ECLI:NL:RBAMS:2026:57

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/13/770834 / HA ZA 25-1172
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • E.A. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:234 BWArt. 6:230c BWArt. 7:408 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering openstaande facturen na beëindiging overeenkomst beveiligingsdiensten

Eiser heeft beveiligingsdiensten geleverd aan Potato Club voor een uitgaansgelegenheid. Na financiële problemen bij Potato Club ontstond een betalingsachterstand. Eiser vorderde betaling van openstaande facturen, een opzegvergoeding, nalatigheidskosten en schadevergoeding wegens gederfde winst en reputatieschade.

De rechtbank oordeelde dat de algemene voorwaarden van eiser niet van toepassing zijn omdat deze niet op juiste wijze aan Potato Club zijn verstrekt. De vordering tot betaling van openstaande facturen werd gedeeltelijk toegewezen voor het resterende bedrag van € 6.993,93. De vorderingen tot betaling van een opzegvergoeding en nalatigheidskosten werden afgewezen omdat geen toepasselijkheid van de algemene voorwaarden bestond en ook geen grondslag in de branchegewoonte of redelijkheid en billijkheid.

De schadevergoeding wegens gederfde winst en reputatieschade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Daarnaast werden beslagkosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen aan eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedeeltelijke toewijzing vordering openstaande facturen en afwijzing overige vorderingen wegens niet-toepasselijkheid algemene voorwaarden en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/770834 / HA ZA 25-1172
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.G.E. de Vries,
tegen
POTATO CLUB B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Potato Club,
advocaat: mr. T.M. Vollbehr.

1.Korte samenvatting

1.1.
[eiser] heeft in opdracht van Potato Club van 27 december 2023 tot 7 mei 2025 de beveiliging verzorgd voor uitgaansgelegenheid ‘ [nachtclub] ’ in [plaats] . [eiser] vordert in deze procedure betaling van € 30.287,83 aan openstaande facturen. Een deel van deze facturen is hangende deze procedure alsnog betaald; dit deel wordt op de vordering van [eiser] in mindering gebracht. Voor het resterende deel (€ 6.993,93) wijst de rechtbank deze vordering toe.
1.2.
[eiser] vordert hiernaast ook betaling van een opzegvergoeding, nalatigheidskosten en schadevergoeding vanwege gederfde winst en/of reputatieschade. Deze vorderingen zijn met name gebaseerd op de algemene voorwaarden van [eiser] . De rechtbank oordeelt dat die algemene voorwaarden tussen partijen niet van toepassing zijn. Hoewel de rechtbank ziet, en door Potato Club ook is erkend, dat [eiser] zich flexibel en coulant heeft opgesteld en met Potato Club heeft gezocht naar een werkbare oplossing voor de ontstane betalingsproblematiek, bestaat hiermee naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor toewijzing van de vorderingen tot betaling van een opzegvergoeding en nalatigheidskosten, ook niet uit hoofde van de gestelde gewoonte binnen de branche en de eisen van redelijkheid en billijkheid. De vordering tot betaling van schadevergoeding op grond van gederfde winst en/of reputatieschade wordt afgewezen, omdat deze vordering niet voldoende is onderbouwd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 juni 2025;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 3 september 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 november 2025, en de daarin genoemde processtukken; en
- de brief van [eiser] van 23 december 2025.
2.2.
[eiser] heeft op 18 november 2025 een akte overgelegd met aanvullende producties 12 tot en met 14. Potato Club heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Zoals aangekondigd tijdens de mondelinge behandeling, neemt de rechtbank in dit vonnis (mede) een beslissing over het toelaten van deze stukken.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] exploiteert onder de naam van [handelsnaam] een onderneming die onder meer actief is binnen de (particuliere) beveiligingsbranche.
3.2.
Potato Club exploiteert een uitgaansgelegenheid genaamd de [nachtclub] in [plaats] .
3.3.
Sinds 27 december 2023 levert [eiser] beveiligers voor de [nachtclub] . Via Whatsapp-berichten hebben [eiser] en Potato Club afspraken gemaakt over het toepasselijke uurtarief en de dagen en tijden waarop de beveiligers van [eiser] voor de [nachtclub] zouden werken. Hiernaast heeft [eiser] Potato Club op 4 januari 2024 een samenwerkingsovereenkomst toegestuurd, die door partijen niet is ondertekend. Bovenaan de tweede pagina van deze samenwerkingsovereenkomst staat:
“In deze overeenkomst wordt ter aanvulling op de –leidende- Algemene Voorwaarden de samenwerking met bijbehorende rechten, verplichtingen en eventuele aanvullende afspraken c.q. bepalingen weerlegd.”
3.4.
Op enig moment zijn bij Potato Club financiële problemen ontstaan en is zij opgehouden de facturen van [eiser] (binnen de geldende betalingstermijn) te betalen. Tussen [eiser] en Potato Club zijn meermaals afspraken gemaakt over het inlopen van de betalingsachterstand die daardoor is ontstaan. Potato Club is ook deze betalingsafspraken niet geheel nagekomen.
3.5.
Op 22 april 2025 heeft [eiser] Potato Club opnieuw een betalingsvoorstel gedaan en Potato Club daarbij het volgende bericht:
“[…] Ik verneem graag vandaag per mailbericht of jij hiermee instemt. Mocht dit onverhoopt niet het geval zijn, zal ik ook geen mensen meer kunnen leveren. Uiteraard staat het jou/jullie alsdan ook niet vrij aan mij gelieerde beveiligers direct dan wel indirect te benaderen en/of in te zetten, zowel nu als in de toekomst.”
3.6.
Potato Club heeft hierna verschillende betalingen verricht, maar er bleef sprake van een betalingsachterstand. Eind april / begin mei 2025 hebben Potato Club en [eiser] telefonisch met elkaar gesproken over de financiële situatie. Hierna heeft Potato Club [eiser] op 6 mei 2025 het volgende bericht:
“Zoals besproken hierbij nog even ons voorstel per mail.
We zullen ervoor zorgen dat de achterstand binnen anderhalve maand is ingelopen. Om dit haalbaar te maken, moeten we op zoek naar een beveiligingsbedrijf met een lager uurtarief.
Daarom zullen we helaas de samenwerking per direct moeten beëindigen. […]”
3.7.
Op 7 mei 2025 heeft [eiser] hierop als volgt gereageerd:
“Dit laat zich uiteraard niet bestempelen als een ‘voorstel’; laat staan redelijk. Integendeel, ik meen mij hiermee door jouw/ Potato Club B.V. in het spreekwoordelijke ‘ootje’ genomen. Immers betreft het hier een eenzijdige opzegging met onmiddellijke ingang terwijl hiertoe geen rechtsgeldige grond aanwezig. Derhalve leidt dit zonder meer tot aansprakelijkheid en schadeplichtigheid van Potato Club B.V., inclusief bestuur. Andersom wordt kennelijk niet langer van mij verwacht beveiligers ter beschikking te stellen.”
3.8.
Daarbij heeft [eiser] Potato Club gesommeerd tot onmiddellijke betaling van € 142.572,26, bestaande uit de op dat moment nog openstaande facturen van € 38.517,12 en vergoedingen voor zes maanden omzetverlies, reputatieschade, nalatigheidskosten, wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.9.
Sindsdien heeft [eiser] geen beveiligingsdiensten meer geleverd aan Potato Club.
3.10.
Op of omstreeks 7 mei 2025 heeft Potato Club [eiser] laten weten dat zij het bedrag van € 38.517,12 aan openstaande facturen erkent, maar dat zij voor de overige vorderingen geen grondslag kan vinden in de samenwerkingsovereenkomst.
3.11.
Op 21 mei 2025 heeft [eiser] zich gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank om verlof te vragen voor het leggen van (repeterend) conservatoir beslag op verschillende bankrekeningen van Potato Club. De voorzieningenrechter heeft verlof verleend tot het factuurbedrag dat op dat moment nog openstond, inclusief rente en kosten (€ 45.870,-). [eiser] heeft hierna op 23 mei, 26 mei, 27 mei en 2 juni 2025 bankbeslag doen leggen op de bankrekeningen van Potato Club.
3.12.
[eiser] heeft Potato Club op 6 juni 2025 gedagvaard. Nadien heeft Potato Club nog een bedrag van € 23.293,90 voldaan.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat Potato Club, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag dat vanwege proceseconomische redenen tot € 100.000,- is gemaximeerd, vermeerderd met wettelijke handelsrente en veroordeling van Potato Club in de proceskosten. [eiser] baseert dit bedrag op de volgende (deel)vorderingen:
€ 30.287,83 aan onbetaalde facturen, uit hoofde van nakoming;
€ 66.000,- aan omzetverlies (‘opzegvergoeding’), dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag met een minimum van € 33.000,-, uit hoofde van toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad;
€ 10.586,35 aan nalatigheidskosten, zoals omschreven in artikel 5, lid 8 van de algemene voorwaarden van [eiser] , althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
€ 25.000,- aan (im)materiële schadevergoeding voor gederfde winst en/of reputatieschade, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
€ 2.147,75 aan buitengerechtelijke incassokosten.
4.2.
Potato Club voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank zal achtereenvolgens bespreken: (i) de toelaatbaarheid van de akte van [eiser] , met producties 12 tot en met 14, (ii) de openstaande facturen, (iii) de inhoud van de overeenkomst tussen [eiser] en Potato Club, inclusief de algemene voorwaarden, (iv) de opzegvergoeding, (v) de nalatigheidskosten en (vi) de schadevergoeding wegens gederfde winst en reputatieschade. Tot slot, zal de rechtbank beoordelen of [eiser] recht heeft op vergoeding van de wettelijke handelsrente, beslagkosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
I. De akte van 18 november 2025 wordt toegelaten
5.2.
[eiser] heeft op 18 november 2025, dus twee dagen voor de mondelinge behandeling, een akte ingediend met de volgende drie producties:
  • productie 12: een verklaring van [naam 1] , oud-werknemer van [eiser] , waarin zij aangeeft dat de algemene voorwaarden van [eiser] al in 2020 op zijn website stonden;
  • productie 13: een verklaring van [naam 2] , werkzaam voor [eiser] , waarin staat dat Potato Club tijdens een gesprek in januari 2024 heeft aangegeven de algemene voorwaarden te hebben gelezen en hiermee akkoord te zijn;
  • productie 14: een e-mail van Potato Club met het verzoek facturatie wekelijks in plaats van maandelijks te doen plaatsvinden.
5.3.
Potato Club heeft inhoudelijk bezwaar gemaakt tegen het indienen van deze stukken, kort gezegd omdat de producties betrekking hebben op nieuwe stellingen en Potato Club geen gelegenheid had gehad deze producties voorafgaand aan de mondelinge behandeling te bestuderen. De rechtbank overweegt als volgt.
5.4.
Op grond van artikel 87, lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dienen processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding dan wel conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding te worden gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Dit betekent dat stukken die binnen de tien-dagentermijn worden ingebracht, in beginsel niet worden toegelaten, tenzij het niet toelaten in strijd zou zijn met de goede procesorde.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verklaringen van mevrouw [naam 1] (productie 12) en de heer [naam 2] (productie 13) van belang zijn voor de beoordeling van het geschil. De rechtbank zal het verzoek van [eiser] om producties 12 en 13 toe te voegen aan het dossier daarom toewijzen. Daarbij ziet de rechtbank ervan af Potato Club gelegenheid te bieden zich (alsnog) over deze stukken uit te laten, omdat zij daar gelet op de hierna volgende overwegingen geen belang bij heeft.
5.6.
[eiser] heeft niet toegelicht waarom de e-mail van Potato Club over de wijze van factureren (productie 14) relevant is voor de beoordeling van zijn vorderingen. Gelet op artikel 87, lid 6 Rv zal deze productie daarom buiten beschouwing worden gelaten.
Tussenconclusie
5.7.
De rechtbank voegt de akte aanvullende producties van [eiser] , met producties 12 en 13, toe aan het procesdossier. Productie 14 wordt daaraan niet toegevoegd.
II. De openstaande facturen zijn gedeeltelijk betaald
5.8.
[eiser] heeft in de dagvaarding gesteld dat Potato Club op dat moment nog een bedrag van € 30.287,83 aan hem verschuldigd was. Dit heeft Potato Club erkend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] echter aangegeven dat dit bedrag onjuist is en dat het bedrag aan openstaande facturen op de datum van dagvaarding (6 juni 2025) € 38.517,12 bedroeg. Potato Club betwist dit. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
5.9.
[eiser] baseert het bedrag van € 38.517,12 op zijn sommatiebrief van 7 mei 2025 en de e-mail van Potato Club van (omstreeks) dezelfde datum. In deze e-mail erkent Potato Club dat op dat moment een bedrag van € 38.517,12 openstaat. Uit de betalingsbewijzen van Potato Club volgt echter dat zij in de periode tussen 7 mei 2025 (sommatie) en 6 juni 2025 (dagvaarding) eerst € 3.229,29 en daarna € 5.000,- aan [eiser] heeft betaald (totaal: € 8.229,29). Dit is door [eiser] ook erkend in zijn pleitnota voor de mondelinge behandeling. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat deze twee betalingen het verschil verklaren tussen het bedrag dat in de sommatiebrief wordt genoemd (€ 38.517,12) en het bedrag dat in de dagvaarding wordt genoemd
(€ 38.517,12 – € 8.229,29 = € 30.287,83). Uitgaande van de facturen die [eiser] heeft overlegd, staat hiermee dus vast dat op het moment van dagvaarden nog een bedrag openstond van € 30.287,83. Voor zover [eiser] op andere gronden meent dat op het moment van dagvaarden een hoger bedrag aan onbetaalde facturen openstond, heeft [eiser] dit niet voldoende onderbouwd en evenmin zijn eis schriftelijk vermeerderd.
5.10.
Potato Club heeft aangevoerd dat zij het bedrag van € 30.287,83 inmiddels volledig heeft voldaan. Uit de door Potato Club overgelegde betalingsbewijzen volgt dat zij na dagvaarding (6 juni 2025) verschillende betalingen heeft verricht, maar tot een bedrag van
€ 23.293,90. [eiser] heeft de ontvangst van deze betalingen niet betwist. Uitgaande van het bedrag van € 30.287,83, staat daarmee een bedrag van € 30.287,83 - € 23.293,90 =
€ 6.993,93 nog open.
Tussenconclusie
5.11.
De rechtbank wijst de vordering van [eiser] uit hoofde van onbetaalde facturen toe tot een bedrag van € 6.993,93. Voor het overige, wijst de rechtbank deze vordering af.
III. De inhoud van de overeenkomst
5.12.
De overeenkomst tussen [eiser] en Potato Club is via Whatsapp tot stand gekomen. Vervolgens heeft [eiser] op 4 januari 2024 op verzoek van Potato Club een samenwerkingsovereenkomst toegestuurd. Daarin is een verwijzing opgenomen naar zijn algemene voorwaarden. Deze samenwerkingsovereenkomst is nooit ondertekend. De vraag doet zich daarmee voor wat de inhoud is van de overeenkomst die tussen [eiser] en Potato Club is gesloten.
5.13.
Tussen partijen is de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst zelf niet in geschil. De daarin opgenomen afspraken komen namelijk overeen met de afspraken die partijen via Whatsapp met elkaar hebben gemaakt over (o.a.) het uurtarief en de inzet van beveiligers. Potato Club betwist echter de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [eiser] en, daarmee, de grondslag voor de vorderingen tot betaling van een opzegvergoeding en nalatigheidskosten. Het klemmende punt van geschil is of Potato Club een redelijke mogelijkheid is geboden van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Daarnaast betwist Potato Club dat de verwijzing in de samenwerkingsovereenkomst voldoende (duidelijk) is om de algemene voorwaarden van toepassing te verklaren. De rechtbank overweegt als volgt.
De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing
5.14.
Op grond van artikel 6:233 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn algemene voorwaarden vernietigbaar als de gebruiker daarvan (hier: [eiser] ) de wederpartij geen redelijke mogelijkheid heeft geboden daarvan kennis te nemen. Voor de beoordeling van de vraag of hiertoe een redelijke mogelijkheid is geboden, heeft de wetgever in artikel 6:234 BW Pro als uitgangspunt geformuleerd dat de gebruiker van de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst een afschrift van de algemene voorwaarden aan de wederpartij ter hand moet stellen (lid 1, onder a), dan wel langs elektronische weg toegankelijk moet maken op een door de gebruiker daarvan medegedeeld adres (lid 1, onder b j.o. art. 6:230c BW). Daarbij geldt, in afwijking van de hoofdregel uit artikel 150 Rv Pro, dat de gebruiker van de algemene voorwaarden ( [eiser] ) dient te bewijzen dat aan deze wettelijke voorschriften is voldaan.
5.15.
[eiser] stelt dat hij, voorafgaand aan het toesturen van de samenwerkingsovereenkomst, zijn algemene voorwaarden fysiek aan Potato Club heeft overhandigd. [eiser] verwijst hiervoor naar de verklaring van de heer [naam 2] , die [eiser] bij akte van 18 november 2025 heeft overgelegd. Volgens deze verklaring zijn de algemene voorwaarden tijdens een gesprek in januari 2024 op het kantoor van Potato Club besproken, waarbij Potato Club mondeling heeft aangegeven de algemene voorwaarden te hebben gelezen en hiermee akkoord te zijn. Potato Club betwist dit. De enige bespreking die volgens haar heeft plaatsgevonden was er een waarbij met alle bewakers een rondje is gelopen door de [nachtclub] om te kijken waar de nooduitgangen etc. zijn. Hierbij zijn volgens Potato Club geen algemene voorwaarden overhandigd.
5.16.
De verklaring van de heer [naam 2] het enige stuk waaruit volgt dat een bespreking over de algemene voorwaarden heeft plaatsgevonden. Dat dit gesprek heeft plaatsgevonden volgt niet uit andere stukken, zoals de Whatsapp-correspondentie die door Potato Club is overgelegd, waarin wel op andere punten afspraken zijn gemaakt over de samenwerking tussen [eiser] en Potato Club. Daarbij vindt de rechtbank het opvallend dat [eiser] in de dagvaarding niets over dit gesprek heeft gezegd, terwijl [eiser] hier zelf ook bij aanwezig zou zijn geweest. Dit had, mede gelet op artikel 87, lid 6 Rv, wel voor de hand gelegen. Ook wordt in de dagvaarding niets gezegd over het (op enig moment) overhandigen van de algemene voorwaarden aan Potato Club, terwijl [eiser] op dat moment al bekend was met het standpunt van Potato Club. Het feit dat [eiser] pas bij akte van 18 november 2025 – enkele dagen voor de mondelinge behandeling – stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat dit is gebeurd, doet af aan de geloofwaardigheid daarvan. Dat de verklaring van de heer [naam 2] op verzoek van [eiser] is opgesteld, zoals hij ter zitting heeft erkend, draagt daaraan bij. Een en ander brengt mee dat de rechtbank geen waarde hecht aan de verklaring van de heer [naam 2] . Dientengevolge heeft [eiser] zijn stelling met betrekking tot het overhandigen van de algemene voorwaarden onvoldoende onderbouwd.
5.17.
Hier staat tegenover dat Potato Club de stelling dat de algemene voorwaarden aan haar zijn overhandigd en door haar zijn aanvaard, gemotiveerd heeft betwist. [eiser] heeft daarbij niet aangeboden nader bewijs te leveren van zijn stellingen. De summiere onderbouwing, in combinatie met het ontbreken van een concreet bewijsaanbod, maken dat de rechtbank geen aanleiding ziet dit punt nader te onderzoeken. Hiermee staat vast dat [eiser] de algemene voorwaarden niet aan Potato Club ter hand heeft gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:234, lid 1 onder a BW.
5.18.
Vast staat ook dat de algemene voorwaarden niet aan Potato Club zijn toegezonden. Hoewel [eiser] stelt dat Potato Club van de algemene voorwaarden kennis kon nemen via de website van [eiser] c.q. [handelsnaam] , is in de samenwerkingsovereenkomst en de facturen geen verwijzing opgenomen naar deze online vindplaats. Daarmee staat ook vast dat [eiser] de algemene voorwaarden niet langs elektronische weg voor Potato Club toegankelijk heeft gemaakt.
5.19.
Wat overblijft is de stelling van [eiser] dat ook als de algemene voorwaarden niet (op de juiste wijze) aan Potato Club zijn verstrekt, zij hier desalniettemin mee bekend was. Volgens [eiser] blijkt dit uit de twee ‘screenshots’ van de website van [eiser] c.q. [handelsnaam] , die Potato Club zelf heeft overgelegd: één van hoe de website er tussen december 2021 en december 2023 uitzag en één van hoe de website er nu uitziet.
5.20.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Potato Club heeft betwist dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was met de algemene voorwaarden van [eiser] . Daarbij heeft zij gemotiveerd toegelicht dat zij de genoemde screenshots ten behoeve van deze procedure heeft gemaakt door een zoekslag in een zogeheten ‘web archive’. Daardoor was het mogelijk om te zien hoe de website van [eiser] c.q. [handelsnaam] er in het verleden uitzag. Potato Club wilde hiermee aantonen dat (het erop lijkt dat) de algemene voorwaarden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de website van [eiser] stonden, anders zijn dan die nu op de website staan, aldus Potato Club. Of dat het geval is, kan in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Potato Club de stelling dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was met de algemene voorwaarden, gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze stelling heeft [eiser] geen concreet aanbod gedaan tot het leveren van nader bewijs. Daarmee staat vast dat Potato Club ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ook niet langs een andere weg bekend was met de algemene voorwaarden van [eiser] .
Tussenconclusie
5.21.
De algemene voorwaarden van [eiser] zijn op grond van artikel 6:233 BW Pro vernietigbaar. De vraag of de algemene voorwaarden op de juiste wijze van toepassing zijn verklaard op de overeenkomst, behoeft daarmee geen bespreking meer. De rechtbank zal in de hierop volgende paragrafen bespreken wat dit betekent voor de vorderingen van [eiser] tot betaling van een opzegvergoeding en nalatigheidskosten, die beide (mede) op de algemene voorwaarden van [eiser] zijn gebaseerd.
IV. Potato Club is geen opzegvergoeding verschuldigd
5.22.
Volgens [eiser] was Potato Club niet bevoegd de overeenkomst (per direct) op te zeggen en is zij daarom een opzegvergoeding verschuldigd. Primair, baseert [eiser] zich hierbij op zijn algemene voorwaarden, waarin een opzegtermijn van zes maanden is opgenomen. Uitgaande van een gemiddelde maandomzet van € 11.000,-, komt de opzegvergoeding volgens [eiser] neer op 6 x € 11.000 = € 66.000,-. Subsidiair, geldt volgens [eiser] in ieder geval een opzegtermijn van drie maanden (3 x € 11.000 = € 33.000,-), omdat dat gebruikelijk is binnen de branche en/of volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank overweegt als volgt.
5.23.
Uit artikel 7:408 BW Pro volgt dat een opdrachtgever een overeenkomst van opdracht die voor onbepaalde tijd is aangegaan op elk moment mag opzeggen. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst tussen [eiser] en Potato Club is aangegaan voor onbepaalde tijd. Uit de Whatsapp-correspondentie noch de samenwerkingsovereenkomst blijkt dat partijen over deze opzegbevoegdheid andere afspraken hebben gemaakt. Dit betekent dat, anders dan [eiser] stelt, Potato Club bevoegd was de overeenkomst op te zeggen. De vraag die moet worden beantwoord is of Potato Club in dat verband een vergoeding aan Groenwoud verschuldigd is.
5.24.
Zoals blijkt uit 5.14-5.21, heeft de rechtbank vastgesteld dat de algemene voorwaarden van [eiser] vernietigbaar zijn en dus niet van toepassing zijn op de overeenkomst die tussen [eiser] en Potato Club is gesloten. De opzegvergoeding kan daarom niet op de algemene voorwaarden van [eiser] worden gebaseerd. Voor zover [eiser] stelt dat Potato Club een opzegvergoeding verschuldigd is, omdat dit gebruikelijk is in de beveiligingsbranche en/of volgt uit de redelijkheid en billijkheid, overweegt de rechtbank als volgt.
Is een opzegtermijn van 3-6 maanden gebruikelijk in de beveiligingsbranche?
5.25.
Op grond van artikel 6:248 BW Pro heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voorvloeien. Een gewoonte kan betrekking hebben op wat in een bepaalde branche gebruikelijk is. De maatstaf die daarbij geldt, is dat iets in een bepaalde branche zo gebruikelijk is, dat de gewoonte iedereen die zich in die branche beweegt daaraan bindt. Op grond van artikel 150 Rv Pro moet (in beginsel) de partij die zich op de aanvullende werking van het gewoonterecht beroept (hier: [eiser] ) zowel het bestaan als de inhoud van de gewoonte stellen en zo nodig bewijzen.
5.26.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat een opzegtermijn van 3-6 maanden gebruikelijk is in de beveiligingsbranche, verwijst [eiser] naar de algemene voorwaarden van drie beveiligingsbedrijven die een opzegtermijn van 3-6 maanden hanteren. De rechtbank kan enkel op basis hiervan echter niet beoordelen of deze voorwaarden ook representatief zijn voor de hele branche. Dat er beveiligingsbedrijven zijn die een opzegtermijn van 3-6 maanden hanteren, is op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat dat zo gebruikelijk is, dat iedereen die zich in die branche beweegt, daaraan gebonden is (dus ook als dat niet expliciet is afgesproken). Daar komt bij dat Potato Club gemotiveerd heeft toegelicht dat zowel het beveiligingsbedrijf dat vóór [eiser] de beveiliging deed voor de [nachtclub] , als het huidige beveiligingsbedrijf, geen opzegtermijn hanteert. Dit suggereert dat binnen de beveiligingsbranche verschillende voorwaarden worden gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank, heeft Potato Club hiermee voldoende gemotiveerd betwist dat een opzegtermijn (van 3-6 maanden of anderszins) gebruikelijk is in de beveiligingsbranche. Daar staat tegenover dat [eiser] geen concreet aanbod heeft gedaan nader bewijs te leveren van deze stelling. De rechtbank ziet daarmee geen aanleiding dit standpunt nader te onderzoeken. Voor zover de vordering tot betaling van een opzegvergoeding gebaseerd is op wat in de branche gebruikelijk is, is deze dus niet toewijsbaar.
Geven de eisen van redelijkheid en billijkheid recht op een opzegvergoeding?
5.27.
Op grond van artikel 6:248 BW Pro kunnen, naast de gewoonte, ook uit de eisen van redelijkheid en billijkheid regels voortvloeien die gelden in aanvulling op wat partijen expliciet met elkaar hebben afgesproken. Wat de redelijkheid en billijkheid precies meebrengen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
5.28.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, was Potato Club bevoegd de overeenkomst met [eiser] op te zeggen. Het initiatief voor de opzegging c.q. beëindiging van de overeenkomst lag echter niet bij Potato Club, maar bij [eiser] . Uit de e-mail van 22 april 2025 volgt namelijk dat [eiser] zelf voorwaarden heeft gesteld aan de voorzetting van de overeenkomst. Daarbij heeft hij aangegeven dat als Potato Club niet zou instemmen met het betalingsvoorstel dat op dat moment voorlag, [eiser] ook geen mensen meer zou kunnen leveren. [eiser] heeft hierbij niets gezegd over een opzegtermijn. Pas nadat [eiser] voorwaarden had gesteld aan de voortzetting van de overeenkomst, en bleek dat Potato Club (wederom) niet aan die voorwaarden – de betalingsafspraken – kon voldoen, heeft Potato Club de overeenkomst bij e-mail van 6 mei 2025 beëindigd.
5.29.
Daar komt bij dat uit de door Potato Club overgelegde Whatsapp-berichten noch de samenwerkingsovereenkomst volgt dat partijen hebben afgesproken dat Potato Club een bepaalde ‘afnameplicht’ had (bijvoorbeeld dat Potato Club een minimum aantal bewakers van [eiser] te werk zou stellen voor een minimum aantal uren per maand). In de samenwerkingsovereenkomst is juist opgenomen dat dit “per desbetreffende dienst/per desbetreffend rooster” zou worden bepaald. [eiser] heeft niet gemotiveerd gesteld dat deze afspraak er op enig moment (ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst) wel was. Gelet op de financiële situatie waarin Potato Club zich al langere tijd bevond, lijkt dat de rechtbank ook onwaarschijnlijk. De vrijblijvendheid van de dienstverlening verhoudt zich niet tot een vergoeding bij opzegging daarvan.
5.30.
Bovengenoemde omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid niet volgt dat Potato Club een opzegtermijn in acht had moeten nemen en/of een opzegvergoeding verschuldigd is. De vordering tot betaling van een opzegvergoeding is ook om deze reden niet toewijsbaar.
Tussenconclusie
5.31.
De rechtbank wijst de vordering tot betaling van een opzegvergoeding af.
V. Potato Club is geen nalatigheidskosten verschuldigd
5.32.
[eiser] vordert betaling van € 10.586,35 aan nalatigheidskosten, zoals omschreven in artikel 5, lid 8 van de algemene voorwaarden van [eiser] , althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag. Deze vordering wordt door Potato Club betwist.
5.33.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zijn de algemene voorwaarden van [eiser] vernietigbaar. Dat betekent dat ook de vordering tot betaling van nalatigheidskosten op grond van de algemene voorwaarden niet toewijsbaar is. Over de nalatigheidskosten zijn geen afspraken opgenomen in de door Potato Club overgelegde Whatsapp-berichten, noch in de samenwerkingsovereenkomst. Voor zover [eiser] heeft willen stellen dat ook de nalatigheidskosten hun grondslag vinden in de redelijkheid en billijkheid, miskent [eiser] dat de wetgever de vergoeding voor de vertraagde betaling van een geldsom heeft gefixeerd op de wettelijke (handels)rente, die [eiser] ook heeft gevorderd (zie hierover 5.40 hierna). De vordering tot betaling van nalatigheidskosten is daarom ook op grond van de redelijkheid en billijkheid niet toewijsbaar.
Tussenconclusie
5.34.
De rechtbank wijst de vordering tot betaling van nalatigheidskosten af.
VI. De vordering tot schadevergoeding is onvoldoende onderbouwd
5.35.
[eiser] vordert betaling van (im)materiële schadevergoeding voor gederfde winst en/of reputatieschade, begroot op € 25.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag. Volgens [eiser] mocht hij verwachten dat hij minimaal drie jaren omzet/winst zou genereren met het aangaan van de overeenkomst met Potato Club en heeft hij hiervoor ook extra personeel aangenomen. Deze omzet loopt hij wegens het beëindigen van de overeenkomst mis. Daarnaast stelt [eiser] dat andere opdrachtgevers en beveiligingsbedrijven op de hoogte zijn geraakt van het geschil tussen Potato Club en [eiser] en dat het aantal nieuwe opdrachten daardoor terugloopt. Potato Club heeft beide vorderingen betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
5.36.
Op grond van artikel 150 Rv Pro rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van gederfde winst en/of reputatieschade op [eiser] . Zoals de rechtbank onder 5.29 al heeft overwogen, heeft [eiser] niet voldoende gesteld dat op grond van de overeenkomst op Potato Club een bepaalde ‘afnameverplichting’ zou rusten. [eiser] heeft zijn stelling dat hij mocht verwachten dat hij met de overeenkomst met Potato Club minstens drie jaar omzet/winst zou genereren, ook in dit kader niet (voldoende) toegelicht. [eiser] heeft hiermee niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. De vordering tot vergoeding van schade door gederfde winst is daarom niet toewijsbaar.
5.37.
Hetzelfde geldt voor de vordering tot vergoeding van reputatieschade. [eiser] heeft wel gesteld dat het aantal aanvragen is teruggelopen en/of nieuwe opdrachten uitblijven, maar heeft niet toegelicht waar dit uit blijkt en/of dit met stukken onderbouwd. De rechtbank heeft daarmee onvoldoende handvatten om vast te stellen of van reputatieschade sprake is en, zo ja, wat de hoogte daarvan is. Ook de vordering tot vergoeding van reputatieschade is daarom niet toewijsbaar.
5.38.
Uit de verklaringen van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling begrijpt de rechtbank dat de vorderingen tot (im)materiële schadevergoeding mede verband houden met stelling dat Potato Club beveiligers die bij [eiser] in dienst zijn of waren, heeft benaderd om voor Potato Club te werken. Potato Club heeft dit gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding dit verder uit te zoeken, omdat [eiser] niet heeft gesteld dat hij hierdoor schade heeft geleden, althans deze schade niet heeft onderbouwd.
Tussenconclusie
5.39.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van (im)materiële schadevergoeding af.
VII. Wettelijke handelsrente
5.40.
Op grond van het voorgaande wordt een bedrag van € 6.993,93 toegewezen aan onbetaalde facturen. Ook de wettelijke handelsrente wordt toegewezen, over het bedrag van € 6.993,93 vanaf de vervaldatum tot aan de datum van volledige betaling. Over de facturen die na datum dagvaarding (6 juni 2025) door Potato Club zijn betaald (€ 23.293,90), is ook wettelijke handelsrente verschuldigd, eveneens vanaf de vervaldatum van de betreffende factuur tot de datum van betaling van (het betreffende deel van) de factuur. Voor de berekening van de wettelijke handelsrente gaat de rechtbank ervan uit dat op de datum van dagvaarding de meest recente facturen tot een bedrag van € 30.287,83 nog openstonden, en dat de oudere facturen op dat moment reeds waren betaald (zie ro. 5.8-5.11). Deze facturen zijn opgenomen in onderstaand overzicht 1. De betalingen die door Potato Club zijn gedaan sinds dagvaarding zijn opgenomen in overzicht 2.
Overzicht 1: openstaande facturen
Factuurnr.
Bedrag
Vervaldatum
[factuurnummer 1]
€ 2.902,19
12-5-2025
[factuurnummer 2]
€ 5.853,56
6-5-2025
[factuurnummer 3]
€ 1.793,22
27-4-2025
[factuurnummer 4]
€ 2.052,77
20-4-2025
[factuurnummer 5]
€ 2.642,64
14-4-2025
[factuurnummer 6]
€ 4.152,72
7-4-2025
[factuurnummer 7]
€ 2.099,95
30-3-2025
[factuurnummer 8]
€ 1.934,79
26-3-2025
[factuurnummer 9]
€ 2.005,58
19-3-2025
[factuurnummer 10]
€ 2.501,07
10-3-2025
[factuurnummer 11] (restant)
€ 2.349,34
2-3-2025
Totaal
€ 30.287,83
Overzicht 2: betalingen door Potato Club sinds dagvaarding
Datum
Bedrag
8-7-2025
€ 1.250,00
15-7-2025
€ 1.250,00
29-7-2025
€ 1.250,00
5-8-2025
€ 1.250,00
12-8-2025
€ 1.250,00
19-8-2025
€ 1.250,00
26-8-2025
€ 1.250,00
9-9-2025
€ 1.250,00
16-9-2025
€ 1.250,00
23-9-2025
€ 1.250,00
30-9-2025
€ 1.250,00
7-10-2025
€ 1.250,00
14-10-2025
€ 1.250,00
21-10-2025
€ 1.250,00
12-11-2025
€ 5.793,90
Totaal
€ 23.293,90
VIII. Beslagkosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
5.41.
[eiser] heeft op 23 mei, 26 mei, 27 mei en 2 juni 2025 bankbeslag doen leggen op verschillende bankrekeningen van Potato Club. [eiser] heeft op grond van artikel 706 Rv Pro recht op vergoeding van de beslagkosten. Op basis van de beslagexploten die [eiser] heeft overgelegd, stelt de rechtbank de deurwaarderskosten vast op € 2.514,19:
Exploot
Kosten
Exploot van conservatoir bankbeslag onder Rabobank d.d. 23 mei 2025
€ 299,93
Exploot van conservatoir bankbeslag onder ING Bank d.d. 23 mei 2025
€ 299,93
Exploot van conservatoir bankbeslag onder ING Bank d.d. 26 mei 2025
€ 299,93
Exploot van conservatoir bankbeslag onder Rabobank d.d. 26 mei 2025
€ 299,93
Exploot van conservatoir bankbeslag onder ABN Amro d.d. 27 mei 2025
€ 299,93
Exploot van conservatoir bankbeslag onder Rabobank d.d. 27 mei 2025
€ 299,93
Exploot van conservatoir bankbeslag onder ING Bank d.d. 27 mei 2025
€ 299,93
Exploot van betekening verzoekschrift en beslagbeschikking en processen-verbaal van het leggen van conservatoir bankbeslag aan Potato Club d.d. 2 juni 2025
€ 103,67
Exploot van betekening dagvaarding aan ING Bank d.d. 12 juni 2025
€ 103,67
Exploot van betekening dagvaarding aan Rabobank d.d. 12 juni 2025
€ 103,67
Exploot van betekening dagvaarding aan ABN Amro d.d. 12 juni 2025
€ 103,67
Totaal
€ 2.514,19
5.42.
Het griffierecht voor het beslagrekest van 21 mei 2025 (€ 331,-) is al in mindering gebracht op het griffierecht van [eiser] voor de onderhavige procedure. Dit griffierecht wordt daarom niet (nogmaals) meegenomen in de beslagkosten.
5.43.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 2.147,75. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht omdat Potato Club, ondanks herhaalde sommaties, niet aan haar betalingsverplichtingen voldeed. Potato Club heeft dit niet betwist. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Op grond van de berekeningsmethode die volgt uit het Besluit zal een bedrag van € 1.077,88 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.
5.44.
Hoewel [eiser] grotendeels in het ongelijk is gesteld, overweegt de rechtbank dat deze procedure niet nodeloos door [eiser] is aangespannen. De onbetaalde facturen zijn namelijk pas na dagvaarding door Potato Club betaald. Potato Club moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Tot deze proceskosten behoren zowel het salaris advocaat voor de onderhavige procedure (€ 1.572,-), als het salaris advocaat in verband met het gelegde beslag (€ 786,-). Uitgaande van de hoogte van het bedrag aan openstaande facturen op het moment van dagvaarden
(€ 30.287,83), past de rechtbank daarbij het liquidatietarief toe dat van toepassing is op zaken met een geldswaarde van € 20.000,- tot € 40.000,-. De totale proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
1.043,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,-)
- salaris advocaat (beslag)
786,00
(1 punt × € 786,-)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.723,47
5.45.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt Potato Club om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.993,93, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van de onderliggende factuur, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt Potato Club om aan [eiser] te betalen de wettelijke handelsrente over het bedrag van de facturen met nrs. [factuurnummer 11] (tot een bedrag van € 2.349,34), [factuurnummer 10] , [factuurnummer 9] , [factuurnummer 8] , [factuurnummer 7] , [factuurnummer 6] , [factuurnummer 5] , [factuurnummer 4] , [factuurnummer 3] , [factuurnummer 2] en [factuurnummer 1] , vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling (zie r.o. 5.40),
6.3.
veroordeelt Potato Club om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.514,19 aan beslagkosten,
6.4.
veroordeelt Potato Club om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.077,88 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.5.
veroordeelt Potato Club in de proceskosten van € 3.723,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als Potato Club niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt Potato Club tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 tot en met 6.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.