ECLI:NL:RBAMS:2026:571

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/13/775914 / FA RK 25-7175
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 810 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming verhuizing en zorgregeling minderjarige binnen gezamenlijke gezagsuitoefening

De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen ouders met gezamenlijk gezag over de verhuizing van hun minderjarige kind naar een nieuwe woonplaats. De vrouw verzocht om vervangende toestemming voor de verhuizing, wijziging van de zorgregeling, inschrijving op een basisschool en deelname aan een hulpverleningstraject. De man verzette zich tegen de verhuizing en stelde dat het belang van het kind bij hem wonen zwaarder weegt.

De rechtbank overwoog dat hoewel de noodzaak voor verhuizing niet overtuigend was aangetoond, het belang van het kind en haar gezinssituatie zwaar woog. De hoofdverblijfplaats lag bij de vrouw, die het merendeel van de zorg draagt, en het kind is geworteld in de vertrouwde gezinsstructuur. De zorgregeling wordt slechts beperkt gewijzigd met compensatie in de vorm van extra tijd bij de vader in de weekenden en de vrouw neemt het halen en brengen voor haar rekening.

Daarnaast verleende de rechtbank toestemming voor inschrijving op de basisschool in de nieuwe woonplaats en deelname aan het hulpverleningstraject, gezien de veranderingen en spanningen voor het kind. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard om het belang van het kind bij rust en duidelijkheid te waarborgen. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor verhuizing, wijzigt de zorgregeling en staat inschrijving en hulpverlening toe, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/775914 / FA RK 25-7175
uitwerking van de beschikking van 17 december 2025 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.A. van der Heiden, gevestigd te Honselersdijk,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. S. Bayraktar, gevestigd te Haarlem .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
In verband met het spoedeisend belang bij een beslissing in deze zaak is bij kop-staart-beschikking van 17 december 2025 op de voorliggende verzoeken van partijen beslist. Deze beschikking is diezelfde dag aan partijen verzonden. De overwegingen en oordelen waarop de in die beschikking gegeven beslissing steunt, volgen hieronder. De beschikking van 17 december 2025 dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2.De beoordeling

2.1.
Vervangende toestemming verhuizing en hoofdverblijfplaats
Standpunt van de vrouw
2.1.1.
De vrouw wil met [minderjarige 1] verhuizen naar [nieuwe woonplaats] . Deze verhuizing is volgens de vrouw noodzakelijk omdat de huidige woonomgeving in [woonplaats 1] niet veilig is voor haar kinderen. Daarnaast kan de school van [minderjarige 2] in [woonplaats 1] haar niet de juiste zorg bieden. Inmiddels is [minderjarige 2] na de herfstvakantie in 2025 gestart op een nieuwe school voor speciaal onderwijs in (de buurt van) [nieuwe woonplaats] . Verder is het werk van de partner van de vrouw dichtbij [nieuwe woonplaats] en woont ook zijn familie daar in de buurt. Een verhuizing naar [nieuwe woonplaats] betekent dat de vrouw meer ondersteuning van haar partner krijgt bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vrouw wenst voorts te verhuizen naar [nieuwe woonplaats] omdat het, na uitgebreid zoeken, niet is gelukt een geschikte woning in (de buurt van) [woonplaats 2] te vinden. De omgeving van [nieuwe woonplaats] voldoet daarentegen aan alle wensen en behoeften van de kinderen. De vrouw en haar partner hebben daarom een huis gekocht in [nieuwe woonplaats] dat is gelegen in een rustige omgeving en zich bevindt op loopafstand van een basisschool voor [minderjarige 1] . Vanaf 20 december 2025 kunnen partijen de woning betrekken.
De vrouw erkent dat de verhuizing veranderingen met zich meebrengt voor de man en [minderjarige 1] . Daarom wil de vrouw de man tegemoetkomen. Zo heeft zij voorgesteld het merendeel van de reistijd op zich te nemen en dat [minderjarige 1] op studiedagen en andere vrije dagen bij de man verblijft. De vrouw zal ook na een verhuizing ervoor zorgen dat de man onderdeel blijft van [minderjarige 1] ’s dagelijkse leven. De vrouw zal faciliteren dat de man en [minderjarige 1] doordeweeks met elkaar kunnen videobellen. Een verhuizing van [minderjarige 1] zal eveneens geen gevolgen hebben voor het contact tussen [minderjarige 1] en haar oma (vz). [minderjarige 1] kan haar gewoon zien op de dagen dat zij bij de man verblijft. Aldus wordt de man niet in zijn belangen geschaad als de verhuizing naar [nieuwe woonplaats] doorgang zou vinden.
2.1.2.
Ten aanzien van het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem vast te stellen, voert de vrouw aan dat zij dit niet in het belang van [minderjarige 1] acht. Volgens de vrouw gaat het om de afweging of [minderjarige 1] naar [woonplaats 2] of naar [nieuwe woonplaats] dient te verhuizen. Daarin acht de vrouw het belang van [minderjarige 1] om in haar vertrouwde gezin te blijven wonen zwaarder wegen. De vrouw heeft vanaf de geboorte van [minderjarige 1] het grootste gedeelte van de zorg- en opvoedingstaken op zich genomen. Inmiddels is [minderjarige 1] eraan gewend dat zij haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw en deel uitmaakt van haar gezin. De vrouw acht het niet in het belang van [minderjarige 1] indien deze gezinssamenstelling verandert en uit elkaar valt. Daarbij komt dat de vrouw heeft gemerkt dat zij door de man onvoldoende wordt betrokken bij (gezags)beslissingen over [minderjarige 1] . Het is de angst van de vrouw dat dit erger wordt indien [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben. Aldus dient het verzoek van de man volgens de vrouw te worden afgewezen.
Standpunt van de man
2.1.3.
De man voert aan dat de vrouw niet heeft aangetoond waarom het voor haar noodzakelijk is om naar [nieuwe woonplaats] te verhuizen. De subjectieve beleving van de vrouw dat de buurt in [woonplaats 1] onveilig is, vormt onvoldoende grond voor een verhuizing. Ook heeft de vrouw onvoldoende inspanningen verricht om een geschikte woning te vinden in of nabij haar huidige woonplaats. Verder vormt de noodzaak voor [minderjarige 2] om speciaal onderwijs te volgen geen overtuigende noodzaak om te verhuizen. De vrouw heeft niet aangetoond dat er geen passende onderwijsvoorziening in of nabij [woonplaats 1] beschikbaar is voor [minderjarige 2] . Daarnaast dienen de belangen van de nieuwe partner van de vrouw niet zwaarder te wegen dan het belang van [minderjarige 1] op een gelijkwaardige opvoeding door beide ouders en het behoud van haar vertrouwde sociale omgeving. [minderjarige 1] is opgegroeid in (de omgeving van) [plaats 1] en is daar geworteld. Al haar naaste familieleden wonen ook in deze omgeving. Door de verhuizing neemt de reistijd toe, zal de man [minderjarige 1] minder zien en zal de man minder betrokken zijn in haar leven, op school en bij naschoolse activiteiten. De communicatie tussen partijen is steeds meer onder druk komen te staan doordat de vrouw vooral haar eigen plan trekt. Bij een verhuizing zal deze druk mogelijk verder toenemen. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat een verhuizing naar [nieuwe woonplaats] in het belang van [minderjarige 1] is. Het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen.
2.1.4.
De man stelt dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat haar hoofdverblijfplaats bij hem wordt bepaald. De vrouw zal volgens de man hoe dan ook verhuizen en de vrouw heeft reeds verschillende keren aan de man kenbaar gemaakt dat zij het in het belang van [minderjarige 1] acht indien [minderjarige 1] bij de man gaat wonen. Ook [minderjarige 1] geeft al jaren aan dat zij bij de man wil wonen. [minderjarige 1] is vertrouwd in de woning van de man en in de omgeving van [woonplaats 2] . Ook heeft [minderjarige 1] in [woonplaats 2] vriendjes en vriendinnetjes waar zij mee speelt. Kortom, [minderjarige 1] is geaard in [woonplaats 2] en voelt zich daar veilig.
Standpunt van de Raad
2.1.5.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [minderjarige 1] , gelet op haar leeftijd, niet kan overzien wat de verhuizing voor haar betekent. Uit de processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de Raad af dat beide partijen eigenlijk al te veel hierover met [minderjarige 1] hebben gedeeld. Partijen hebben in ieder geval alle onderwerpen die voor [minderjarige 1] een rol spelen bij de verhuizing naar voren gebracht. Vanuit beide partijen merkt de Raad dat hard wordt gewerkt om de andere ouder een zo groot mogelijke rol in het leven van [minderjarige 1] te geven. In deze ingewikkelde situatie moet echter een knoop worden doorgehakt. Gekeken moet worden naar de zorgregeling en er moet rekening mee worden gehouden dat [minderjarige 1] in de toekomst haar leven gaat vormgeven op de plek waar zij haar hoofdverblijfplaats heeft. Dit vergt van partijen dat zij in de toekomst weer goed met elkaar overleggen. Volgens de Raad dient in de belangenafweging tot op zekere hoogte rekening gehouden te worden met de relatie tussen [minderjarige 1] en haar zus en broer. Daarin speelt de vraag in hoeverre die relatie ook in de vakanties kan worden vormgegeven een rol.
De Raad merkt verder op dat een bijzondere curator in de huidige situatie geen toegevoegde waarde zal hebben. Er zijn geen zorgen over [minderjarige 1] bij de vrouw en/of de man. Beide partijen zijn goede ouders voor [minderjarige 1] . Waar [minderjarige 1] ook zal wonen, zij is in goede handen.
Inhoudelijke beoordeling
2.1.6.
De rechtbank stelt voorop dat partijen gezamenlijk het gezag hebben over [minderjarige 1] . Dit brengt met zich mee dat in beginsel de instemming van de man noodzakelijk is als de vrouw de woonplaats van [minderjarige 1] wenst te wijzigen. Indien partijen het hierover niet eens worden, kan het geschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voorgelegd aan de rechter. Bij een conflict over een verhuizing en de hoofdverblijfplaats van het kind moet de rechtbank een beslissing nemen in het belang van het kind. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoewel het belang van het kind voorop staat, andere belangen soms zwaarder kunnen wegen. De rechtbank zal bij haar beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen (zie ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
2.1.7.
Uit het voorgaande volgt dat in zaken waarin verhuisproblematiek speelt een belangenafweging moet worden gemaakt. In de literatuur en feitenrechtspraak zijn verschillende lijsten met omstandigheden uitgewerkt die door de rechter kunnen worden meegenomen bij de te maken belangenafweging. De volgende factoren zijn daarbij van belang: (1.) de noodzaak om te verhuizen, (2.) de voorbereiding van de verhuizing, (3.) de geboden alternatieven en compensatie voor de gevolgen van de verhuizing, (4.) de communicatie tussen de ouders, (5.) de rechten van het kind en de andere ouder op contact met elkaar, (6.) de verdeling en continuïteit van de zorg, (7.) de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing, (8.) de leeftijd van het kind, zijn/haar mening en de mate waarin hij/zij is geworteld in zijn/haar omgeving en (9.) de kosten van de omgang na verhuizing. Hoewel een dergelijke lijst met opsomming van omstandigheden rechters richting geeft in het duiden van de relevante omstandigheden van het geval, staat voorop dat de opsomming niet uitputtend is en ook niet bindend. Rechters zijn dus niet gebonden om (al) deze factoren mee te nemen in de beoordeling en andere factoren kunnen eveneens in de beoordeling worden betrokken. Hoe deze factoren en omstandigheden vervolgens gewogen moeten worden, zal van geval tot geval verschillen (Vgl. ECLI:NL:GHARL:2025:667; ECLI:NL:PHR:2024:325).
2.1.8.
Verder geldt als uitgangspunt dat de vrouw in beginsel het recht en de vrijheid heeft om haar leven (opnieuw) in te richten. Dit recht wordt wel begrensd door de rechten en de belangen van [minderjarige 1] en de man.
2.1.9.
Gelet op de handelswijze van de vrouw – waarbij zij reeds een huis heeft gekocht met haar partner in [nieuwe woonplaats] , zij de huur van de woning in [woonplaats 1] inmiddels heeft opgezegd en [minderjarige 2] sinds oktober 2025 in (de buurt van) [nieuwe woonplaats] naar school gaat – stelt zij de man en de rechtbank min of meer voor een voldongen feit. De vrouw is feitelijk al verhuisd zonder de toestemming van de man of die van de rechtbank af te wachten. De vrouw heeft niet in het belang van [minderjarige 1] gehandeld door zonder die toestemming de verhuizing door te zetten. Uit de door de vrouw overgelegde berichten van school (productie 10 van de vrouw) blijkt bovendien dat [minderjarige 1] van de onzekere situatie rondom de verhuizing last heeft. Zij laat wisselende ontwikkelingen zien en is vaak vermoeid. Dit valt de vrouw zwaar aan te rekenen. Desalniettemin zal de rechtbank alsnog toestemming aan de vrouw verlenen voor de verhuizing met [minderjarige 1] naar [nieuwe woonplaats] . Redengevend voor de beslissing van de rechtbank is het volgende.
2.1.10.
Voorop staat dat de rechtbank – met de Raad – van oordeel dat beide partijen goede ouders zijn voor [minderjarige 1] en dat [minderjarige 1] ongeacht bij wie zij zal wonen, het bij die ouder goed gaat hebben.
2.1.11.
De rechtbank leidt uit de processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken af dat het belang van de vrouw om met [minderjarige 1] naar [nieuwe woonplaats] te verhuizen, hoofdzakelijk is ingegeven door de wens van de vrouw – in het belang van alle drie haar kinderen – haar leven opnieuw in te richten en een gezin te vormen met haar nieuwe partner. Naar de rechtbank begrijpt hebben de grotere zorgbehoefte van [minderjarige 2] en de reistijd van haar nieuwe partner naar zijn werk, hierbij een leidende rol gespeeld. Voor [minderjarige 2] was de situatie op school niet langer houdbaar, zij diende van school te wisselen. Voor de vrouw was het verder van belang dat de reistijd van haar nieuwe partner zou worden beperkt zodat haar partner meer beschikbaar zou zijn om haar te ondersteunen met de zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen Zij zijn samen op zoek gegaan naar een ruimere woning met een tuin, gelegen in een veiligere leefomgeving voor de kinderen en in de buurt van het werk van de nieuwe partner van de vrouw, alsmede naar een goede school met speciaal onderwijs voor [minderjarige 2] . Dit alles heeft de vrouw gevonden in [nieuwe woonplaats] . Van een noodzaak voor de vrouw om helemaal naar [nieuwe woonplaats] te verhuizen is de rechtbank niet gebleken.
2.1.12.
Tegenover dit belang van de vrouw en haar gezin staan echter belangen, die eveneens zwaar wegen. Dat is het belang van de man en [minderjarige 1] om de omgang die zij met elkaar hebben – thans een weekend per twee weken en elke woensdag uit school tot donderdag naar school – te kunnen voortzetten. Bovendien heeft de man belang erbij [minderjarige 1] in zijn directe omgeving te zien opgroeien en op een natuurlijke en makkelijke manier contact met haar te kunnen onderhouden. En ook [minderjarige 1] heeft belang erbij om in de omgeving van haar vader te kunnen opgroeien en daar door hem te worden begeleid. Een verhuizing naar [minderjarige 1] zal op deze belangen inbreuk maken.
2.1.13.
Bij de afweging van alle genoemde belangen is voor de rechtbank relevant of en hoe de man, in geval van een verhuizing van [minderjarige 1] naar [nieuwe woonplaats] , betrokken kan blijven bij haar verzorging en opvoeding. De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige 1] naar [nieuwe woonplaats] een goed
contact met de man niet in de weg hoeft te staan en dat zijn betrokkenheid in het leven van [minderjarige 1] ook na de verhuizing voldoende is gewaarborgd. De huidige zorgregeling waarbij [minderjarige 1] één weekend per twee weken en elke woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijft, loopt sinds januari 2024. Deze zorgregeling zal door de verhuizing in beperkte mate worden gewijzigd. Bovendien heeft de vrouw aangegeven bereid te zijn de man tegemoet te komen door de tijd die de man met [minderjarige 1] in het weekend doorbrengt uit te breiden en het halen en brengen van [minderjarige 1] voor haar rekening te nemen.
De door de man uitgesproken zorgen dat hij op den duur minder bij [minderjarige 1] betrokken zal raken en dat hem en [minderjarige 1] spontane contactmomenten worden ontnomen, acht de rechtbank onvoldoende om de verhuizing niet in het belang van [minderjarige 1] te achten. Het is immers niet ongewoon dat een kind na een scheiding een groter sociaal netwerk bij de ene dan bij de andere ouder heeft. Dit hoeft nog niet te betekenen dat daarmee het belang van het kind en/of de band tussen kind en uitwonende ouder worden geschaad. Veeleer is voor het kind en de band met de uitwonende ouder van belang dat beide ouders elkaar de band met het kind gunnen. [minderjarige 1] heeft een goede band met haar vader en dat hoeft door de verhuizing niet anders te worden, zeker nu de zorgregeling goed loopt en deze door de verhuizing niet ernstig belemmerd zal worden. De rechtbank acht het invoelbaar dat de man de voorkeur geeft aan één leefomgeving voor [minderjarige 1] , maar zoals is overwogen, is dit voor het gezin van de vrouw waarin [minderjarige 1] opgroeit niet langer haalbaar.
2.1.14.
Voor de rechtbank weegt verder zwaar mee dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw is gelegen en dat de vrouw al ruim twee jaar het merendeel van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich neemt. [minderjarige 1] heeft de afgelopen jaren hoofdzakelijk in gezinsverband geleefd met haar stiefvader, zus en – sinds zes maanden – broertje. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] beslaat dit een groot gedeelte van haar leven en is dit de situatie waaraan zij is gewend en die zij kent. Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van [minderjarige 1] , maar ook het belang van haar zus en haar broertje, erin gelegen dat zij haar dagelijkse leven in de voor haar bekende en vertrouwde gezinsstructuur kan voortzetten. Het teweegbrengen van veranderingen op dit punt komt neer op het splitsen van het gezin van de vrouw waar [minderjarige 1] deel van uitmaakt. Dit acht de rechtbank niet in haar belang, mede gelet op haar (sociale) ontwikkeling.
2.1.15.
Ten slotte is voor het oordeel van de rechtbank van belang dat niet gesteld of gebleken is dat een verhuizing naar [nieuwe woonplaats] zorgen doet ontstaan met betrekking tot de ontwikkeling van [minderjarige 1] of dat de verhuizing anderszins niet in haar belang is.
2.1.16.
Hoewel de noodzaak voor de verhuizing voor de vrouw naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt, is de rechtbank – met inachtneming van het voorgaande en alle belangen afwegende – van oordeel dat aan de vrouw vervangende toestemming tot verhuizing dient te worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank dient er verder wel enige compensatie plaats te vinden in de vorm dat [minderjarige 1] meer tijd gedurende de weekenden bij de man zal doorbrengen, alsmede dat de vrouw het halen en brengen voor haar rekening zal nemen.
2.1.17.
Aangezien aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige 1] te verhuizen naar [nieuwe woonplaats] wijst de rechtbank het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem vast te stellen af.
2.2.
Wijziging zorgregeling
Standpunt van de vrouw
2.2.1.
Vanwege de verhuizing acht de vrouw het in het belang van [minderjarige 1] dat er een kleine wijziging in de zorgregeling plaatsvindt. De vrouw stelt dat er voor [minderjarige 1] meer rust ontstaat als zij al op woensdagavond en zondagavond bij de vrouw is, in plaats van dat de man haar op donderdag en maandag naar school brengt. De vrouw vindt het verder geen probleem als de man extra tijd met [minderjarige 1] wil doorbrengen tijdens de vakanties en feestdagen. Wat de vrouw betreft kan in onderling overleg worden afgeweken van de verdeling bij helfte, zodat de man meer tijd heeft met [minderjarige 1] .
2.2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw op het zelfstandige verzoek van de man toegelicht dat, indien [minderjarige 1] bij de man woonachtig is, zij [minderjarige 1] het liefst zoveel als mogelijk wil zien. Daarom ziet de vrouw graag in dat geval dat [minderjarige 1] drie weekenden per vier weken bij haar zal verblijven.
Standpunt van de man
2.2.3.
De man voert aan dat hij het niet in het belang van [minderjarige 1] acht indien zij op woensdagmiddag uren in de auto moet zitten voor een paar uur contact met hem. Op de door de vrouw verzochte zorgregeling heeft de man verder inhoudelijk geen verweer gevoerd.
2.2.4.
De man heeft zelfstandig verzocht om te bepalen dat – naar de rechtbank begrijpt in de situatie dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft – [minderjarige 1] in de ene week op dinsdag en donderdag na schooltijd tot 18:00 uur omgang zal hebben met de vrouw, en in de andere week op dinsdag en donderdag na schooltijd tot 18:00 uur en van vrijdag na schooltijd tot zondagmiddag 16:00 uur omgang zal hebben met de vrouw, waarbij de vrouw verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige 1] .
Inhoudelijke beoordeling
2.2.5.
Op grond van artikel 1:377e gelezen in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
2.2.6.
Voor de zorgregeling geldt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat de vrouw met [minderjarige 1] naar [nieuwe woonplaats] zal verhuizen. De rechtbank zal daarom beoordelen welke zorgregeling nu het meest in het belang van [minderjarige 1] is.
2.2.7.
Zoals overwogen in rechtsoverweging 2.1.16 acht de rechtbank het van belang dat de man vanwege de verhuizing in tijd wordt gecompenseerd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij in het weekend structureel activiteiten onderneemt met [minderjarige 1] , zodat de rechtbank aanleiding ziet om de compensatie te zoeken in de weekenden. Zo kunnen de man en [minderjarige 1] zoveel mogelijk quality-time met elkaar doorbrengen, hetgeen de rechtbank het meeste in het belang van [minderjarige 1] acht. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige 1] als zij op doordeweekse schooldagen van [nieuwe woonplaats] naar [woonplaats 2] dient te reizen voor een contactmoment met de man. Naar het oordeel van de rechtbank is de reistijd voor dit, naar verhouding, kortdurend contactmoment te belastend voor [minderjarige 1] . De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige 1] drie weekenden per vier weken bij de man zal verblijven van vrijdagavond 18:00 uur tot en met zondagavond 18:30 uur. De vrouw zal het halen en brengen van [minderjarige 1] telkens volledig op zich nemen.
2.2.8.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat partijen geen verzoeken hebben ingediend ten aanzien (van een wijziging) van de vakantie- en feestdagenregeling. Aldus kan de rechtbank op dit punt geen verdere compensatie vaststellen voor de man. Nu de vrouw in haar processtukken en tijdens de mondelinge behandeling er blijk van heeft gegeven ruimhartig om te gaan met compensatie voor de man en [minderjarige 1] in tijd, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen in onderling overleg verdere compensatie van de man zullen zoeken in een ruimere vakantieregeling en in de extra vrije dagen die [minderjarige 1] heeft van school.
2.3.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool / deelname hulpverleningstraject
Standpunt van de vrouw
2.3.1.
De vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige 1] indien zij bij een verhuizing naar [nieuwe woonplaats] wordt ingeschreven op de basisschool [naam school] . De basisschool bevindt zich op loopafstand van de nieuwe woning, is kleinschalig en heeft goede uitstroomcijfers. Ook werkt de school met een methode gericht op sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen (Kanjertraining).
2.3.2.
Ten aanzien van de door de man voorgestelde scholen voert de vrouw aan dat zij – indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man wordt vastgesteld – kan instemmen met een school in [woonplaats 2] . Haar voorkeur gaat echter niet uit naar een school in [plaats 2] nu zij daar vroeger zelf op school heeft gezeten.
2.3.3.
Verder stelt de vrouw dat het op dit moment niet goed gaat met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] ervaart stress en spanningen als gevolg van de huidige onzekere situatie en mogelijke veranderingen. Vanuit school is geadviseerd om [minderjarige 1] aan te melden voor hulpverlening zodat zij kan leren hiermee om te gaan. De vrouw heeft toestemming gevraagd aan de man om [minderjarige 1] aan te melden, echter heeft de man hier niet op gereageerd. Aldus verzoekt de vrouw vervangende toestemming zodat [minderjarige 1] kan deelnemen aan het hulpverleningstraject ‘Piep, zei de muis’, dan wel een soortgelijk traject.
Standpunt van de man
2.3.4.
De man heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte basisschool in [nieuwe woonplaats] , anders dan dat [minderjarige 1] tijdens haar wandeling naar school moet oversteken via een gevaarlijk kruispunt.
2.3.5.
Indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man wordt bepaald, verzoekt de man vervangende toestemming om haar in te schrijven op een basisschool in [woonplaats 2] of [plaats 2] , zodat zij onderwijs kan volgen in de buurt van de woning van de man.
2.3.6.
Ten aanzien van de hulpverlening voor [minderjarige 1] heeft de man tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij zijn medewerking zal verlenen als deze hulp ook na de verhuizing noodzakelijk blijkt te zijn. De man heeft geen bezwaar tegen ‘Piep, zei de muis’ of een soortgelijk traject.
Standpunt van de Raad
2.3.7.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het goed is om [minderjarige 1] alvast in te schrijven voor een hulpverleningstraject wanneer duidelijk is waar zij zal gaan wonen. [minderjarige 1] krijgt te maken met grote veranderingen in haar leven waarin extra ondersteuning voor haar fijn is.
Inhoudelijke beoordeling
2.3.8.
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
2.3.9.
De rechtbank zal aan de vrouw vervangende toestemming verlenen om [minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [naam school] te [nieuwe woonplaats] , onder afwijzing van het verzoek van de man. Nu [minderjarige 1] in [nieuwe woonplaats] gaat wonen, acht de rechtbank het in haar belang dat zij na de kerstvakantie in [nieuwe woonplaats] naar school kan gaan en aldaar haar sociale netwerk kan gaan opbouwen. Daarbij komt dat de man inhoudelijk op het verzoek van de vrouw geen verweer heeft gevoerd.
2.3.10.
De rechtbank zal eveneens aan de vrouw vervangende toestemming verlenen voor het inschrijven van [minderjarige 1] voor een hulpverleningstraject zoals ‘Piep, zei de muis’. De rechtbank is – met de Raad – van oordeel dat het voor [minderjarige 1] belangrijk is dat zij, gelet op de veranderingen waar zij mee te maken heeft, extra ondersteuning krijgt. De man heeft op het verzoek van de vrouw inhoudelijk ook geen verweer gevoerd, met uitzondering van het argument dat hij voor nu de hulpverlening nog niet nodig acht. Omdat [minderjarige 1] naar [nieuwe woonplaats] zal verhuizen, kan er aan dit bezwaar van de man voorbij worden gegaan, temeer nu de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen deze (vorm van) hulpverlening.
2.4.
Uitvoerbaar bij voorraad
Standpunt van de man
2.4.1.
Als de rechtbank aan de vrouw vervangende toestemming verleent voor de verhuizing naar [nieuwe woonplaats] , verzoekt de man de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De man stelt dat een verhuizing een ingrijpende wijziging is in het leven van een kind. Mogelijk dat een beslissing in hoger beroep anders uitvalt waardoor [minderjarige 1] weer opnieuw moet terugverhuizen. Dit acht de man niet in haar belang.
Standpunt van de vrouw
2.4.2.
De vrouw voert aan dat de beschikking wel uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard. Immers heeft [minderjarige 1] behoefte aan duidelijkheid.
Inhoudelijke beoordeling
2.4.3.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de vrouw is verzocht. Dat betekent dat de vrouw met [minderjarige 1] mag verhuizen, ook als de man hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing over de verhuizing neemt. Uit de door de vrouw overgelegde berichten van de school (productie 10 van de vrouw) blijkt dat [minderjarige 1] zodanig op de hoogte is van de onzekere situatie rondom de verhuizing dat zij hier last van heeft. Zij laat wisselende ontwikkelingen zien en is vaak vermoeid. Aldus is [minderjarige 1] gebaat bij rust en duidelijkheid. De beslissing moet dan ook snel kunnen worden uitgevoerd zodat [minderjarige 1] weet waar zij aan toe is. Het is niet in haar belang als zij een eventuele hoger beroepsprocedure moet afwachten. Dit belang van [minderjarige 1] acht de rechtbank groter dan het belang van de man dat eerst nog een hoger beroep afgewacht moet worden.
2.5.
Proceskosten
2.5.1.
Gelet op het familierechtelijke karakter van de onderhavige procedure zullen de proceskosten op grond van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
De beslissing in deze zaak is reeds gegeven bij de beschikking van 17 december 2025, welke beslissing het volgende inhoudt:
  • verleent aan de vrouw vervangende toestemming tot verhuizing met [minderjarige 1] naar [nieuwe woonplaats] ;
  • verleent aan de vrouw vervangende toestemming om [minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [naam school] te [nieuwe woonplaats] ;
  • verleent aan de vrouw vervangende toestemming voor het opstarten van een hulpverleningstraject, zoals “Piep, zei de muis” of een ander soortgelijk hulpverleningstraject dat is gericht op het ondersteunen van [minderjarige 1] bij het omgaan met veranderingen, spanningen en stress;
  • bepaalt dat [minderjarige 1] drie aaneengesloten weekenden per vier weken van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:30 uur bij de man verblijft, waarbij de vrouw [minderjarige 1] telkens naar de man brengt en haar bij de man ophaalt;
  • bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, voorzitter tevens kinderrechter, mr. C.M. Mellema en mr. M.R. Kremer, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 20 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).