ECLI:NL:RBAMS:2026:5770

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
25/2959
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WpgArt. 1 WpgArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijdering politiegegevens over persoonsscreening en bedrijf

Eiser heeft bij de korpschef van politie een verzoek ingediend tot verwijdering van een passage uit zijn persoonsscreeningsrapport, opgesteld door de Dienst Regionale Informatie Organisatie, op grond van artikel 28 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg). Deze passage bevatte informatie over een bedrijf dat aan eiser toebehoort en een taxichauffeur die werd aangehouden wegens handel in verdovende middelen.

De korpschef wees het verzoek af omdat de passage volgens hem betrekking had op het bedrijf, een rechtspersoon, en niet direct op eiser als natuurlijke persoon. Eiser stelde dat de passage wel degelijk op hem betrekking had, omdat de gegevens herleidbaar waren tot hem en zijn naam meerdere keren in het document voorkwam.

De rechtbank oordeelde dat de passage inderdaad herleidbaar is tot eiser en dat het verzoek daarom binnen de reikwijdte van artikel 28 Wpg Pro valt. Vervolgens moest worden beoordeeld of de politiegegevens onjuist waren. Eiser kon dit niet aannemelijk maken, omdat hij geen objectief verifieerbare stukken overlegde en de enkele stelling dat de observatie niet in zijn strafdossier stond onvoldoende was.

Daarom concludeerde de rechtbank dat de korpschef het verzoek tot verwijdering terecht had afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot verwijdering van politiegegevens is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2959

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Zevenboom),
en

de korpschef van politie,

(gemachtigde: mr. P.A.M. van der Schot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek van eiser op grond van artikel 28 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg). Eiser heeft verzocht om een passage uit zijn persoonsscreeningsrapport, opgesteld door de Dienst Regionale Organisatie, te laten verwijderen. Hij is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. De rechtbank onderzoekt aan de hand van de door eiser aangevoerde gronden of de korpschef het verzoek tot verwijdering terecht heeft afgewezen.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef het verwijderingsverzoek terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen daarvan zijn.

Procesverloop

2. Eiser heeft een verzoek tot verwijdering van politiegegevens ingediend. Met een besluit van 1 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de korpschef het verzoek afgewezen.
2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de korpschef.
2.3
De rechtbank heeft het onderzoek op 24 februari 2026 heropend en de korpschef verzocht om aanvullende stukken op te sturen.
2.4
De korpschef heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van dit stuk. Eiser heeft op zitting toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Op 27 mei 2025 is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft met een brief van 23 oktober 2024 een verzoek ingediend bij de korpschef om verwijdering van hem betreffende politiegegevens op grond van artikel 28 van Pro de Wpg. Het verzoek ziet op een document van 7 maart 2023 opgesteld door de Dienst Regionale Informatie Organisatie (het DRIO-document). Het document betreft een persoonsscreening in opdracht van de gemeente Amsterdam ten behoeve van een Drank- en Horecavergunning. In dit document staat onder andere:
“Zo was er de [bedrijf] in de [adres] waar tijdens observatie gezien was dat er pakketjes over gegeven werd aan een taxichauffeur. Die vervolgens aangehouden werd ter zake handel verdovende middelen.”(de passage).
3.1
De korpschef heeft met het bestreden besluit het verzoek afgewezen. Volgens de korpschef gaat de passage over het bedrijf [bedrijf] en een taxichauffeur, en niet over politiegegevens van eiser zelf. Eiser kan daarom volgens de korpschef geen beroep doen op artikel 28 van Pro de Wpg.
Toetsingskader
4. Het verwijderingsverzoek is gebaseerd op artikel 28, eerste en tweede lid, van de Wpg. Dit artikel geeft een betrokkene recht op verwijdering van onjuiste politiegegevens die op hem betrekking hebben.
4.1
Volgens vaste rechtspraak is dit recht niet bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Voor zover verzoeken betrekking hebben op feitelijke gegevens, moet de verzoeker aannemelijk te maken dat deze gegevens onjuist zijn. [1]
Ziet de passage op de persoonsgegevens van eiser?
5. Eiser, eigenaar van de [bedrijf] , stelt dat de passage niet correspondeert met de bij hem bekende gegevens. Volgens hem heeft de observatie daarin niet plaatsgevonden. Eiser wil deze passage daarom laten verwijderen. Eiser stelt dat de passage betrekking heeft op hem betreffende politiegegevens. Hij verwijst hiervoor naar de context van het DRIO-document, waarin zijn naam meerdere keren expliciet wordt genoemd. De passage wordt in het document gebruikt om te onderbouwen dat de verbouwing van [bedrijf] op een dubieuze manier is gefinancierd.
5.1
De korpschef stelt dat een verzoek op grond van artikel 28 van Pro de Wpg alleen betrekking kan hebben op politiegegevens die eiser zelf betreffen. Omdat [bedrijf] een bedrijf is, zijn dit gegevens van een rechtspersoon. De korpschef stelt, gelet op de genoemde passage, dat de gegevens daarin niet direct op eiser terug te voeren zijn.
5.2
Artikel 28, eerste en tweede lid, van de Wpg bepaalt dat een verzoek tot verwijdering alleen kan gaan over politiegegevens die betrekking hebben op de betrokkene zelf. Artikel 1, onder a, van de Wpg definieert politiegegevens als “
elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak”.Artikel 1, onder b, definieert persoonsgegevens als
“alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”.
5.3
In de Memorie van Toelichting bij de Wpg staat het volgende vermeld over rechtspersonen:
“Dat voor de definitie van persoonsgegeven wordt aangesloten bij de Wet bescherming persoonsgegevens heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de wet, evenals de huidige Wet politieregisters, niet van toepassing is op gegevens die met uitsluitend rechtspersonen in verband kunnen worden gebracht. Gegevens betreffende rechtspersonen zullen evenwel veelal opgenomen zijn in direct verband met en daarom herleidbaar zijn tot een natuurlijke persoon. In dat geval gelden de bepalingen van dit wetsvoorstel onverkort. In de praktijk zal dit er dan ook toe leiden dat, zo er al niet door de politie voor wordt gekozen alle gegevens te behandelen als politiegegevens, in ieder geval de gegevens die herleidbaar zijn tot natuurlijke personen worden verwerkt met inachtneming van het regime van dit wetsvoorstel.” [2]
5.4
De passage gaat niet direct over eiser, maar over zijn bedrijf. De vraag is of deze gegevens tot eiser zelf herleidbaar zijn. In dat geval is de Wpg onverkort van toepassing.
5.5
De rechtbank oordeelt dat de gegevens met betrekking tot de rechtspersoon [bedrijf] direct verband houden met eiser en tot hem herleidbaar zijn. Hoewel de specifieke zin in de passage eiser niet bij naam noemt, blijkt uit de context van diezelfde alinea onmiskenbaar dat het om hem gaat. Uit de alinea volgt dat eiser wordt verdacht van het aansturen van straatdealers en dat bij zijn aanhouding sleutels van een pand zijn aangetroffen waarin drugs werden gevonden. Vervolgens wordt vermeld dat eiser eigenaar is van [bedrijf] en dat de verbouwing van deze tenten op een dubieuze wijze is gefinancierd. Tegen deze achtergrond moet de passage worden gelezen. De stelling van de korpschef dat dit niet expliciet uit de passage zelf volgt, doet hieraan niet af. Relevant is of de gegevens herleidbaar zijn tot eiser.
5.6
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de passage daadwerkelijk betrekking heeft op eiser en dat zijn verzoek binnen de reikwijdte van artikel 28 van Pro de Wpg valt.
Is er sprake van onjuiste politiegegevens?
6.1
Eiser stelt dat de passage feitelijk onjuist is en daarom moet worden verwijderd. Hij voert aan dat de genoemde observatie niet in zijn strafdossier voorkomt en daarom niet heeft plaatsgevonden.
6.2
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van door de politie op ambtseed opgestelde processen-verbaal. [3] Gelet op de rechtspraak zoals uiteengezet in overweging 4.1, moet eiser aannemelijk maken dat de gegevens in de betreffende passage onjuist zijn. De korpschef heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele stelling dat de observatie niet in het strafdossier voorkomt, onvoldoende is om dat aannemelijk te maken. Eiser heeft zijn standpunt daarnaast op geen enkele wijze met objectief verifieerbare stukken onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is van onjuiste politiegegevens.
6.5
Omdat niet is gebleken dat de politiegegevens onjuist zijn, heeft eiser geen recht op verwijdering van deze gegevens op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wpg.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de korpschef de genoemde passage niet hoeft te verwijderen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Melehi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
2.Zie Kamerstukken 2, 2005/2006, 30 327, nummer 3, pagina 25.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3507.