ECLI:NL:RBAMS:2026:5714

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
26/3292
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tweede bewonersvergunning wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een tweede bewonersvergunning, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. Zij heeft vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om deze afwijzing te schorsen. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting en stelt vast dat er geen sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Verzoekster voert aan dat zij een volle baan heeft, twee kinderen verzorgt en de vergunning nodig heeft voor haar dagelijkse verplichtingen. Zij maakt momenteel gebruik van een bezoekersvergunning, maar loopt risico op naheffingen. Ook wijst zij op de onwenselijke financiële gevolgen van de afwijzing. De voorzieningenrechter overweegt echter dat bij financiële geschillen doorgaans geen spoedeisend belang bestaat, omdat eventuele kosten achteraf kunnen worden vergoed.

De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. De bezwaarprocedure biedt ruimte om de aangevoerde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te beoordelen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een tweede bewonersvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/3292

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om een tweede bewonersvergunning. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoekster heeft op 8 mei 2026 een tweede bewonersvergunning aangevraagd voor kenteken [kenteken] . Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 mei 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij een tweede bewonersvergunning toegewezen krijgt.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster voert aan dat zij een volle baan heeft, twee kinderen en dat zij de tweede bewonersvergunning nodig heeft voor allerlei activiteiten en verplichtingen. Op dit moment maakt zij gebruik van een bezoekersvergunning en kan zij met korting parkeren, maar het gebeurt wel eens dat zij vergeet de betaling te activeren waardoor zij het risico loopt op een forse naheffing. Verzoekster heeft een huis gekocht in een parkeerbelasting vrije zone, maar nu wordt zij geconfronteerd met extra ongewilde belasting. De afwijzing van de aanvraag is bovendien in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. De argumenten van verzoekster zoals hiervoor onder 2. genoemd, zijn daarvoor onvoldoende. [1] Tijdens de bezwaarprocedure zal verweerder beoordelen of, zoals verzoekster heeft aangevoerd, verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Van onomkeerbare gevolgen die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht, is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 26 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1216.