De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen een 54-jarige vrouw die werd verdacht van medeplegen van het telen van circa 810 hennepplanten en diefstal van elektriciteit in Weesp tussen juni 2017 en september 2018. De dagvaarding bevatte een subsidiaire tenlastelegging die onduidelijk was over de betrokkenheid van onbekende personen, waardoor deze tenlastelegging nietig werd verklaard.
De politie startte het onderzoek na een anonieme melding over hennepgeur en vond op 26 september 2018 een in werking zijnde hennepplantage met 810 planten. Uit technisch onderzoek bleek dat de kwekerij vermoedelijk sinds juni 2017 bestond en dat er sprake was van een illegale elektriciteitsaansluiting. Verdachte en haar partner stonden ingeschreven op het adres waar de kwekerij was gevestigd.
Verdachte verklaarde dat zij onder druk stond en geen keuze had dan de kwekerij te accepteren, en dat zij er niets mee te maken wilde hebben. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte opzettelijk betrokken was bij de hennepteelt of de diefstal van elektriciteit. Voorwaardelijk opzet kon niet worden vastgesteld. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlasteleggingen.
Daarnaast verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 2 juni 2026 na behandeling op 19 mei 2026.