Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5716

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
13-117334-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 14 OLWArt. 17 OLWArt. 21 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming en beslissing over onmiddellijke overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 mei 2026 de zaak betreffende de onmiddellijke overlevering van een opgeëiste persoon aan Oostenrijk op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 20 april 2026. De opgeëiste persoon, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verklaarde in raadkamer zijn instemming met onmiddellijke overlevering en deed geen afstand van het specialiteitsbeginsel.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden waren die de overlevering in de weg stonden. De officier van justitie had primair gevorderd tot inverzekeringstelling en subsidiair tot gevangenneming, maar de rechtbank wees deze vorderingen af omdat er geen bevel tot inverzekeringstelling was gegeven en de gevangenneming niet op zitting was behandeld.

De overlevering werd toegestaan onder de algemene bedingen van de Overleveringswet, waarbij de bescherming van het specialiteitsbeginsel en het verbod op verdere overlevering behouden blijft. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de onmiddellijke overlevering van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk toe en wijst de vorderingen tot inverzekeringstelling en gevangenneming af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Internationale rechtshulpkamer

Parketnummer: 13-117334-26
Beslissing ex artikel 40 Overleveringswet Pro
Naar aanleiding van de verklaring van de opgeëiste persoon ten overstaan van de raadkamer dat hij instemt met zijn onmiddellijke overlevering als verzocht in het ten aanzien van hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 april 2026, door
Staatsanwaltschaft Feldkirch,Oostenrijk (hierna de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De opgeëiste persoon is gehoord in raadkamer op 01 mei 2026. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P. Celikkal, en door een tolk in de Roemeense taal.
Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft in raadkamer verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een door het Landesgericht Feldkirch krachtens beschikking van 4.12.2024 m.b.t. zaaknummer 28 HR 332/24h goedgekeurde lastgeving tot aanhouding van het Openbaar Ministerie Feldkirch met dossiernummer 8 St 122/25y (voorheen 8 St 202/24m).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Verklaring van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon laat desgevraagd weten dat hij begrijpt wat zijn verklaring inhoudt en dat deze onomkeerbaar is. De opgeëiste persoon verklaart dat hij instemt met onmiddellijke overlevering aan Oostenrijk.
De opgeëiste persoon verklaart desgevraagd dat hij geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel (artikel 39 lid 1 OLW Pro).

5.Standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie.

De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen weigeringsgronden of beletselen zijn die aan de overlevering van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk in de weg staan.
De officier van justitie heeft primair de inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon gevordeerd op grond van artikel 21, achtste lid, OLW, en subsidiair zijn gevangenneming gevorderd op grond van artikel 27, eerste lid, OLW.

6.Garanties en bedingen.

De overlevering wordt toegestaan onder de algemene bedingen als bedoeld in artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, OLW die overeenkomen met artikel 27, tweede en derde lid, en artikel 28, tweede en vierde lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Door in te stemmen met zijn verkorte overlevering verliest de opgeëiste persoon niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel noch de bescherming tegen verdere overlevering, zoals bedoeld in de artikel 14 OLW Pro en de artikelen 27 en 28 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, voor zover van toepassing in de verkorte procedure, en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan voor het feit de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.

8.De vorderingen van de officier van justitie

Vast staat dat de opgeëiste persoon op 21 april 2026 door de officier van justitie voorlopig is aangehouden op grond van artikel 17, eerste lid, OLW. Op dat moment was de opgeëiste persoon gedetineerd uit anderen hoofde. Bij beslissing van 23 april 2026 heeft de rechtbank de voorlopige aanhouding op grond van artikel 21, derde lid, OLW omgezet in een aanhouding. Per 25 april 2026 is de opgeëiste persoon gedetineerd op grond van de OLW.
Uit het vorenstaande blijkt dat geen sprake is geweest van een bevel bewaring van de opgeëiste persoon of dat hij op enig moment in verzekering is gesteld.
Ingevolge artikel 21, achtste lid, OLW kan de rechtbank op vordering van de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon in verzekering gesteld
zal blijven(onderstreping rechtbank) tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. Uit deze bepaling volgt dat eerst sprake zal moeten zijn van een bevel inverzekeringstelling, wil de vordering als bedoeld in artikel 21, achtste lid, OLW voor toewijzing in aanmerking komen. Zoals de rechtbank zojuist heeft vastgesteld, is in dit geval geen sprake geweest van een bevel inverzekeringstelling zodat niet voldaan is aan de vereisten voor toewijzing van de vordering inverzekeringstelling. De rechtbank wijst deze vordering daarom af.
De rechtbank wijst ook de subsidiair gedane vordering gevangenneming af, gelet op het bepaalde in artikel 27, eerste lid, OLW. Ingevolge deze bepaling kan de rechtbank ter zitting - die ingevolge artikel 25, eerste lid, OLW in beginsel openbaar is - de gevangenneming bevelen. Van een behandeling op zitting als bedoeld in artikel 27, eerste lid, OLW is echter geen sprake, omdat de behandeling van de verklaring als bedoeld in artikel 39 OLW Pro in raadkamer plaatsvindt.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, en 14 OLW.

10.Beslissing

- Bepaalt dat
[opgeëiste persoon]ter beschikking zal worden gesteld van
Staatsanwaltschaft Feldkirchin Oostenrijk.
-
Wijst afde vordering inverzekeringstelling.
-
Wijst afde vordering gevangenneming.
Aldus gedaan door:
mr. M.C.M. Hamer, rechter,
in tegenwoordigheid van S.C.M. Plat, griffier.
en uitgesproken in raadkamer van 01 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.