Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5688

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
11774048 \ CV EXPL 25-9094
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deeltoewijzing vordering huurachterstand en proceskosten in huurovereenkomst

Gedaagden huren sinds februari 2024 een woning van eiser. Er is een huurachterstand ontstaan doordat gedaagden meerdere keren huur aan de voormalige verhuurder betaalden, waarvan een deel niet aan eiser is doorgestort. Eiser vordert betaling van de huurachterstand, rente, ontstoppingskosten en proceskosten. De kantonrechter beoordeelt de vordering na twee eiswijzigingen.

De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst aan het consumentenrecht en vernietigt het incassokostenbeding als oneerlijk, waardoor buitengerechtelijke incassokosten niet worden toegewezen. De huurprijs- en servicekostenbedingen worden als kernbedingen en transparant beoordeeld en niet vernietigd.

De kantonrechter stelt vast dat een betaling van 2 september 2025 aan de oude verhuurder is teruggestort en niet aan eiser is doorbetaald, waardoor een huurachterstand van € 851,82 resteert. Daarnaast worden de wettelijke rente en kosten voor het verhelpen van een verstopping toegewezen. De proceskosten worden aan gedaagden opgelegd omdat zij in het ongelijk zijn gesteld.

Het vonnis veroordeelt gedaagden tot betaling van de huurachterstand met rente, ontstoppingskosten en proceskosten, wijst het meer gevorderde af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van huurachterstand, rente, ontstoppingskosten en proceskosten, terwijl het incassokostenbeding wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11774048 \ CV EXPL 25-9094
Vonnis van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser] CV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde 1],
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats ] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. Y.H.M. van Mierlo.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 25 juni 2025, met producties,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • het instructievonnis van 18 september 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald,
  • de akte uitlating van [eiser] , met eiswijziging.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Voor [eiser] is, namens de gemachtigde, [gemachtigde 2] verschenen. [gedaagde 1] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde 2] is niet verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan zittingsaantekeningen gemaakt.
1.3.
Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om akte te nemen. [gedaagden] hebben op 19 februari 2026 akte genomen, met producties. Bij e-mail van 20 februari 2026 hebben [gedaagden] een aanvullende productie ingediend. Op 19 maart 2026 heeft [eiser] akte genomen, met producties, waarin zij haar eis nogmaals heeft gewijzigd. [gedaagden] zijn in de gelegenheid gesteld om op de producties te reageren, maar hebben dat niet gedaan. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2.De kern

2.1.
[gedaagden] huren sinds 1 februari 2024 van de (rechtsvoorganger van) [eiser] de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De huurprijs bedraagt momenteel € 1.404,37 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Er is een achterstand ontstaan in de huurbetalingen. Die achterstand is onder meer ontstaan, doordat [gedaagden] de huur een aantal keer aan de voormalige verhuurder hebben overgemaakt, in plaats van aan [eiser] . [eiser] vordert, na twee eiswijzigingen, dat [gedaagden] € 1.006,97 met rente en kosten, de lopende huur en de proceskosten aan haar moeten betalen. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] deels toe. Dat wordt hierna uitgelegd.

3.De beoordeling

Ambtshalve toetsing
3.1.
In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. [eiser] mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68 (
Dexia)).
3.2.
[eiser] heeft de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden in het geding gebracht, zodat de kantonrechter ambtshalve kan beoordelen of de bedingen die daarin staan een oneerlijk karakter hebben. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
3.3.
Het huurprijswijzigingsbeding (artikel 12 huurovereenkomst Pro) en het voorschotservicekostenwijzigingsbeding (artikel 17.13 algemene voorwaarden) zijn getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
3.4.
Ook het incassokostenbeding (artikel 25.2) is getoetst. Dit beding is oneerlijk. [gedaagden] hoeven als consumenten alleen de kosten op grond van de wettelijke regeling te betalen (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten). Artikel 25.2 noemt het Besluit wel, maar bepaalt ook dat [gedaagden] bij niet nakoming van de huurovereenkomst
allekosten moeten betalen die [eiser] in verband daarmee heeft gemaakt. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van [gedaagden] komen dan wettelijk is toegestaan. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en wordt vernietigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
Eiswijzigingen
3.5.
[eiser] vorderde bij dagvaarding dat de huurovereenkomst ontbonden zou worden en dat [gedaagden] veroordeeld zouden worden om de woning te ontruimen. Ook vorderde [eiser] dat [gedaagden] de huurachterstand van € 6.759,10, de (verschenen) rente, de incassokosten, de lopende huur en een gebruiksvergoeding zouden betalen. Net zoals de kosten van deze procedure. [eiser] heeft haar eis twee keer gewijzigd. [eiser] vordert geen ontbinding en ontruiming meer. De kantonrechter leidt daaruit af dat zij ook geen aanspraak meer maakt op een veroordeling tot betaling van de lopende huur tot aan het moment van ontbinding en van een gebruiksvergoeding na ontbinding. [eiser] vordert dus alleen nog betaling van € 1.006,97, met rente en kosten. Dit bedrag bestaat volgens [eiser] uit € 1.351,82 aan huurachterstand tot en met maart 2026, € 155,15 aan kosten voor het verhelpen van een verstopping in de spoelbak, minus een aflossing van € 500,- die [gedaagden] op 2 maart 2026 hebben betaald.
Huurachterstand
3.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] na de mondelinge behandeling meerdere bedragen, waaronder een bedrag van € 4.604,37, aan [eiser] hebben betaald. Ook is niet in geschil dat de oude verhuurder een huurbetaling, die [gedaagden] per ongeluk aan haar hadden overgemaakt, aan [eiser] heeft betaald. Volgens [gedaagden] is de huurachterstand daarmee volledig voldaan, terwijl [eiser] stelt dat er nog een achterstand is van € 1.351,82. De kantonrechter oordeelt dat er nog een huurachterstand is van € 851,82. Dat wordt hierna toegelicht.
3.7.
Het verschil van € 1.351,82 wordt veroorzaakt door de betaling van 2 september 2025 van het genoemde bedrag. [gedaagden] stellen dat deze betaling is verricht op het rekeningnummer van de oude verhuurder en aan [eiser] is doorgestort, zodat dit bedrag op de huurachterstand in mindering komt. [eiser] heeft betwist dat het bedrag naar haar is doorgestort en verwijst daarbij naar een e-mail van 19 februari 2026. In die e-mail, die is verzonden door de beheerder van de voormalige verhuurder, staat dat de betaling van 2 september 2025 aan [gedaagden] is teruggestort. [gedaagden] hebben niet meer op deze e-mail gereageerd, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. De kantonrechter stelt daarom vast dat de betaling van 2 september 2025 aan [gedaagden] is teruggestort. Zij concludeert dan ook dat de betaling van 2 september 2025 niet aan [eiser] is doorbetaald. Dat [gedaagden] het bedrag van € 1.351,82 daarna zelf aan [eiser] hebben overgemaakt is niet gesteld en ook niet gebleken.
3.8.
[gedaagden] hebben bij het berekenen van de huurachterstand dus ten onrechte € 1.351,82 op de huurachterstand in mindering gebracht. Dit betekent dat dit bedrag nog door hen aan [eiser] betaald moest worden. Volgens [eiser] hebben [gedaagden] op 2 maart 2026 een ‘aflossing’ van € 500,- aan [eiser] betaald. [eiser] heeft dat bedrag toegerekend aan de huurachterstand. Dit maakt dat er nog een huurachterstand resteert van € 851,82, berekend tot en met maart 2026. Dat bedrag zal toegewezen worden.
Rente
3.9.
Omdat [gedaagden] de huur te laat betaald hebben moeten zij over de huurachterstand de wettelijke rente betalen. [gedaagden] hebben de hoogte van de gevorderde verschenen rente van € 117,12 tot 17 juni 2025 niet betwist. Dat bedrag zal dus toegewezen worden. Ook de rente vanaf 17 juni 2025 wordt toegewezen, zoals hierna in de beslissing is vermeld.
Kosten verstopping spoelbak
3.10.
De gevorderde kosten voor het verhelpen van een verstopping in de spoelbak worden toegewezen. [eiser] heeft de vordering bij haar laatste akte ingesteld en daarbij een factuur van de gevorderde kosten overgelegd. [gedaagden] hebben niet op die productie gereageerd, hoewel zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. Zij hebben dus niets naar voren gebracht over het tijdstip waarop de vordering is ingesteld of over de juistheid van de in rekening gebrachte kosten. De kantonrechter stelt daarom vast dat de kosten zijn gemaakt en voor rekening komen van [gedaagden]
De proceskosten
3.11.
[gedaagden] hebben aangevoerd dat [eiser] haar eigen proceskosten zou moeten betalen omdat [gedaagden] in het voortraject onvoldoende is ingegaan op betalingsbewijzen van [gedaagden] Maar uit de stukken blijkt dat de achterstand voor het grootste deel is ontstaan doordat [gedaagden] zelf de huur hebben overgemaakt naar het verkeerde rekeningnummer, hoewel zij vanhet nieuwe rekeningnummer op de hoogte waren gebracht. Dit komt voor hun eigen rekening en risico. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om de proceskosten van [eiser] voor eigen rekening te laten komen. [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
3.12.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op: € 1.121.43, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 146,43), het griffierecht (€ 543,-), het salaris van de gemachtigde (2,5 punt x € 144,-) en de nakosten (€ 72,-).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen:
a. € 851,82 aan huurachterstand berekend tot en met maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf 17 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
b. € 117,12 aan verschenen rente tot 17 juni 2025,
c. € 155,15 aan ontstoppingskosten,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.121.43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 28 mei 2026.
64183