ECLI:NL:RBAMS:2026:5627

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
12030403 \ CV EXPL 25-17911
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230t BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenveroordeling wegens oneerlijk beding in uitvaartovereenkomst

Eiser, FC ENAME B.V., vordert betaling van een openstaande hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten van gedaagde, die niet is verschenen in de procedure. De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding onjuiste informatie bevatte over de totstandkoming van de overeenkomst, namelijk dat deze binnen de verkoopruimte zou zijn gesloten, terwijl dit bij gedaagde thuis gebeurde.

De rechtbank beoordeelt dat de informatieplichten uit het Burgerlijk Wetboek grotendeels zijn nageleefd, maar dat het ontbindingsrecht wel van toepassing is, ondanks de stelling van eiser dat dit niet zo is vanwege de Wet op de lijkbezorging. De gevorderde hoofdsom en incassokosten worden toegewezen.

Echter, het beding in de algemene voorwaarden dat alle gerechtelijke kosten voor rekening van de consument komen, wordt als oneerlijk aangemerkt en buiten toepassing gelaten. De rechtbank overweegt dat eiser met dit beding onrechtmatig handelt en dat het niet toewijzen van proceskosten geen onwenselijke signaalwerking heeft. Daarom worden de proceskosten afgewezen.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €5.641,67 plus wettelijke rente en €804,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, en wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder de proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Proceskostenveroordeling afgewezen wegens oneerlijk beding, hoofdsom en incassokosten toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12030403 \ CV EXPL 25-17911
Vonnis van 28 mei 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FC ENAME B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 februari 2026,
- de akte van eisende partij,
- de brief van 18 maart 2026, waarbij eisende partij verzoekt de akte alsnog naar gedaagde partij te mogen sturen,
- de rolmededeling van 26 maart 2026, waarbij vorenbedoeld verzoek van eisende partij is gehonoreerd.
1.2.
Gedaagde partij heeft niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de informatieplichten en over het voornemen van de kantonrechter tot het buiten toepassing laten van het beding in de algemene voorwaarden met betrekking tot gerechtelijke kosten (proceskosten), dat als oneerlijk is aangemerkt.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat in de dagvaarding abusievelijk is opgenomen dat de overeenkomst binnen de verkoopruimte is gesloten. De uitvaartleidster van eisende partij is bij gedaagde partij thuis gekomen, waar de wensen met betrekking tot de uitvaart zijn besproken. Het formulier dat als productie 1 bij dagvaarding is overgelegd, is bij gedaagde partij thuis ondertekend. Eisende partij stelt dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan. Eisende partij meent dat er geen ontbindingsrecht van toepassing is, gelet op de termijnen in de Wet op de lijkbezorging. Over het beding met betrekking tot gerechtelijke kosten voert eisende partij aan dat zij zich bewust is dat de formulering als onredelijk wordt beschouwd. Inmiddels is dit beding ook aangepast. Eisende partij vindt het onredelijk dat de formulering tot afwijzing van de proceskosten zou leiden. Dan zou gedaagde partij worden bevoordeeld. Dan zou het onwenselijke gedrag van gedaagde partij, waarbij een erkende vordering niet wordt betaald, worden beloond. Dat zou het verkeerde signaal afgeven dat er net zolang kan worden gewacht met betalen totdat diegene in rechte wordt betrokken, zonder dat dit gedrag negatieve gevolgen zou hebben.
2.3.
Aan de hand van de nadere toelichting van eisende partij over de informatieplichten, wordt vastgesteld dat eisende partij de kantonrechter in de dagvaarding onjuist heeft voorgelicht over de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en daardoor ook over de informatieplichten die van toepassing zijn. De voor de beoordeling van belang zijnde feiten zijn dan ook in strijd met de waarheid aangevoerd. Alleen al om deze reden geeft dat voor de kantonrechter voldoende aanleiding om de door eisende partij gemaakte proceskosten niet voor van gedaagde partij te laten komen, los van de na te melden overwegingen over het oneerlijke beding in de algemene voorwaarden met betrekking tot gerechtelijke kosten.
2.4.
Gelet op de gewijzigde stellingen in de akte, is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte, waarop de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn. Aan de essentiële informatieplichten voortvloeiend uit deze artikelen is grotendeels voldaan, met uitzondering van informatie over het ontbindingsrecht. Eisende partij stelt dat het ontbindingsrecht niet van toepassing is, gelet op de verplichtingen voortvloeiend uit de Wet op de lijkbezorging.
2.5.
Anders dan eisende partij stelt, is het ontbindingsrecht wel van toepassing, maar met verwijzing naar ECLI:NL:RBAMS:2024:7695 wordt vooralsnog geen aanleiding gezien om hiervoor een sanctie op te leggen.
2.6.
Aan de aanvullende vereisten in artikel 6:230t BW is met inachtneming van het bepaalde over het ontbindingsrecht voldaan.
2.7.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom. De wettelijke rente daarover is toewijsbaar als gevorderd.
2.8.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het gevorderde bedrag van € 804,65 is in overeenstemming met het Besluit en wordt daarom toegewezen.
2.9.
Uit het voorgaande volgt dat, los van de buitengerechtelijke incassokosten, in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- vervallen rente tot 8 december 2025

5.800,00
204,67
+
totaal
6.004,67
- betalingen
363,00
-/-
Totaal
5.641,67
2.10.
Over de proceskosten wordt het volgende overwogen. Wat eisende partij heeft aangevoerd over de onwenselijke signaalwerking en gevolgen van afwijzing van de proceskosten, leidt niet tot een ander oordeel dan uiteengezet in het tussenvonnis. Het beding in de algemene voorwaarden op grond waarvan alle gerechtelijke kosten voor rekening van de consument komen is oneerlijk, zoals door de Hoge Raad is bevestigd. Gevolg daarvan is dat het beding buiten toepassing moet blijven. Eisende partij lijkt met haar verweren op dit punt te miskennen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft benadrukt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (NAPTA) beginsel). Anders dan eisende partij in haar akte aanvoert, is het dan ook niet gedaagde partij die is begonnen met onwenselijk (oneerlijk) gedrag, maar eisende partij door het hanteren van een oneerlijk proceskostenbeding. Dit heeft de kantonrechter meegewogen bij de beslissing de proceskosten af te wijzen, naast de arresten genoemd in overweging 2.11 van het tussenvonnis.
2.11.
De gevorderde proceskostenveroordeling ten laste van gedaagde partij wordt dan ook afgewezen, waarbij nogmaals wordt opgemerkt dat als dat niet om deze reden zou zijn gebeurd, dat op grond van schending van het bepaalde in artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zou zijn gebeurd (zie overweging 2.3).

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 5.641,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag, met ingang van 8 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 804,65 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder de gevorderde proceskostenveroordeling ten laste van gedaagde partij.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
991