De zaak betreft een geschil tussen eiser, actief in vastgoedherstel en indirect bestuurder van een BV, en gedaagde, die leningen verstrekte met een woning als onderpand. Partijen sloten op 21 december 2025 een overeenkomst waarbij gedaagde leningen verstrekte aan eiser en diens bedrijf, met het huis van eiser als zekerheid.
Na beëindiging van de samenwerking in januari 2026 verkocht eiser de woning in april 2026, waarna gedaagde conservatoir beslag legde op de woning. Eiser vorderde opheffing van het beslag, stellende dat de vordering summierlijk ondeugdelijk was omdat de lening aan de BV was verstrekt en niet aan hem persoonlijk.
De rechtbank oordeelde dat de tekst van de overeenkomst onduidelijk is en dat er aanknopingspunten zijn dat ook eiser persoonlijk contractspartij is. De ontbinding van de overeenkomst leidt niet tot onverschuldigdheid van betalingen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat de woning daadwerkelijk in de betwiste week geleverd moet worden. De belangenafweging weegt niet op tegen het belang van gedaagde om verhaal veilig te stellen.
Daarom werd het verzoek tot opheffing van het beslag afgewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten.