegd – op neer dat de Labour Claim en de Distributie Claim van [naam 6] en/of [bedrijf] jegens Netafim vrijgave van het totale bedrag dat op dit moment nog in escrow staat, niet kunnen blokkeren. In dit kort geding hoeft niet te worden beoordeeld in hoeverre die claims terecht zijn. Wel zal moeten worden beoordeeld of die claims het langer blokkeren van het bedrag dat in escrow staat rechtvaardigen, nu partijen daarvoor geen duidelijke eindtermijn zijn overeengekomen.
4.4.
Ten aanzien van de Labour Claim overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Netafim beroept zich op de vrijwaring opgenomen in artikel 12.1 (j) van de SPA die als volgt luidt:
From Completion, the Sellers shall at all times indemnify and hold harmless the Purchaser or, at the Purchaser's sole discretion, any of the Group Companies, on a euro-for-euro basis for all losses, costs, charges, expenses, damage, liabilities, claims, demands, actions and legal proceedings (including attorney and expert fees and expenses) resulting directly or indirectly from or relating to:(…)(j) if the completion deliverable in respect of clause 7.2(d)(xi) has not been fulfilled, the
liability resulting from a claim that an employment relationship exists between [naam 6]
and any Group Company or ii) in relation to any exclusivity agreement between
[naam 6] and any Group Company,
4.5.
De
completion deliverableals hiervoor bedoeld, lijkt vervuld, door ondertekening van de
Confirmation Letter, en het aanvaarden hiervan “
in agreed form” door Netafim in de
completion agenda.Dit kan erop duiden dat Netafim zich niet op de bedoelde vrijwaring kan beroepen. Daarvoor is echter in ieder geval vereist dat alle informatie over deze kwestie
fairly disclosedis door eisers. Alleen in dat geval kan Netafim zich, aldus artikel 9.6 van de SPA, niet op de garanties beroepen die in Schedule 7 van de SPA zijn opgenomen. Of alle relevante informatie met betrekking tot deze kwestie
fairly disclosedis, kan in dit kort geding, dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten, niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.
Nu door de Mexicaanse rechter in eerste aanleg een aanzienlijk bedrag is toegekend, rechtvaardigt dit het verder aanhouden van het escrowbedrag met betrekking tot de Labour Claim. Volgens eisers is deze vordering in de Mexicaanse procedure weliswaar niet toegewezen jegens relevante
group companies, maar in dit stadium kan niet worden uitgesloten dat dit in hoger beroep anders uitpakt. Netafim heeft immers (onweersproken) aangevoerd dat de vordering tegen KVG is afgewezen vanwege een betekeningsgebrek en dus niet op inhoudelijke gronden.
4.6.
Ten aanzien van de Distributie Claim overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Vaststaat dat de distributieovereenkomst uit 2018 niet met Netafim is gedeeld in het kader van het
due diligence-onderzoek. Het standpunt van Netafim dat dit wel had moeten gebeuren, is verdedigbaar, met name gezien de bepalingen die daarin staan over beëindiging van die overeenkomst. Daar staat tegenover dat het vooralsnog onvoldoende aannemelijk is dat Netafim door het niet delen van de distributieovereenkomst schade lijdt. Eisers hebben gemotiveerd betoogd waarom die overeenkomst irrelevant was (omdat die nooit is nageleefd dan wel is vervangen door andere afspraken en/of door de
Confirmation Letter) en dat de exclusiviteit reeds op andere wijze in het
due diligence-onderzoek was gedeeld (namelijk door middel van het statement van 20 augustus 2020). Bovendien heeft [naam 6] weliswaar in februari 2024 een zaak aanhangig gemaakt bij het ICC, maar het ICC heeft op 9 juli 2024 laten weten dat zij die zaak als ingetrokken beschouwt omdat [naam 6] de daarmee gepaard gaande kosten niet betaalt. Uit niets blijkt dat [naam 6] andermaal een claim gaat indienen. Onder deze omstandigheden rechtvaardigt de Distributie Claim niet het nog langer in stand houden van de escrow.
4.7.
De conclusie tot zover is dat het verder in stand houden van de escrow alleen gerechtvaardigd is ten aanzien van de Labour Claim. Een bedrag van € 500.000 (ongeveer twee keer het door de Mexicaanse rechter in eerste instantie toegewezen bedrag) wordt in dit verband redelijk en proportioneel geacht. Dit betekent dat het meerdere moet worden vrijgegeven aan eisers. Netafim zal dan ook worden veroordeeld de Escrow Agent te instrueren het bedrag van € 973.191 vrij te geven. Eisers hebben hierbij een spoedeisend belang omdat van hen niet kan worden gevergd tot in het oneindige te wachten op de uitkomst van de Distributie Claim.
4.8.
Over het bedrag van € 973.191 zal geen wettelijke (handels)rente worden toegewezen omdat die rente voorshands niet ten laste van het escrowbedrag of ten laste van de Escrow Agent kan worden uitgekeerd. Mogelijk is Netafim wettelijke (handels)rente verschuldigd aan eisers, maar dat zal dan in een bodemprocedure moeten worden uitgezocht. Ook zal aan de veroordeling geen dwangsom worden verbonden. Er zal immers worden bepaald dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats treedt van de door Netafim aan de Escrow Agent te geven instructie, zodat een dwangsom niet nodig is.
4.9.
Voor zover eisers beogen dat, nu het primair gevorderde gedeeltelijk wordt afgewezen, ook het subsidiair gevorderde bedrag van € 417.825 moet worden beoordeeld, geldt het volgende. Het subsidiair gevorderde betreft een zelfstandige vordering gebaseerd op een andere grondslag voor deels hetzelfde bedrag. Eisers leggen aan deze vordering ten grondslag dat Netafim de Objection Notes van 7 maart 2024 en 17 maart 2025 te laat heeft ingediend. Het escrowbedrag dient vanaf twee jaar na
closingenkel als zekerheid en verhaal op inbreuken onder de fiscale garanties en vrijwaringsvorderingen. Netafim bestrijdt dit; zij stelt haar claim tijdig (op 12 november 2022, binnen twee jaar na
closing) te hebben ingediend en dat het volledige bedrag in escrow dient tot zekerheid voor claims onder de garanties, mits de claim tijdig is ingesteld.
4.10.
De voorzieningenrechter constateert dat beide partijen zich beroepen op artikel 17.1 van de SPA en daaraan een andere uitleg geven. Netafim verwijst in dit kader bovendien naar de artikelen 17.4 van de SPA en 5.2 van de escrow overeenkomst. De voorzieningenrechter stelt vast dat voornoemde artikelen deel uitmaken van een complex geheel van bepalingen in de SPA en de escrow overeenkomst en dat de betekenis daarvan niet eenvoudig is vast te stellen. Alhoewel de uitleg die Netafim aan de bepalingen geeft, voor de hand lijkt te liggen, kan voorshands niet worden uitgesloten dat hieraan een andere betekenis moet worden toegekend. Wat partijen bij het aangaan van de SPA hebben beoogd is daarom een vraag die nader onderzoek vergt. Hiervoor is in dit kort geding geen plaats. Eisers hebben bovendien weinig belang bij beoordeling van deze vordering nu hiervoor reeds is geoordeeld dat een veel hoger bedrag dan het subsidiair gevorderde bedrag van € 417.825 moet worden vrijgegeven. Dit betekent dat (de grondslag van) het subsidiair gevorderde in dit vonnis niet zal worden beoordeeld.
4.11.
Vordering (vii), die is ingesteld tegen de Escrow Agent, komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en is toewijsbaar.
4.12.
Omdat eisers en Netafim beide gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verstek tegen de Escrow Agent,
5.2.
veroordeelt Netafim om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de Escrow Agent schriftelijk te instrueren tot onmiddellijke vrijgave en betaling aan eisers van
€ 973.191, en veroordeelt Netafim alle overige medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is om deze vrijgave te effectueren,
5.3.
bepaalt dat, indien Netafim niet binnen de onder 5.2 bedoelde termijn aan de daar genoemde veroordeling voldoet, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats treedt van de door Netafim aan de Escrow Agent te geven instructie tot vrijgave en betaling aan eisers van voornoemd bedrag, en dat de Escrow Agent alsdan gerechtigd en gehouden is tot uitbetaling aan eisers over te gaan overeenkomstig dit vonnis,
5.4.
veroordeelt de Escrow Agent om over te gaan tot vrijgave en betaling aan
eisers van het bedrag waartoe Netafim bij dit vonnis is veroordeeld en veroordeelt de Escrow Agent medewerking te verlenen, zodra (a) Netafim de onder 5.2 bedoelde schriftelijke instructie aan haar heeft verstrekt, dan wel (b) de onder 5.3 bedoelde termijn ongebruikt is verstreken en dit vonnis aan de Escrow Agent is betekend, een en ander overeenkomstig de bepalingen van de escrow overeenkomst,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen eisers en Netafim, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.