De huurder woont sinds 2010 in een sociale huurwoning met haar twee zonen. In september 2025 vond een politie-inval plaats waarbij drugs en een vuurwapen werden aangetroffen. De meerderjarige zoon werd aangehouden en verblijft elders. De huurder verbleef toen in Marokko. In maart 2026 vond een explosie plaats bij de portiek van het gebouw, waardoor zes woningen onbewoonbaar werden verklaard. De woningcorporatie weigerde vervangende woonruimte aan te bieden en vorderde ontruiming.
De huurder vordert vervangende woonruimte voor de duur van de onbewoonbaarheid. De woningcorporatie stelt dat de huurder tekort is geschoten in haar verplichtingen en dat ontbinding van de huurovereenkomst waarschijnlijk is. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat de huurder betrokken was bij de drugs- en wapenvondst en dat de belangenafweging uitgaat in het voordeel van de huurder en haar minderjarige zoon.
De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en onvoldoende bewijs van ernstige tekortkoming. De vordering tot vervangende woonruimte wordt toegewezen, waarbij de woningcorporatie binnen vier weken passende woonruimte moet bieden. De woningcorporatie wordt veroordeeld in de proceskosten.