Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5812

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
781309 HA ZA 26-4
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 25 Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zakelijke kredietovereenkomst en toewijzing vordering tot terugbetaling

De zaak betreft een vordering van Qred Bank AB (Qeld) tegen een gedaagde die een kredietovereenkomst had gesloten met Nordiska Kreditmarknadsaktiebolaget. Qeld stelt dat zij de rechten uit de kredietovereenkomst heeft verkregen via cessie en vordert betaling van de openstaande hoofdsom, rente en incassokosten.

De rechtbank toetst eerst haar internationale bevoegdheid en toepasselijk recht, waarbij wordt vastgesteld dat partijen een forumkeuze voor de Nederlandse rechter en een rechtskeuze voor Nederlands recht hebben gemaakt. Vervolgens wordt de geldigheid van de cessie besproken; ondanks dat de mededeling aan de schuldenaar eerder was dan de ondertekening van de akte, is voldaan aan de vereisten voor een geldige cessie.

Gedaagde voert verweer dat hij al betalingen heeft gedaan, maar slaagt hier niet in omdat hij geen bewijs heeft geleverd. De rechtbank wijst de hoofdsom toe en wijst de vordering tot wettelijke handelsrente af, omdat deze niet van toepassing is op aflossingen van een krediet. Wel wordt wettelijke rente toegekend vanaf de datum van ingebrekestelling. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan Qred Bank AB.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/781309 / HA ZA 26-4
Vonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
QRED BANK AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),
eisende partij,
hierna te noemen: Qeld,
advocaat: mr. G.T. Poot,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.F. Hoff.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 december 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 22 april 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 mei 2026 met de daarin genoemde stukken,
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 28 mei 2026 die zich in het dossier bevinden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] drijft een eenmanszaak, [eenmanszaak] (hierna: [eenmanszaak] ) waarmee hij activiteiten als muziekproducent en DJ verricht.
2.2.
[gedaagde] heeft op 25 november 2024 voor zijn activiteiten met [eenmanszaak] een kredietovereenkomst gesloten met Nordiska Kreditmarknadsaktiebolaget (hierna: Nordiska) voor een bedrag van € 51.617,98. In de kredietovereenkomst staat onder andere het volgende:
“Zakelijk krediet met een persoonlijk zekerheidsrecht (borgstelling)
Contractnummer [nummer 1]
(…)
Het maandelijkse aflossingsbedrag bestaat uit een deel aflossing van het kredietbedrag van € 1 665,10, en de betaling van de vaste maandelijkse prijs (zie punt 4).
(…)
De maandelijkse prijs is € 831,05. De maandelijkse prijs voor het Krediet wordt aan het eind van de maandtermijn gefactureerd. Voor iedere nieuwe maand dat u gebruikmaakt van de lening, brengen wij de maandelijkse prijs in rekening. Dit is van toepassing totdat het Krediet volledig is afgelost.
(…)
Bij een betalingsachterstand heeft de Kredietverstrekker het recht om vertragingsrente van 2,5% per maand in rekening te brengen.
Daarnaast kan er een vertragingsvergoeding van €20,- in rekening worden gebracht bij een betalingsachterstand van meer dan zes (6) dagen.
Ook kunnen er nog verdere eventuele incassokosten in rekening worden gebracht in overeenstemming met de wet.
(…)
De Algemene Voorwaarden van de Kredietverstrekker zijn van toepassing en maken deel uit van deze Kredietovereenkomst.
De Klant erkent door middel van het ondertekenen van deze Kredietovereenkomst dat hij kennis heeft genomen van de Algemene Voorwaarden en dat hij deze aanvaardt.
(…)
2.3.
Op de kredietovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard waarin onder andere het volgende staat:
“(…)
De Kredietverstrekker is gerechtigd om het Krediet vervroegd op te eisen en de Kredietovereenkomst op elk moment op te zeggen of te beëindigen, indien één of meerdere van de onderstaande omstandigheden zich voordoen:
16.1.
De Klant heeft niet voldaan aan een of meer verplichtingen jegens de Kredietverstrekker onder deze Overeenkomst, nadat de Klant schriftelijk in gebreke is gesteld en een redelijke termijn heeft gekregen tot nakoming van de verplichting(en), tenzij nakoming redelijkerwijs niet meer mogelijk is;
(…)
19. Overdracht van overeenkomst
De Kredietverstrekker kan zijn rechten onder de Overeenkomst aan een derde overdragen of verpanden zonder dat voorafgaande goedkeuring van de Klant vereist is.
De Klant wordt op de hoogte gebracht van een dergelijke overdracht.
(…)
27. Klachten en geschillen
(…)
Op de Overeenkomst is Nederlands recht van toepassing. Deze rechtskeuze geldt ook voor geschillen die uit de Overeenkomst voortvloeien of in verband daarmee ontstaan.
De rechter in Amsterdam is uitsluitendbevoegd om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit de Overeenkomst.
(…)”
2.4.
Op 24 januari 2025 heeft Qeld een e-mail gestuurd naar [gedaagde] waarin onder andere het volgende staat:
“(…)
Wij informeren je dat Nordiska Kreditmarknadsaktiebolaget (pub) (org. no. [nummer 2] ) al zijn rechten en verplichtingen onder de kredietovereenkomst met [eenmanszaak] (inclusief het recht om betalingen te ontvangen) heeft overgedragen aan Qred Bank AB, Zweden (org. no. [nummer 3] ) (Qeld’).
(…)”
2.5.
Begin februari 2025 is er een document opgesteld, genaamd “Verifikat”, dat hoort bij een zogenoemde “Transfer List – business loans – Jan_2024” (hierna: de Transfer List). In de Transfer List staat onder andere het volgende:
“(…)
Qred Bank AB, including the Finnish, Danish, Dutch and Norwegian branches, Nordiska kreditmarknadsaktiebolaget (publ) and Nordiska Financial Partner Norway AS entered into a Acquisition Agreement the 3 February 2023 regarding the sale and purchase of Offered Receivables (…)
In this Transfer List, the same definitions shall be used as in the Agreement. The below listed receivables are transferred, on the terrns specified in the Agreernent, from the Seller to the Purchaser, as of the date stated under “Assignment Date” against a payment corresponding to the amount stated under “Purchase Price”. The Purchase Price is always stated in local currencies.
(…) [nummer 1] [eenmanszaak] (…) [gedaagde] (…) 51617,98 2025-01-24
(…)”
2.6.
In (de vertaling van) het “Verifikat” staat onder andere het volgende:
“(…)
Document
Transfer List - business loans - Jan_2024
Hoofddocument
5 pagina’s
Gestart op 2025-02-03 10:01:31 CET (+0100) door [naam 1]
Afgerond op 2025-02-07 10:14:23 CET (+0100)
Ondertekenaars
[naam 1] [naam 2]
Qred AB Nordiska kreditmarknadsaktiebolaget (pubi) &
Persoonsnummer [nummer 4] Nordiska Financial Partner Norway AS
Org. nr [nummer 5] Persoonsnummer [nummer 5]
[e-mailadres 1]
+ [telefoonnummer] Ondertekend op 2025-02-07 10:14:23 CET Ondertekend op 2025-02-03 10:01:31 (+0100)
CET (+0100)
[naam 3]
Nordiska kreditmarknadsaktiebolaget (publ) &
Nordiska Financial Partner Norway AS
Persoonsnumrner [nummer 6]
[e-mailadres 2]
Ondertekend op 2025-02-07 10:08:58 CET (+0100)
(…)”
2.7.
Op 6 mei 2025 heeft Qeld een brief gestuurd naar [gedaagde] waarin het volgende staat:
“(…)
Annulering van het eerder verleende krediet
Ondanks meerdere herinneringen hebben wij geen betaling ontvangen conform de kredietovereenkomst. Om deze reden zal het krediet in overeenstemming met paragraaf 16 van de Algemene Voorwaarden tien dagen na de datum bovenaan deze brief eindigen.
U heeft nu twee opties:
1. TERUGBETALEN VAN HET VOLLEDIGE KREDIET
Betaal de resterende schuld van € 56 487,28
Het bedrag dient binnen de opzegtermijn te worden voldaan.

2.BEHOUD HET KREDIET DOOR TIJDIGE TERUGBETALING BINNEN TIEN DAGEN

Wij bieden [eenmanszaak] de mogelijkheid om het krediet te behouden door de openstaande facturen te betalen, inclusief twee termijnen en maandelijkse tarieven, de boetevergoeding voor te late betaling en de rente voor te late betaling, dit alles binnen tien dagen na de datum van deze brief. De heractiveringskosten bedragen momenteel €50,00. Dit betekent dat u het bedrag van € 7 418,45 binnen tien dagen na de datum van deze brief dient te voldoen. Uw facturen zullen dan worden voortgezet volgens uw afbetalingsplan.
(…)”
2.8.
Qeld heeft een derde partij ingeschakeld om [gedaagde] tot betaling te bewegen. Zij hebben [gedaagde] aangemaand op 12 juni, 27 juni, 17 juli, 1 augustus, 11 augustus en 13 augustus 2025. Op 11 augustus 2025 heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd naar de derde waarin staat dat hij een betalingsregeling wil treffen. Partijen hebben vervolgens een betalingsregeling getroffen, die [gedaagde] niet is nagekomen.

3.Het geschil

3.1.
Qeld vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
€ 56.487,28 aan hoofdsom,
€ 3.938,49 aan wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) berekend tot de eerst dienende dag,
de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW tot de dag der algehele voldoening,
€ 1.339,87 aan buitengerechtelijke incassokosten,
de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro vanaf 23 december 2025 tot de dag der algehele voldoening.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Qeld, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Qeld in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Het geschil tussen partijen heeft een internationaal karakter, nu Qeld in Zweden gevestigd is. De rechtbank moet daarom eerst ambtshalve haar internationale bevoegdheid (rechtsmacht) en het toepasselijk recht vaststellen.
4.2.
Niet in geschil is dat partijen in artikel 27 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden (zie 2.3) een uitdrukkelijke forumkeuze hebben gemaakt voor de Nederlandse rechter in de zin van artikel 25 van Pro de Brussel I-bis Verordening. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van dit geschil. [1]
4.3.
Ook is niet in geschil dat partijen in artikel 27 van Pro de algemene voorwaarden (zie 2.3) een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht. De rechtbank vat dit op als een rechtskeuze voor Nederlands recht in de zin van artikel 3 van Pro de Rome I-Verordening. [2]
Cessie
4.4.
Qeld heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op grond van de kredietovereenkomst die hij (oorspronkelijk) met Nordiska heeft gesloten zijn betalingsverplichtingen moet nakomen aan Qeld, omdat Nordiska haar vorderingen uit hoofde van die overeenkomst heeft gecedeerd aan Qeld. [gedaagde] is zijn verplichtingen niet nagekomen, waardoor het krediet beëindigd is en op grond van de algemene voorwaarden het hele openstaande bedrag is opgeëist.
4.5.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet hoeft te betalen aan Qeld, omdat er geen sprake is van een rechtsgeldige cessie. Qeld kon daardoor de lening niet opeisen. De mededeling die [gedaagde] heeft ontvangen op 24 januari 2025 (zie 2.4) dateert namelijk van vóór de datum van het tekenen van de akte voor de overdracht van de vorderingen. Dat blijkt uit de data die staan in (de vertaling van) het “Verifikat” (zie 2.6). De ondertekeningen dateren immers van 3 en 7 februari 2025. Dat maakt dat er ten tijde van de mededeling op 24 januari 2025 nog geen akte van cessie was, waardoor geen rechtsgeldige cessie tot stand is gekomen.
4.6.
Het verweer van [gedaagde] slaagt niet. Daartoe geldt het volgende.
4.7.
Het gaat in deze zaak om een cessie die niet in een authentieke of geregistreerde akte is vastgelegd. Voor een geldige cessie is daarom vereist een daartoe bestemde (onderhandse) akte en mededeling daarvan aan degene tegen wie het recht kan worden uitgeoefend.
4.8.
Het gaat om twee constitutieve vereisten voor de levering. Onverschillig is echter in welke volgorde aan deze eisen wordt voldaan (zie NvW, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 398). Indien de akte is opgemaakt en mededeling aan de schuldenaar heeft plaatsgevonden, is de levering voltooid. Dat maakt dat er sprake kan zijn van een rechtsgeldige cessie indien er eerst een mededeling wordt gedaan aan de schuldenaar en daarna pas een akte wordt opgemaakt.
4.9.
[gedaagde] heeft verder niet betwist dat de Transfer List en het “Verifikat” gekwalificeerd kunnen worden als (onderhandse) akte in de zin van artikel 3:94 BW Pro. Verder staat vast dat hij de mededeling van de overdracht heeft ontvangen. Daarmee is sprake van een geldige cessie.
Reeds betaald?
4.10.
[gedaagde] heeft tot slot nog de hoogte van de vordering betwist omdat hij betalingen heeft gedaan. Dit betreft een bevrijdend verweer waarvan [gedaagde] de stelplicht en zo nodig de bewijslast draagt. [gedaagde] heeft echter niet aan zijn stelplicht voldaan, aangezien hij niet heeft gesteld hoeveel hij dan heeft betaald, wanneer hij dat heeft gedaan en aan wie. Ook zijn er geen betaalbewijzen overgelegd. Dit verweer slaagt dus niet.
Conclusie
4.11.
Omdat geen van de verweren van [gedaagde] slaagt, moet de hoofdsom van € 56.487,28 worden toegewezen.
Wettelijke (handels)rente
4.12.
Qeld heeft ook de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW gevorderd over deze hoofdsom, tot de dag der algehele voldoening. Deze wordt afgewezen. Daartoe geldt het volgende.
4.13.
Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten, zoals in dit geval kredietverlening, op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven. [3]
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 6:119a BW van toepassing is op rentebetalingen uit hoofde van een geldlening, omdat de dit de primaire betalingsverplichting betreft. Met andere woorden, de geldelijke tegenprestatie van de geldlening is de contractuele rente. Alleen daarover kan daarom de wettelijke handelsrente worden toegewezen. De aflossingen op een lening kwalificeren niet als zodanig, waardoor hierover geen handelsrente toegewezen kan worden.
4.15.
Qeld heeft echter niet inzichtelijk gemaakt hoe de hoofdsom is opgebouwd en welk deel daarvan de contractuele rente betreft. Ook nadat de rechtbank haar tijdens de zitting heeft voorgehouden dat de wettelijke handelsrente waarschijnlijk enkel toewijsbaar zou zijn over de rentebedragen, heeft zij haar stellingen niet nader aangevuld. Wel heeft zij gevraagd om in dat geval de contractuele vertragingsrente toe te wijzen. Omdat deze niet is gevorderd en Qeld ter zake geen eisvermeerdering heeft gedaan, kan die niet worden toegewezen. Dit alles betekent dat de rechtbank de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro toewijst over de gehele hoofdsom. Deze wordt berekend vanaf 16 mei 2025, omdat verder niet is weersproken dat [gedaagde] in ieder geval na de aangezegde opzegtermijn (zie nummer 2.7) in verzuim verkeerde.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
Qeld vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Qeld heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Qeld heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.339,87 worden toegewezen.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Qeld worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.001,71
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Qeld te betalen een bedrag van € 56.487,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 56.487,28, met ingang van 16 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Qeld te betalen een bedrag van € 1.339,87 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.001,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis-Verordening).
2.Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening).