Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5687

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
12017839 \ CV EXPL 25-17472
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:228 BWArt. 6:230 BWArt. 7:262 BWArt. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging vaststellingsovereenkomst wegens dwaling over vertrouwelijke gegevensoverdracht

Eiser en gedaagde sloten een vaststellingsovereenkomst (vso) vanwege beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vóór ondertekening had eiser vertrouwelijke bestanden van zijn werkmail naar zijn privémail gestuurd. Gedaagde ontdekte dit en stelde dat zij door dwaling de vso niet onder dezelfde voorwaarden had gesloten.

De kantonrechter oordeelde dat eiser het geheimhoudingsbeding niet heeft geschonden omdat niet is vastgesteld dat hij de bestanden met derden heeft gedeeld. Wel is vastgesteld dat de bestanden vertrouwelijk en bedrijfsgevoelig zijn en dat eiser had moeten weten dat hij deze niet buiten de beveiligde omgeving mocht brengen.

De vso is vernietigbaar wegens dwaling aan de zijde van gedaagde, maar de kantonrechter wijzigt de vso in plaats van vernietigt deze. Gedaagde hoeft alleen de wettelijke transitievergoeding te betalen, niet de volledige overeengekomen vergoedingen. Eiser wordt verplicht de bestanden te verwijderen. De overige vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vaststellingsovereenkomst wordt gewijzigd zodat gedaagde alleen de wettelijke transitievergoeding hoeft te betalen en eiser moet vertrouwelijke bestanden verwijderen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12017839 \ CV EXPL 25-17472
Vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.A. Meijers (ARAG Rechtsbijstand),
tegen
CBRE GWS INTEGRATED FACILITY MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: CBRE,
gemachtigde: mr. L.D.N. Mordaunt.
De zaak in het kort
[eiser] heeft gewerkt bij CBRE. Vanwege een reorganisatie hebben partijen de arbeidsovereenkomst beëindigd. Daarvoor hebben zij een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten, met (ontslag)vergoeding(en). Vóórdat de vso getekend was, heeft [eiser] vertrouwelijke bestanden naar zijn privémail gestuurd. CBRE heeft dit ontdekt en weigert de afgesproken vergoedingen te betalen, omdat zij stelt te hebben gedwaald. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] het geheimhoudingsbeding niet heeft geschonden maar dat CBRE wel heeft gedwaald. CBRE hoeft daarom niet alle vergoedingen uit de vso te betalen aan [eiser] . De kantonrechter concludeert dat, als CBRE vóór het tekenen van de vso had geweten dat [eiser] de vertrouwelijke informatie naar zichzelf had gestuurd, CBRE de vso niet onder dezelfde voorwaarden had gesloten. Daarom wijzigt de kantonrechter de vso in die zin dat CBRE alleen nog de transitievergoeding moet betalen. De kantonrechter verplicht [eiser] verder om de bestanden te verwijderen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens vorderingen in reconventie, met producties,
- het instructievonnis van 3 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. [eiser] is bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens CBRE is [naam 1] ( [functie 1] ) verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. M.C.T. Burgers, kantoorgenoot van de gemachtigde van CBRE.
1.3.
De gemachtigde van CBRE heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Partijen zijn vervolgens gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
CBRE is een internationaal bedrijf dat facilitaire managementdiensten en daarmee verband houdende diensten verleent. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK) blijkt dat CBRE zich onder meer bezig houdt met het onderhouden van machines en elektronisch bedrijfsmaterieel binnen gebouwen. CBRE is gecertificeerd op het gebied van informatiebeveiliging (ISO 27001).
2.2.
[eiser] is op 1 februari 2012 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) CBRE. Hij werkte als [functie 2] voor laatstelijk 38 uur per week tegen een loon van € 6.736,51 bruto per maand exclusief vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst zijn de arbeidsvoorwaarden en regelingen zoals omschreven in de ‘Personeelsgids Johnson Controls IGM B.V.’ van toepassing verklaard.
2.3.
In de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen. Daarin is bepaald dat [eiser] zowel tijdens als na zijn dienstverband, de gegevens waarvan verwacht mag worden dat hij daarvan begrijpt dat die vertrouwelijk zijn, geheim moet houden. In het beding zijn een aantal gegevens genoemd die als vertrouwelijk worden gezien, waaronder van klanten ontvangen vertrouwelijke bedrijfsinformatie.
2.4.
Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) gesloten, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst vanwege bedrijfseconomische redenen met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2025 zou worden beëindigd. In de vso is, voor zover relevant, bepaald dat [eiser] vanaf 8 mei 2025 is vrijgesteld van werk met behoud van loon (artikel 3). Daarvoor geldt dat als [eiser] vóór 1 oktober 2025 een nieuwe baan zou vinden, de einddatum per direct aangepast zou worden naar de datum van zijn nieuwe dienstverband, met behoud van de beëindigingsvergoeding en de tekenbonus en met uitbetaling van 75% van het loon over de resterende maanden tot de oorspronkelijke einddatum (artikel 8 en Pro 9).
Daarnaast staat in de vso dat [eiser] (in de maand oktober) een eindafrekening (artikel 4), een beëindigingsvergoeding van € 58.271,83 bruto (artikel 5), een tekenbonus van € 3.368,26 bruto bij ondertekening vóór 31 mei 2025 (artikel 6), een vergoeding voor de kosten van (niet verzekerde) juridische bijstand met een maximum van € 3.000,- ex. btw (artikel 16) en een vergoeding voor de kosten voor coaching en opleiding met een maximum van € 7.500,- ex. btw (artikel 17) zou ontvangen. Ook is bepaald dat [eiser] niet gehouden wordt aan het concurrentie- en relatiebeding (artikel 18).
In de vso is verder opgenomen dat het geldende geheimhoudingsbeding uitdrukkelijk van kracht blijft (artikel 10). De geheimhouding geldt voor alles wat [eiser] bij de uitvoering van zijn functie heeft opgedaan over de zaken en belangen van CBRE, en voor alle informatie over klanten en relaties van de werkgever die de werknemer heeft gekregen tijdens het werk (artikel 14).
2.5.
[eiser] heeft op 7 mei 2025 e-mails met bijlages van zijn zakelijke e-mailadres naar zijn privé e-mailadres verstuurd. Op diezelfde dag had [eiser] in een gesprek met CBRE te horen gekregen dat hij boventallig was verklaard en vrij zou worden gesteld van werk.
2.6.
Partijen hebben de vso op 30 mei 2025 ondertekend.
2.7.
Bij brief van 13 juni 2025 heeft [eiser] aan CBRE laten weten dat hij per 1 juli 2025 een nieuwe baan heeft gevonden. Hij heeft daarbij gevraagd om de einddatum van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 9 van Pro de vso te veranderen naar 1 juli 2025.
2.8.
Op 17 en 25 juni 2025 heeft [eiser] opnieuw e-mails van zijn werkmail naar zijn privémail gestuurd en één document uit het systeem van CBRE gekopieerd.
2.9.
De arbeidsovereenkomst is per 1 juli 2025 met wederzijds goedvinden beëindigd.
2.10.
Op 17 juli 2025 ontving CBRE van haar Amerikaanse cybersecurity afdeling een melding uit het beveiligingssysteem over mogelijk dataverlies. CBRE heeft daarna een controle uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat er (in de 90 dagen voor de melding) vanuit het zakelijke e-mailadres van [eiser] één bestand en 190 e-mails met bijlagen (hierna: de bestanden) zijn verstuurd naar het privé e-mailadressen van [eiser] . De cybersecurity afdeling heeft een rapport opgesteld waarin de betrokken e-mails en bestand(en) zijn opgenomen.
2.11.
CBRE heeft [eiser] bij e-mail van 21 juli 2025 uitgenodigd om op 22 juli 2025 een (online) gesprek te voeren, zodat [eiser] de situatie kon toelichten. [eiser] heeft daarop diezelfde dag bij e-mail gereageerd dat hij op zijn vroegst over twee weken beschikbaar was voor een gesprek.
2.12.
Vervolgens heeft CBRE bij brief van 23 juli 2025 aan [eiser] medegedeeld dat alle betalingen per direct opgeschort zouden worden, in afwachting van het onderzoek. De reden daarvoor was dat [eiser] volgens CBRE het geheimhoudingsbeding en het interne bedrijfsbeleid had geschonden, en zich niet als goed werknemer had gedragen.
2.13.
Op 28 juli 2025 heeft er, op verzoek van CBRE, een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en CBRE. Daarvan is een gespreksverslag gemaakt. Uit dat verslag blijkt dat [eiser] heeft bevestigd dat hij de bestanden naar zijn privémail heeft gestuurd en dat hij zich bewust is van het CBRE-beleid over het delen van bedrijfsinformatie. [eiser] heeft tijdens het gesprek aangegeven dat het onder meer ging om documenten en formules die door hem zelf ontwikkeld zijn en dat de [documenten] te maken hebben met zijn opleiding tot [functie 3] . Daarnaast zijn de bestanden volgens [eiser] oud en daarom niet meer relevant.
2.14.
Bij brief van 29 juli 2025 heeft CBRE aan [eiser] laten weten dat de betalingen aan hem definitief stopgezet werden. Dit was omdat volgens CBRE uit de documentnamen en e-mailomschrijvingen was gebleken dat de gedeelde bestanden vertrouwelijk en zakelijk waren. Volgens CBRE ging het onder meer om (commerciële) gegevens van opdrachtgevers, inspectieformulieren, presentaties, rapportages, meerjarenonderhoudsplannen (MJOP) en interne beleids- en kennisdocumenten. CBRE heeft in de brief verder verklaard de schade die zij heeft geleden als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen door [eiser] te gaan verrekenen met de eindafrekening.
2.15.
De gemachtigde van [eiser] heeft, bij e-mail van 1 augustus 2025 aan CBRE, geprotesteerd tegen het stopzetten van de betalingen en de (vermeende) schending van de geheimhoudingsplicht betwist. Vervolgens heeft de gemachtigde van CBRE bij e-mail van 5 augustus 2025 aan de gemachtigde van [eiser] onder meer toegelicht waarom het geheimhoudingsbeding (en het interne) beleid volgens CBRE geschonden is en gevraagd om de bestanden te verwijderen. De gemachtigde van [eiser] heeft daarna bij e-mail van 21 augustus 2025 voorgesteld om € 5.000,- bruto op de beëindigingsvergoeding in mindering te brengen en aangeboden om de bestanden te verwijderen. CBRE heeft daar niet op gereageerd, waarna [eiser] tot dagvaarding is overgegaan.
2.16.
CBRE heeft bij brief van 26 november 2025 aangezegd de vso buitengerechtelijk gedeeltelijk (artikelen 3 tot en met 6, en 16 tot en met 18) te ontbinden vanwege dwaling.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eiser] vordert in conventie dat CBRE, kort gezegd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld om:
a. aan [eiser] te betalen:
i. € 76.797,24 bruto met de wettelijke rente,
ii. € 1.542,97 netto aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw,
iii. de proceskosten, met rente,
binnen vijf dagen na betekening loonstroken te verstrekken van de verschuldigde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag,
3.2.
[eiser] legt daaraan ten grondslag dat hij op grond van de vso recht heeft op betaling van € 76.797,24 bruto, bestaande uit de beëindigingsvergoeding van € 58.271,83 bruto, een tekenbonus van € 3.368,26 bruto en € 15.157,15 bruto aan loon tot 1 oktober 2025. De vergoedingen hadden uiterlijk in de maand oktober 2025 betaald moeten worden en dat is niet gebeurd. CBRE heeft de vergoedingen te laat betaald en moet daarom rente betalen. Omdat [eiser] een incassogemachtigde heeft ingeschakeld moet CBRE ook de incassokosten betalen, aldus steeds [eiser] .
3.3.
CBRE voert verweer. [eiser] heeft erkend dat hij de bestanden buiten de omgeving van CBRE heeft gebracht, terwijl er duidelijk beleid is binnen CBRE, waarvan de bekendheid met de inhoud jaarlijks bij werknemers getoetst wordt, dat dit niet mag. De bestanden zijn zeer bedrijfsgevoelig. [eiser] had als [functie 2] een voorbeeldfunctie en wist of had moeten weten dat hij de bestanden niet naar zijn privémail mocht sturen. Hij is daar tijdens het boventalligheidsgesprek ook uitdrukkelijk op gewezen, maar heeft dat toch gedaan. [eiser] was op het moment dat hij de bestanden verstuurde al vrijgesteld van werk en had daar dus geen zakelijk belang bij. [eiser] heeft daarmee het geheimhoudingsbeding, de beleidsregels en de bepalingen in de arbeidsovereenkomst en de vso geschonden. Nog vóór dat hij de vso had getekend. Als CBRE dit had geweten, dan had zij de vso niet (onder deze voorwaarden) gesloten. [eiser] wist dat, of had dat moeten weten, en had CBRE over de gegevensoverdracht moeten vertellen. Dat heeft hij niet gedaan en dus is sprake van dwaling. Dat niet duidelijk is of [eiser] de bestanden met anderen heeft gedeeld, maakt dat niet anders. CBRE heeft de vso daarom buitengerechtelijk gedeeltelijk vernietigd. Daarnaast heeft [eiser] ernstig verwijtbaar gehandeld. Om die redenen hoeft CBRE de vergoedingen dus niet meer te betalen, zo betoogt steeds CBRE.
In reconventie
3.4.
CBRE vordert in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair:dat de vso gedeeltelijk wordt vernietigd op grond van dwaling, zodat CBRE geen betalingsverplichtingen vanwege de vso meer heeft tegenover [eiser] ,
subsidiair:de vso te wijzigingen zodat de betalingsverplichtingen van CBRE nihil zijn,
meer subsidiair:te verklaren voor recht dat [eiser] vanwege wanprestatie schadeplichtig is en de schade van € 111.267,72 aan CBRE moet betalen, met rente,
in alle gevallen: [eiser] te veroordelen/gebieden om de vertrouwelijke data binnen vijf dagen na betekening te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-, vermeerderd met € 50,- per dag dat hij in gebreke blijft,
in alle gevallen: [eiser] te veroordelen in de proceskosten, met rente.
3.5.
CBRE voert daartoe (in het verlengde van haar verweer in conventie aan) dat zij heeft gedwaald, waardoor de vso gedeeltelijk vernietigd is of moet worden of gewijzigd moet worden. CBRE heeft een zero tolerancebeleid en zou [eiser] op staande voet ontslagen hebben als zij tijdens het dienstverband van [eiser] erachter was gekomen dat hij de bestanden buiten de organisatie had gebracht. Het dienstverband zou dus hoe dan ook geëindigd zijn, zonder enige vergoeding. Het nadeel van CBRE dat zij hierdoor heeft moet daarom opgeheven worden. Voor het geval de vso niet vernietigd of gewijzigd wordt moet [eiser] schadevergoeding betalen. CBRE heeft door de gegevensoverdracht schade geleden bestaande uit de interne onderzoekskosten, advocaatkosten en de verschillende vergoedingen die in de vso zijn toegekend. Die kosten moet [eiser] aan CBRE vergoeden, zo stelt CBRE.
3.6.
[eiser] voert verweer. Hij betwist dat hij het geheimhoudingsbeding heeft geschonden en dat hij opzettelijk heeft gehandeld. De bestanden die [eiser] naar zijn persoonlijke e-mailadres heeft verstuurd zijn privé of studiegerelateerd en dus niet bedrijfsgevoelig. [eiser] heeft de bestanden niet met derden gedeeld. Bovendien is het beleid waar CBRE een beroep op doet volgens [eiser] niet op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard. Maar ondanks dat is [eiser] bereid om de bestanden te verwijderen. Daarnaast kan geen sprake zijn van dwaling. Een deel van de e-mails zijn pas ná het tekenen van de vso gestuurd en van de mails van 7 mei 2025 had CBRE al eerder kunnen weten. CBRE zou de vso hoe dan ook gesloten hebben, want het dienstverband is geëindigd vanwege bedrijfseconomische redenen. Het causaal verband ontbreekt dus. Verder heeft CBRE het gestelde nadeel niet aangetoond. Voor zover CBRE wel nadeel heeft, heeft [eiser] aangeboden om € 5.000,- bruto op de beëindigingsvergoeding in mindering te brengen. Dat aanbod is op tijd gedaan en daarom kan de vso niet meer vernietigd worden. Ook is er geen sprake van schade aan de zijde van CBRE. Die is in ieder geval niet onderbouwd, aldus steeds [eiser] .

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.
Vertrouwelijke informatie
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] de bestanden naar zijn privémail heeft gestuurd. Partijen twisten echter over de vraag of de bestanden die [eiser] naar zijn privémail gestuurd heeft, vertrouwelijk en/of bedrijfsgevoelig zijn. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is.
4.3.
CBRE heeft een overzicht overgelegd van (een gedeelte van) de bestanden die [eiser] van zijn werkmail naar zijn privémail heeft gestuurd. Daarop zijn de onderwerpregels van de e-mails en de documentnamen van de bijlages vermeld. Tussen partijen is niet in geschil dat het overgrote deel van de bestanden die daarop vermeld zijn privégegevens of studiemateriaal bevat. Van een aantal bestanden verschillen partijen van mening over de bedrijfsgevoeligheid daarvan. Het gaat onder meer over de onderwerpregels en bestandnamen als ‘
[bestandsnaam 1]’, ‘
[bestandsnaam 2]’, ‘
[bestandsnaam 3]’, ‘
[bestandsnaam 4]’, ‘
[bestandsnaam 5]’, ‘
[bestandsnaam 6]’, ‘
[bestandsnaam 7]’, ‘
[bestandsnaam 8]’, ‘
[bestandsnaam 9]’, ‘
[bestandsnaam 10]’ en ‘
[bestandsnaam 11]’. Op de zitting heeft CBRE toegelicht waarom deze bestanden zakelijk en vertrouwelijk van aard zijn.
4.4.
[eiser] heeft op zijn beurt toegelicht dat de bestanden onder andere modellen en tools zijn die hij zelf heeft ontwikkeld toen hij bij CBRE werkte. Het zijn volgens [eiser] basisdocumenten met formules, waarmee bedragen ingeschat kunnen worden of de resterende levensduur berekend kan worden. [eiser] heeft verder toegegeven dat er in sommige documenten gegevens van klanten staan en dat er in de bestanden informatie stond over het beleid van CBRE over wet- en regelgeving. [eiser] heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist dat de bestanden gegevens van opdrachtgevers, inspectieformulieren, presentaties, rapportages, meerjarenonderhouds-plannen (MJOP) en interne beleids- en kennisdocumenten bevatten.
4.5.
[eiser] heeft niet weersproken dat een MJOP informatie bevat over de assets van klanten, het toekomstige onderhoudsprogramma en de budgetten die gehanteerd worden. Dat is gevoelige informatie. Dat de informatie die in de bestanden staat verouderd zou zijn (en dus niet zoals [eiser] heeft betoogd een leeg document was) en niet op elke situatie toegepast kan worden, zoals [eiser] heeft aangevoerd, verandert niets aan de vertrouwelijkheid daarvan.
Ook de beleidsdocumenten zijn vertrouwelijk. Daarin is bepaald hoe CBRE intern met (juridische) vraagstukken omgaat. Datzelfde geldt voor de tools die [eiser] heeft ontwikkeld. Dat [eiser] die tools zelf heeft ontwikkeld en heeft willen gebruiken als naslagwerk, of als hulpbron om de formules in die tools te verbeteren, maakt dat niet anders. Het blijven bestanden met gevoelige en vertrouwelijke informatie, die in dienst van CBRE zijn ontwikkeld.
Buiten de organisatie brengen
4.6.
Hoewel [eiser] betwist dat de bestanden gevoelige en vertrouwelijke informatie bevatten, en dat ter zitting heeft volgehouden, had dat naar het oordeel van de kantonrechter voor hem wel duidelijk kunnen en moeten zijn. Ook had voor hem duidelijk moeten zijn dat hij de bestanden niet buiten de (beveiligde) omgeving van CBRE had mogen brengen. [eiser] heeft erkend dat hij cursussen heeft gevolgd over hoe om te gaan met vertrouwelijke informatie. Hij heeft onvoldoende weersproken dat in die cursussen is besproken dat hij geen bestanden naar zijn privémail mocht sturen. Bovendien heeft [eiser] tijdens de zitting toegelicht dat hij bij het selecteren van de bestanden steeds heeft bedacht of het ging om studiemateriaal of om branche gerelateerde stukken. Dit wijst erop dat [eiser] wist dat hij zakelijke bestanden niet zomaar naar zichzelf mocht sturen.
4.7.
Dat [eiser] de bestanden als studiemateriaal beschouwde, verandert daar niets aan. Hij had moeten begrijpen dat hij de bestanden, hoe handig ook als naslagwerk voor de toekomst, alleen mocht gebruiken zolang hij bij CBRE werkte. Dat [eiser] toestemming zou hebben gehad van zijn leidinggevende om de bestanden naar zijn privémail te sturen, zoals hij ter zitting heeft betoogd, maakt dat niet anders. De (vermeende) toestemming zag volgens [eiser] namelijk op studiemateriaal en privé zaken, en hiervoor is geoordeeld dat de bestanden niet zo gezien kunnen worden. Dat de bestanden verband houden met zijn opleiding tot [functie 3] is bovendien onvoldoende onderbouwd. Of [eiser] er in het boventalligheidsgesprek op is gewezen dat hij de bestanden niet had mogen versturen naar zijn privémail, kan dan ook in het midden blijven.
Geheimhouding
4.8.
Hoewel [eiser] de informatie niet buiten de (beveiligde) omgeving van CBRE had mogen brengen, is niet vast komen te staan dat hij in strijd met zijn geheimhoudingsbeding heeft gehandeld. Hij heeft de bestanden naar zijn privémail gestuurd en dat op zich kan niet worden gezien als een overtreding van het geheimhoudingsbeding. Daarvoor is vereist dat [eiser] de bestanden
met derdenheeft gedeeld en dat is niet vast komen te staan. CBRE heeft aangevoerd dat het ‘delen met derden’ niet doorslaggevend is omdat zij niet kan controleren of de informatie met anderen is gedeeld, maar de kantonrechter gaat daar niet in mee. Het doel van een geheimhoudingsbeding is juist dat de informatie niet met anderen wordt gedeeld. Voor een overtreding moet dus vast komen te staan dat [eiser] de informatie niet voor zichzelf heeft gehouden. Als CBRE dat niet kan aantonen, kan niet worden vastgesteld dat het beding is geschonden.
Dwaling
4.9.
Wel is de vaststellingsovereenkomst, door het verzenden van de bestanden naar de privémail van [eiser] , onder invloed van dwaling (aan de zijde van CBRE) tot stand gekomen. Zoals hiervoor is overwogen had [eiser] moeten weten dat de bestanden vertrouwelijke informatie bevatten en dat hij die niet naar zijn privémail mocht sturen. Ook moet voor hem duidelijk zijn geweest dat het versturen van de bestanden niet zonder gevolgen zou zijn. CBRE heeft duidelijk en herhaaldelijk aan CBRE laten weten dat het voor haar belangrijk is dat vertrouwelijke en gevoelige informatie binnen het bedrijf blijft. Dat blijkt onder meer uit de arbeidsovereenkomst, waarin veel aandacht is besteed aan het belang van geheimhouding. Maar ook uit het actieve beleid dat CBRE uitdraagt door werknemers cursussen te laten volgen en hen herhaaldelijk te toetsen op hun kennis over hoe om te gaan met vertrouwelijke informatie. Of dat beleid formeel van toepassing is verklaard op de arbeidsovereenkomst, zoals in geschil is, maakt daarvoor niet uit. Het gaat er om dat [eiser] het beleid kende en begreep, en dat deed hij. [eiser] mocht er niet van uitgaan dat CBRE de e-mails kende en had moeten begrijpen dat het versturen van de bestanden voor CBRE van beslissende betekenis was geweest bij het sluiten van de vso. Om die reden had [eiser] CBRE moeten vertellen over de e-mails, nog voordat hij de vso had getekend. Hij had een zogenaamde mededelingsplicht, maar heeft CBRE niet geïnformeerd. CBRE is pas na de totstandkoming van de vso op de hoogte geraakt van de handelingen van [eiser] . Dat CBRE niet eerder op de hoogte kon zijn heeft zij afdoende toegelicht.
4.10.
Een en ander geldt overigens alleen voor de bestanden die vóór het sluiten van de overeenkomst zijn verstuurd, namelijk van 7 mei 2025. De bestanden die ná het sluiten zijn verstuurd zijn een ‘toekomstige omstandigheid’, en daar kan de dwaling niet op gebaseerd zijn (artikel 6:228 lid 2 BW Pro).
4.11.
Voor een beroep op dwaling is vereist dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet (onder dezelfde voorwaarden) zou zijn gesloten (aanhef van artikel 6:228 lid 1 BW Pro). De kantonrechter concludeert dat dit het geval is.
4.12.
CBRE heeft immers onweersproken gesteld dat zij twee werknemers van de groep werknemers die boventallig waren verklaard op staande voet heeft ontslagen nadat zij had ontdekt dat deze werknemers bestanden naar zichzelf hadden gemaild. Daarmee heeft CBRE voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de vso niet (onder deze voorwaarden) met [eiser] gesloten zou hebben, als zij vóór het tekenen van de vso had ontdekt dat hij de bestanden naar zijn privémail had gestuurd. Dat het hier om een vso gaat, waarbij terughoudendheid op zijn plaats is, maakt dat niet anders. Aannemelijk is juist dat de vso niet of onder andere voorwaarden zou zijn gesloten als [eiser] CBRE juist had geïnformeerd, ondanks het feit dat de arbeidsovereenkomst ook zou zijn geëindigd zonder het handelen van [eiser] .
4.13.
CBRE heeft dus gedwaald toen zij de vso met [eiser] overeen kwam (artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro). De wet bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling vernietigbaar is. Dat maakt dat de vso in beginsel vernietigbaar is.
Het nadeel is niet op afdoende wijze opgeheven
4.14.
[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid van CBRE tot vernietiging wegens dwaling is komen te vervallen doordat hij op 21 augustus 2025 een wijzigingsvoorstel heeft gedaan, waarmee hij het vermeende nadeel dat CBRE lijdt heeft opgeheven (artikel 6:230 lid 1 BW Pro). Met CBRE is de kantonrechter van oordeel dat het wijzigingsvoorstel (om € 5.000,- bruto van de ontslagvergoeding af te halen en kort gezegd de bestanden te vernietigen) in de gegeven situatie geen afdoende opheffing van het nadeel is. Aannemelijk is dat de financiële afspraken in de vso er heel anders hadden uitgezien als CBRE bekend was geweest met het handelen van [eiser] , als er al onder die omstandigheden een vso tot stand was gekomen tussen partijen. De bevoegdheid van CBRE om te vernietigen op grond van dwaling is dus blijven bestaan.
(Buitengerechtelijke) vernietiging van de vso
4.15.
CBRE heeft aangevoerd dat de vso gedeeltelijk buitengerechtelijk is vernietigd, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee. CBRE heeft gedwaald bij de totstandkoming van de vso. CBRE wenst evenwel dat niet de gehele vso wordt vernietigd, maar een aantal bepalingen ervan. Gedeeltelijke vernietiging van de vso op de door CBRE gewenste wijze zou er toe leiden dat CBRE wel de overeengekomen lusten behoudt zonder de daarbij behorende lasten te dragen, terwijl het uitgangspunt is dat een geslaagd beroep op een vernietigingsgrond (zoals in dit geval dwaling) er in beginsel voor zorgt dat alle prestaties die op grond van de vernietigde overeenkomst zijn verricht, teruggedraaid moeten worden.
4.16.
De gedeeltelijke buitengerechtelijke vernietiging door CBRE heeft dus geen rechtsgevolg gehad; de vso is ongewijzigd in stand gebleven. Voor zover CBRE in conventie een verklaring voor recht heeft gevorderd dat de vso buitengerechtelijk vernietigd is, wordt die vordering – voor zover dat al mogelijk is – afgewezen. Ook de primaire vordering in reconventie tot gedeeltelijke vernietiging van CBRE ligt daarom voor afwijzing gereed.
Wijziging van de vso
4.17.
Hoewel de vso vernietigbaar is, zal de kantonrechter de vso niet vernietigen, maar op het subsidiaire verzoek van CBRE wijzigen (artikel 6:230 lid 2 BW Pro).
4.18.
CBRE stelt dat haar nadeel alleen opgeheven kan worden door de vso op zo’n manier aan te passen dat CBRE niets meer aan [eiser] hoeft te betalen. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Om te beoordelen wat het nadeel van CBRE is, moet onderzocht worden wat partijen in de vso afgesproken zouden hebben als CBRE over de e-mails van onder meer 7 mei 2025 geïnformeerd zou zijn. Het gaat erom dat het ‘contractuele evenwicht’ wordt hersteld. Herstel van het contractuele evenwicht tussen partijen leidt naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden tot de volgende redelijke en billijke wijziging van de vso.
4.19.
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook tot een eind zou zijn gekomen, in ieder geval vanwege bedrijfseconomische redenen of volgens CBRE vanwege ontslag op staande voet. Gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd en is toegelicht op de mondelinge behandeling oordeelt de kantonrechter dat een eventueel ontslag op staande voet geen stand had gehouden. Hoewel [eiser] anders had moeten en kunnen weten, heeft [eiser] voldoende over het voetlicht gebracht dat hij oprecht in de veronderstelling was dat de bestanden geen gevoelige en vertrouwelijke informatie bevatten in de door CBRE bedoelde zin. Zijn inschatting hierover was daarmee te lichtzinnig en naïef, maar in zijn geval kan niet worden gezegd dat hij aan CBRE een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De kantonrechter zal er bij het wijzigen van de vso dan ook van uitgaan dat de arbeidsovereenkomst alsnog zou zijn geëindigd. Hoe daar bij een juiste voorstelling van zaken over een weer uiteindelijk een einde aan zou zijn gekomen is achteraf niet vast te stellen.
4.20.
[eiser] is vanaf 8 mei 2025 vrijgesteld van zijn werkzaamheden tot oktober 2025. [eiser] heeft echter vanaf 1 juli 2025 zijn baan opgezegd omdat hij zelf een nieuwe baan had gevonden. De beëindigingsdatum is daarmee in ieder geval 1 juli 2025. Artikel 3 van Pro de vso wordt daarom al met al niet aangepast, waardoor [eiser] aanspraak heeft op zijn salaris tot 1 juli 2025, maar niet langer. Ook artikel 4 van Pro de vso wordt niet aangepast, aangezien afrekening in oktober 2025 geen nadeel voor CBRE oplevert. Datzelfde geldt voor artikel 18 van Pro de vso. Partijen zijn namelijk geen concurrentiebeding of relatiebeding overeengekomen, zodat CBRE geen nadeel leidt door [eiser] uit de verplichtingen van die bedingen te ontslaan.
4.21.
Artikel 5 van Pro de vso wordt aangepast, in die zin dat CBRE de wettelijke transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW Pro aan [eiser] zal betalen. Het initiatief voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst is namelijk genomen door CBRE en het handelen van [eiser] kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als ernstig verwijtbaar beschouwd worden, zodat CBRE in ieder geval de transitievergoeding had moeten betalen (artikel 7:673 lid 1 sub a onder Pro 1o en lid 7 sub c BW). De kantonrechter heeft ambtshalve berekend dat die vergoeding € 32.139,79 bruto bedraagt. Ook artikel 6, 9, 16, en 17 van de vso worden gewijzigd, in de zin dat CBRE de daarin opgenomen vergoedingen niet aan [eiser] hoeft te betalen. Onder de gegeven omstandigheden is het voldoende aannemelijk dat CBRE, in ieder geval niet, naast de wettelijke transitievergoeding, ook nog een tekenbonus en aanvullend salaris bij (vervroegde) beëindiging van het dienstverband op 1 juli 2025 overeengekomen zou zijn, maar ook niet kosten voor juridische bijstand ( [eiser] wordt bijgestaan door een rechtsbijstandsverzekeraar) en voor opleiding ( [eiser] had immers meteen een nieuwe baan).
Nakoming van de vso en loonstroken
4.22.
CBRE zal op grond van de vso dus € 32.139,79 bruto aan [eiser] moeten betalen. De gevorderde betaling wordt daarom gedeeltelijk toegewezen. CBRE heeft de transitievergoeding niet (op tijd) betaald en moet daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro betalen. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen zoals gevorderd, dus vanaf de dagvaarding. Omdat [eiser] alleen in het lichaam van de dagvaarding en niet in het petitum de wettelijke verhoging heeft gevorderd, kan de wettelijke verhoging niet toegewezen worden.
4.23.
Ook de gevorderde veroordeling tot het verstrekken van loonstroken wordt toegewezen. CBRE is op grond van de wet namelijk verplicht om haar werknemers een specificatie te verstrekken van het betaalde loon (artikel 7:262 lid 1 BW Pro). Voor zover CBRE dat nog niet heeft gedaan, zal zij daartoe veroordeeld worden, maar zonder dwangsom. Daarvoor ziet de kantonrechter geen aanleiding. Omdat CBRE niet heeft aangevoerd de gevorderde termijn van vijf werkdagen na betekening voor haar niet haalbaar is, zal de kantonrechter die termijn aanhouden.
Schadevergoeding
4.24.
Omdat de subsidiaire vordering in reconventie niet in zijn geheel wordt toegewezen komt de kantonrechter toe aan de meer subsidiaire vordering in reconventie. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] de schade van CBRE moet vergoeden, wordt afgewezen. CBRE heeft haar schade onvoldoende onderbouwd. Bovendien bestaat een deel van de door haar gestelde schade uit advocaatkosten en de ontslagvergoeding. De advocaatkosten maken deel uit van de proceskostenveroordeling. Verder is hiervoor al geoordeeld dat CBRE de overeengekomen beëindigingsvergoeding niet hoeft te vergoeden en dat zij de transitievergoeding sowieso had moeten vergoeden.
Gegevens verwijderen
4.25.
CBRE heeft nog gevorderd [eiser] te veroordelen om de zakelijke en vertrouwelijke data van CBRE te verwijderen en verwijderd te houden van zijn persoonlijke e-mailadressen en andere persoonlijke opslaglocaties. Een dergelijke algemeen geformuleerde vordering is onvoldoende concreet en wordt daarom afgewezen. [eiser] heeft zich echter bereid getoond om bestanden te verwijderen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiser] daaraan gevolg geeft. Het zal dan onder meer gaan over de documenten genoemd in rechtsoverweging 4.3.
Buitengerechtelijke kosten
4.26.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten in conventie moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Hij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Dat [eiser] daarbij gebruik heeft gemaakt van zijn rechtsbijstandsverzekering verandert daar, anders dan CBRE stelt, niets aan. Dat de kosten door een verzekering worden gedekt, neemt namelijk niet weg dat [eiser] (of zijn verzekeraar) kosten heeft moeten maken en dus schade heeft geleden. [eiser] heeft gesteld dat hij (althans zijn rechtsbijstandsverzekeraar) geen btw kan verrekenen, zodat ook die over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen. De gevorderde vergoeding is, ook met btw, hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. In plaats van de gevorderde incassokosten wordt daarom € 1.326,64 als redelijk gemaakte kosten toegewezen.
De proceskosten
4.27.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan geen van partijen als de in het (grotendeels) ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt CBRE om aan [eiser] te betalen:
a. € 32.139,79 bruto vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
b. € 1.326,64 netto aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.2.
veroordeelt CBRE om aan [eiser] , binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, een deugdelijke en correcte bruto/netto-specificatie ter verstrekken van de nog door CBRE aan [eiser] verschuldigde bedragen,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.4.
wijzigt artikel 5 van Pro de vso in die zin dat CBRE de wettelijke transitievergoeding van € 32.139,79 bruto aan [eiser] moet betalen,
5.5.
wijzigt artikel 6, 9, 16 en 17 van de vso in die zin dat CBRE geen tekenbonus, geen aanvullend salaris van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025, hoeft te betalen en geen kosten voor juridische bijstand of opleiding/coaching aan [eiser] hoeft te betalen,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
zowel in conventie als in reconventie
5.7.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, op 21 mei 2026.
64183