ECLI:NL:RBAMS:2026:56

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11708255 \ CV EXPL 25-7285
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op uitbetaling uitgestelde bonus bij indiensttreding concurrent

De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en Optiver over de uitbetaling van een uitgestelde variabele beloning (Deferred Amount) na het einde van het dienstverband. De werknemer vordert betaling van een bedrag van €493.868,30 plus rente, stellende dat het beding in de Deferral Policy dat uitbetaling aan voorwaarden verbindt, een niet-rechtsgeldig concurrentiebeding is. Optiver weigert de uitbetaling omdat de werknemer in dienst is getreden bij Balyasny Asset Management (BAM), dat door Optiver als concurrent wordt aangemerkt.

De kantonrechter stelt vast dat de Deferral Policy onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst en dat het beding in artikel 2.2.10 geen concurrentiebeding is in de zin van artikel 7:653 BW Pro, omdat het niet de bevoegdheid van de werknemer beperkt om elders te werken. De werknemer mocht immers al een jaar niet bij een concurrent werken op grond van een apart concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst.

Verder oordeelt de kantonrechter dat BAM terecht als concurrent is aangemerkt en dat Optiver zich als goed werkgever heeft gedragen door de werknemer te informeren over de gevolgen van indiensttreding bij een concurrent voor de uitbetaling van de bonus. De stelling dat sprake is van een lening wordt verworpen wegens gebrek aan wilsovereenstemming. Ook het beroep op ongelijke behandeling faalt omdat verschillende wetgevingen van toepassing zijn.

De vordering wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente over deze kosten.

Uitkomst: De vordering tot uitbetaling van de uitgestelde bonus wordt afgewezen omdat het beding geen concurrentiebeding is en BAM terecht als concurrent is aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11708255 \ CV EXPL 25-7285
Vonnis van 8 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.P.J.M. Verbeek,
tegen
OPTIVER SERVICES B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Optiver,
gemachtigden: mr. C.M. van Boekel en mr. M.E. Lips.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 31 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2025. [eiser] heeft via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelgenomen. De gemachtigde van [eiser] is op de zitting verschenen. Voor Optiver zijn verschenen [naam 1] ( [naam functie 1] ) en [naam 2] ( [naam functie 2] ), bijgestaan door de gemachtigden en mr. M.L. Top. Partijen hebben, mede aan de hand van pleitnotities, hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Optiver is een beleggingsonderneming die zich bezighoudt met wereldwijde handel in (financiële) instrumenten. Optiver maakt gebruik van geavanceerde technologieën en algoritmes om te anticiperen op koersschommelingen en handelsresultaten te optimaliseren. Optiver heeft vestigingen in diverse landen, met in totaal circa 2.200 werknemers.
2.2.
[eiser] is sinds 23 april 2018 in dienst van Optiver als [naam functie 3] . Het (basis)salaris bedraagt € 5.787,04 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Daarnaast komt [eiser] in aanmerking voor een jaarlijkse variabele beloning. In de arbeidsovereenkomst is onder meer een concurrentiebeding opgenomen.
2.3.
Optiver heeft haar beloningsbeleid uitgewerkt in de Global Remuneration Policy (GRP) en de Optiver Europe Deferral Policy (Deferral Policy). Onderdeel daarvan is het ‘Deferral Program’ voor werknemers met een variabele beloning die in enig jaar hoger is dan € 500.000,- bruto. Op grond van het Deferral Program wordt een deel van de variabele beloning uitgesteld. Daarbij geldt dat van het bedrag boven € 500.000,- bruto aan variabele beloning in enig jaar, 50% wordt uitgesteld (zogenoemde ‘Deferred Amount’) gedurende twee jaar (zogenoemde ‘Deferred Period’). Het bedrag tot aan € 500.000,- wordt direct uitbetaald. In beginsel wordt het Deferred Amount uitbetaald op 15 april van het jaar volgend op het einde van de Deferred Period, mits aan de voorwaarden voor uitbetaling is voldaan. Over het Deferred Amount wordt rente vergoed gebaseerd op de herfinancieringsrente van de Europese Centrale bank. Op het uitbetalingsmoment wordt getoetst of aan de voorwaarden voor uitbetaling is voldaan.
2.4.
In artikel 2.2.10 van de Deferral Policy [1] staat over de variabele beloning het volgende:
“The Deferred Amount will be forfeited if a (former) Employee or Partner starts work at a Competitor (as determined by Optiver Europe in its sole discretion) before payment of any scheduled Deferred Amount.”
2.5.
Met een brief van 16 mei 2022 heeft Optiver aan [eiser] bevestigd dat het Deferral Program op [eiser] van toepassing is. Verder wordt in de brief het voor [eiser] geldende concurrentiebeding bevestigd. Deze brief heeft [eiser] voor akkoord ondertekend.
2.6.
Omdat [eiser] over 2022 en 2023 meer dan € 500.000,- bruto per jaar aan variabele beloning heeft opgebouwd, is het Deferral Program over deze jaren op hem van toepassing is. [eiser] heeft de volgende variabele beloning opgebouwd:
  • over 2022 € 1.956.012,- bruto, waarvan € 1.228.006,- zonder uitstel is betaald. Het resterende bedrag van € 728.006, - is uitgesteld en betaald op 18 maart 2025;
  • over 2023 € 1.487.737,- waarvan € 993.868,30 zonder uitstel is betaald. Het resterende bedrag van € 493.868,30 komt uiterlijk op 15 april 2026 voor betaling in aanmerking, indien [eiser] voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.
2.7.
In maart 2024 heeft [eiser] de arbeidsovereenkomst met Optiver opgezegd. Optiver heeft de opzegging in een brief van 26 april 2024 aan [eiser] bevestigd.
2.8.
[eiser] is met ingang van 26 april 2024 is vrijgesteld van werk en heeft gedurende twaalf maanden zijn (basis)salaris ontvangen. De arbeidsovereenkomst is geëindigd per
1 mei 2025. Optiver heeft het concurrentiebeding gehandhaafd, waardoor het [eiser] gedurende de periode van 1 mei 2024 tot 1 mei 2025 niet is toegestaan in dienst te treden van een concurrent.
2.9.
Op 5 december 2024 heeft [eiser] aan Optiver laten weten te overwegen in dienst te treden bij Balyasny Asset Management (BAM) als [naam functie 4] . Daarbij heeft [eiser] gevraagd of BAM een concurrent is van Optiver en zo ja, of dit gevolgen zou hebben voor zijn recht op uitbetaling van Deferred Amounts over 2023 en 2024.
2.10.
In reactie op deze e-mail heeft Optiver op 10 december 2024 bevestigd dat indiensttreding bij BAM vóór de relevante uitbetalingsdatum leidt tot verval van recht op uitkering van de Deferred Amounts over 2023 en 2024. Na intern overleg heeft Optiver op 23 december 2024 aan [eiser] bevestigd dat zij BAM ziet als concurrent.
2.11.
De gemachtigde van [eiser] heeft met een e-mail van 15 februari 2025 aanspraak gemaakt op uitbetaling van de Deferred Amount over 2023. Optiver heeft in reactie daarop in een e-mail van 28 februari 2025 toegelicht waarom zij hier niet aan zal voldoen.
2.12.
Inmiddels is [eiser] werkzaam bij BAM.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat Optiver gehouden is om uiterlijk in april 2026 aan [eiser] te betalen een bedrag van € 493.868,30, te vermeerderen met de rente over 2024 en 2025 terzake van het aan hem toekomende bedrag onder de Deferral Policy van Optiver. Dit met veroordeling van Optiver in de daadwerkelijke kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] stelt daartoe dat hij nog recht heeft op betaling van de Deferred Amount over 2023 van € 493.868,30. [eiser] voert onder meer aan dat de hiervoor onder 2.4 geciteerde bepaling een concurrentiebeding is in de zin van artikel 7:653 BW Pro. Het beding beperkt hem in zijn keuze om op zekere wijze elders werkzaam te zijn, omdat hij in dat geval de beloning die hem is toegekend niet uitbetaald krijgt. Het concurrentiebeding is volgens [eiser] niet rechtsgeldig overeengekomen, zodat Optiver geen beroep kan doen op het beding wat betreft het niet uitbetalen van de uitgestelde bonus. Daarbij komt dat BAM volgens [eiser] geen concurrent is van Optiver. Hij overtreedt daarom ook niet het beding. [eiser] voert verder aan dat het niet uitbetalen van de Deferred Amount in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
3.3.
Optiver voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure en zo nodig de wettelijke rente daarover.
3.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Kern van het geschil is of [eiser] op grond van het Deferral Program recht heeft op uitbetaling van Deferred Amounts over 2023.
Wel of geen concurrentiebeding?
4.2.
Op grond van de Deferral Policy hoeft uitbetaling van de uitgestelde bonus niet plaats te vinden als een werknemer voor de feitelijke uitbetaling in dienst is getreden bij een concurrent. Optiver bepaalt volgens de Deferral Policy zelf wie een concurrent is.
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter maakt de Deferral Policy deel uit van de arbeidsovereenkomst. Bij brief van 16 mei 2022 is aan [eiser] een update gestuurd van het Deferral Program. [eiser] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Het kan ook niet zo zijn dat [eiser] zich wel beroept op uitbetaling van een bonus op grond van Deferral Policy, maar zich op het standpunt stelt dat eventuele voorwaarden geen onderdeel zouden uitmaken van de overeenkomst.
4.4.
De vraag die centraal staat in dit geschil is of artikel 2.2.10 van de Deferral Policy kwalificeert als een concurrentiebeding in de zin van artikel 7:653 BW Pro, hetgeen door Optiver wordt betwist. Op grond van artikel 7:653 lid 1 BW Pro wordt onder een concurrentiebeding verstaan:
“een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn”.
4.5 .
De uitgestelde bonus is een substantieel deel van het inkomen van [eiser] en bedraagt van € 493.868,30. Dit is bijna een derde van zijn jaarinkomen in 2023. De uitbetaling van dit deel van de bonus, of juist niet, kan een prikkel zijn om gedrag te beïnvloeden. Dit is in ieder geval niet ondenkbaar en leidt tot een beperking in de vrijheid om na de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn. Echter gaat artikel 7:653 BW Pro ervan uit dat de bevoegdheid van de werknemer dient te worden beperkt door een beding. Daarvan is hier geen sprake. Zijn bevoegdheid om elders te gaan werken wordt niet beperkt, zoals dat wel wordt beperkt door het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. Hierdoor mocht [eiser] een jaar lang niet in dienst mocht treden bij een concurrent.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter is artikel 2.2.10 van de Deferral Policy geen bepaling als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW Pro en komt het beding dus niet in aanmerking voor geheel of gedeeltelijke vernietiging. Dit kan geen grondslag zijn voor toewijzing van de vordering.
Wel of geen concurrent?
4.7.
[eiser] is in dienst getreden bij BAM. Volgens artikel 2.2.10 van de Deferral Policy is het oordeel of een bedrijf in dit kader een concurrent is van Optiver aan Optiver zelf. Optiver heeft voorafgaand aan de indiensttreding van [eiser] bij BAM aangegeven dat:
“The role of [naam functie 4] with BAM would be considered employment with a competitor”.
Ook geeft [eiser] zelf aan dat BAM en Optiver actief zijn op vergelijkbare financiële markten en verhandelen vergelijkbare producten. De stelling van [eiser] dat BAM niet heeft te gelden als concurrent als bedoeld in artikel 2.2.10 van de Deferral Policy is onvoldoende onderbouwd.
Goed werkgeverschap
4.8.
[eiser] heeft eveneens gesteld dat Optiver zich niet als goed werkgever heeft gedragen door [eiser] niet uitdrukkelijk te wijzen op de gevolgen van het in dienst treden bij een concurrent voor de uitbetaling van de uitgestelde bonus. Het is juist dat [eiser] in zijn mail van 5 december 2024 vraagt:
“If this is considered a competing role – assuming a starting date after the end of the non-competition period, would there be impact on outstanding deferrals due in 2026?”
Het antwoord van Optiver luidt hierop:
“I checked with the business and can hereby confirm that the role of [naam functie 4] with BAM would be considered employment with a competitor. Let me know, how you would like to proceed.”
Het is juist dat dit een beperkt antwoord is op de vraag van [eiser] . Het geeft echter wel een antwoord dat in de context van artikel 2.2.10 van de Deferral Policy niet anders kan worden uitgelegd dat [eiser] daarmee niet aan de voorwaarden van uitbetaling van de uitgestelde bonus voldoet als hij voor de uitbetaling in dienst treedt bij BAM. Ook heeft [eiser] niet aangedrongen op een volledig antwoord van Optiver. Bij de beoordeling weegt ook mee dat [eiser] kennis heeft gehad van de Deferral Policy of had moeten of kunnen hebben en het functieniveau waarop [eiser] werkt.
4.9.
[eiser] stelt dat Optiver zich eveneens niet als goed werkgever heeft gedragen doordat Optiver - ten onrechte - gebruik heeft gemaakt van een discretionaire bevoegdheid door de uitgestelde bonus niet uit te betalen. In de rechtspraak is met regelmaat geoordeeld dat een discretionaire bevoegdheid tot het toekennen of het matigen van een bonus wordt begrensd door de eisen van goed werkgeverschap en dat dit onder meer inhoudt dat voor de werknemer duidelijk moet zijn op grond van welke criteria is beslist om een bonus niet of slechts gedeeltelijk uit te keren en dat de werkgever die beslissing goed moet motiveren. In dit geval is bij [eiser] bekend op welke gronden niet tot uitbetaling van de bonus wordt overgegaan, en Optiver heeft de motivering van de beslissing om de uitgestelde bonus net uit te betalen gebaseerd op deze grond.
4.10.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat niet is vast komen te staan dat Optiver zich niet als goed werkgever heeft gedragen. Ook op grond hiervan kan de vordering van [eiser] niet worden toegewezen.
Lening
4.11.
[eiser] heeft eveneens gesteld dat zijn aanspraak op de volledige bonus al onvoorwaardelijk is en dat hij een bedrag gelijk aan de uitgestelde bonus leent aan Optiver waarvoor hij een rentevergoeding ontvangt. Het enkele feit dat Optiver een rentevergoeding betaalt over de uitgestelde bonus maakt niet dat er sprake is van een lening. De wilsovereenstemming die daarop ziet ontbreekt. Daarvoor heeft [eiser] onvoldoende gesteld en onderbouwd. Dit kan geen grondslag zijn voor toewijzing van de vordering.
Ongelijke behandeling
4.12.
[eiser] stelt dat werknemers in de Verenigde Staten van Amerika op grond van de aldaar geldende wetgeving anders worden behandeld dan werknemer van Optiver in Nederland. Als uitgangspunt is het juist dat gelijke gevallen gelijk zouden moeten worden behandeld. Echter er geen sprake van gelijke gevallen. Zoals [eiser] zelf aangeeft is er sprake van werknemers in Verenigde Staten van Amerika en in Nederland. Het is evident dat wetgevingen verschillen, waar Optiver overigens geen invloed op heeft. Dit leidt tot voor- en nadelen voor verschillende werknemers, maar dit leidt echter tot het oordeel dat er sprake is van ongeoorloofd onderscheid. Dit kan dan ook niet leiden tot toewijzing van de vordering van [eiser] .
Conclusie
4.13.
Artikel 2.2.10 van de Deferral Policy is geen concurrentiebeding als bedoeld in artikel 7;653 lid 1 BW. Het is een beding dat onderdeel uitmaakt van de overeenkomst en het staat Optiver vrij het niet uitbetalen van de uitgestelde bonus hierop te baseren. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.
4.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Optiver worden begroot op € 2.712,00 (2 punten × € 1.356,00) plus de nakosten van € 67,50.
4.2.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.779,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In artikel 3.1.8 van de GRP is nagenoeg dezelfde bepaling opgenomen: “