ECLI:NL:RBAMS:2026:5813

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
C/13/788646
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing birdnesting-regeling in kort geding na huiselijk geweld

Partijen, die samen twee minderjarige kinderen hebben, woonden met hun kinderen in een gezamenlijke huurwoning en hadden na het beëindigen van hun relatie een birdnesting-regeling afgesproken. Na een incident van huiselijk geweld waarbij de man werd gearresteerd en een tijdelijk huisverbod kreeg, verliet de vrouw met de kinderen de woning.

De vrouw vorderde het uitsluitend gebruik van de huurwoning voor zes maanden, met betaling van de helft van de huur door de man. De man vorderde primair de toewijzing van de kinderen aan hem en subsidiair de voortzetting van de birdnesting-regeling.

De voorzieningenrechter stelde het belang van de kinderen voorop en oordeelde dat het in hun belang is om een vast dak boven het hoofd te hebben en in hun vertrouwde omgeving te verblijven. Gezien de financiële situatie van de vrouw en het ontbreken van redenen om het contact tussen de man en de kinderen te beperken, werd de woning gedeeld volgens de birdnesting-regeling. De man zorgt in de oneven weken voor de kinderen in de woning, de vrouw in de even weken, waarbij de man in de even weken geen toegang tot de woning heeft.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de subsidiaire vordering tot voortzetting van de birdnesting-regeling toe met een weekindeling voor de zorg van de kinderen in de gezamenlijke huurwoning.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788646 / KG ZA 26-455 MdV/GR
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 8 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 2 juni 2026,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W. van Egmond,
tegen
[de man] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.C. van der Hulst.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats als griffier.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling op 8 juni 2026 was de vrouw met mr. Van Egmond aanwezig, bijgestaan door de heer [naam] als tolk Engels. De man was aanwezig met mr. Van der Hulst.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van door hen vooraf ingediende processtukken en producties. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter na een korte schorsing op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt dat op 9 juni 2026 aan partijen is afgegeven.

2.Feiten en vorderingen

2.1.
Partijen hebben een relatie gehad en hebben samen twee kinderen, die nu 7 en 3 jaar oud zijn.
Partijen wonen met de kinderen in een huurwoning, waarvan zij beiden huurder zijn. Na het einde van de relatie hebben partijen een “birdnesting”-regeling afgesproken, waarbij zij om en om de zorg voor de kinderen hadden. Als de man de zorg voor de kinderen had, verliet de vrouw de woning. Als de vrouw de zorg voor de kinderen had, verbleef de man op de zolderkamer die geen eigen voorzieningen heeft.
2.2.
Op 22 april 2026 heeft de vrouw zich genoodzaakt gevoeld een melding van huiselijk geweld te doen bij de politie ten aanzien van de man. De politie was snel ter plaatse en heeft de man – in het bijzijn van de kinderen – gearresteerd, waarbij geweld is toegepast. De man is in verzekering gesteld en vervolgens heengezonden met oplegging van een tijdelijk huisverbod. De vrouw heeft aangifte van mishandeling gedaan. De man moet zich hierover in augustus 2026 verantwoorden ten overstaan van de strafrechter.
2.3.
Het huisverbod van de man is, na verlenging, verlopen op 20 mei 2026. Hij is toen teruggekeerd naar de woning, waar hij sindsdien verblijft. De vrouw is met de kinderen vertrokken naar een vriendin.
2.4.
Tijdens het huisverbod heeft de man een keer contact gehad met de kinderen, in bijzijn van Jeugdbescherming. Andere afspraken met Jeugdbescherming zijn door de vrouw afgezegd.
2.5.
De vrouw vordert dat haar het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke huurwoning wordt toegekend, voor de duur van zes maanden dan wel totdat de kantonrechter heeft beslist over de toekenning van het huurrecht. Daarbij vordert zij dat de man wordt veroordeeld gedurende die periode de helft van de huur te betalen. De vrouw stelt dat zij rust nodig heeft om de gebeurtenissen te verwerken en te bezien waar zij met de kinderen kan gaan wonen. Mede omdat de vrouw in overleg met de man is gestopt met werken en is gaan studeren, waardoor zij geen inkomen heeft, heeft de man een zorgplicht om voorlopig de helft van de huur te blijven betalen.
2.6.
De man voert verweer. Hij voert aan dat de vrouw elders verblijft en niet heeft aangetoond dat zij daar niet langer zou kunnen blijven. De man heeft geen vervangende woonruimte. Hij heeft er dus belang bij om in de huurwoning te blijven, waarvan hij de lasten betaalt. Verder heeft hij de afgelopen jaren het grootste deel van de zorg voor de kinderen op zich genomen en hij kan dat ook nu prima doen. De vrouw blokkeert sinds zijn arrestatie alle contact met de kinderen, op een moment na, dat goed is verlopen. De man vordert primair dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd, met vaststelling van een omgangsregeling. Subsidiair vordert de man dat de eerder geldende “birdnesting”-regeling wordt hervat.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de beoordeling van de vorderingen over en weer moet het belang van de kinderen voorop worden gesteld. Het is in het belang van de kinderen om een vast dak boven hun hoofd te hebben en om in hun vertrouwde omgeving te verblijven. Dit betekent dat de kinderen in ieder geval terug moeten naar de woning.
3.2.
De vraag is dan welke ouder in de woning mag verblijven. Vooralsnog kan niet worden aangenomen dat de vrouw het huurrecht toegekend zal krijgen in een bodemprocedure, al was het maar omdat haar financiële situatie dat niet lijkt toe te laten. Er is geen juridische grond om de man te verplichten de helft van de huur te betalen, als de vrouw alleen in de woning verblijft.
3.3.
Er is ook geen reden om de kinderen alleen aan de man toe te vertrouwen. Evenmin is er reden om aan te nemen dat het contact tussen de man en de kinderen niet in het belang van de kinderen zou zijn.
3.4.
Dit alles betekent dat de woning onder de huidige omstandigheden zal moeten worden gedeeld. De kinderen blijven dan in de woning en de man en de vrouw wisselen af. De door de man subsidiair gevorderde “birdnesting”-regeling is daarmee toewijsbaar. Deze zal ingaan op maandag 15 juni 2026. De man zorgt dan – en in de volgende oneven weken – voor de kinderen in de gezamenlijke woning. In de even weken doet de vrouw dat, telkens van maandag 8:30 uur tot de maandag daarop om 8:30 uur. Daarbij heeft te gelden dat het de man is verboden om in de even weken/de weken dat de vrouw met de kinderen in de gezamenlijke woning verblijft, de woning te betreden en/of het gezin anderszins te benaderen. De man heeft in die even weken ook geen omgang met de kinderen.
3.5.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de kosten van deze procedure worden tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
bepaalt dat de man, met ingang van 15 juni 2026, in de oneven weken voor de kinderen zorgt in de gezamenlijke huurwoning, van maandagochtend 08.30 uur tot de maandagochtend daarop 08.30 uur, waarbij de vrouw de woning verlaat en elders verblijft, en dat de vrouw in de even weken voor de kinderen zorgt in de gezamenlijke huurwoning, van maandagochtend 08.30 uur tot de maandagochtend daarop 08.30 uur, waarbij de man de woning verlaat en elders verblijft,
4.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld. Bij afwezigheid van mr. De Vries is dit proces-verbaal op 9 juni 2026 ondertekend door mr. J.L.M. Groenewegen, voorzieningenrechter.
Coll: EV