ECLI:NL:RBAMS:2026:5822

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
AMS 26/2542
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening gesloten buitenwagen op grond van Wmo

Eiseres heeft op 12 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een gesloten buitenwagen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Deze aanvraag is door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 4 februari 2026 afgewezen, waarbij een scootmobiel in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) werd toegekend. Na bezwaar bleef het college bij dit besluit, waarna eiseres beroep instelde en een voorlopige voorziening verzocht.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 behandeld. Eiseres stelde dat het toegekende pgb onvoldoende was om een passende voorziening aan te schaffen en dat zij daardoor feitelijk zonder vervoer zat, wat haar zelfstandige verplaatsing voor medische afspraken en zorg voor haar kinderen belemmerde. Zij voerde aan dat de medische adviezen waarop het besluit was gebaseerd onzorgvuldig en tegenstrijdig waren.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet kon wachten op de uitkomst van de beroepsprocedure. Er was geen acute noodsituatie gebleken en het pgb was reeds uitgekeerd, waarmee zij een tweedehands buitenwagen had kunnen aanschaffen. Ook was er geen evident onrechtmatig besluit, aangezien de medische adviezen zorgvuldig en begrijpelijk waren. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S.D. Arnold op 10 juni 2026 en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 26/2542

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats], verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een gesloten buitenwagen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat geen sprake is van een spoedeisend belang of een evident onrechtmatig besluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft op 12 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een gesloten buitenwagen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 februari 2026 afgewezen en een scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) toegewezen. Met het bestreden besluit van 30 april 2026 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dit besluit gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Verzoekster was niet aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. In een geschil als het onderhavige, dient de voorzieningenrechter daarbij de vraag te beantwoorden of uitblijven van de gevraagde voorziening in dit geval leidt tot het ontstaan van een zodanige ernstige situatie dat het niet mogelijk is om de behandeling van de beroepsprocedure af te wachten.
4. Verzoekster voert aan dat de toegekende voorziening, een scootmobiel beperkt tot de woonomgeving in de vorm van een pgb, haar beperkingen niet compenseert en is gebaseerd op een medisch advies dat innerlijk tegenstrijdig en onzorgvuldig is. Hoewel aan verzoekster een pgb is toegekend, kan zij hier in de praktijk geen gebruik van maken. Het budget is onvoldoende om een passende voorziening aan te schaffen en verzoekster beschikt niet over eigen financiële middelen om dit aan te vullen. Hierdoor zit verzoekster sinds februari 2026 feitelijk zonder vervoer en is zij afhankelijk van anderen. Verzoekster kan zich niet zelfstandig verplaatsen voor medische afspraken en de zorg voor haar zeven kinderen. Gezien de medische situatie van verzoekster en de onvoorspelbaarheid van haar klachten is de huidige situatie niet houdbaar en kan zij de uitkomst van de beroepsprocedure niet afwachten.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij niet kan wachten op de uitkomst van de beroepsprocedure. Niet is gebleken dat er een acute noodsituatie kan ontstaan, waarbij bijvoorbeeld haar gezondheid verder verslechtert als de gevraagde voorziening niet onmiddellijk wordt getroffen. Verzoekster heeft namelijk niet onderbouwd hoe zij haar vervoer nu regelt. Daarnaast heeft de gemachtigde van verweerder op de zitting toegelicht dat het pgb al aan verzoekster is uitgekeerd en dat verzoekster daarvan een tweedehands gesloten buitenwagen zou moeten kunnen kopen. Het is onduidelijk gebleven of verzoekster van het pgb gebruik heeft gemaakt en of zij inmiddels over een scootmobiel beschikt. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een spoedeisend belang.
6. Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan hij alleen een voorlopige voorziening treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of wettelijke bepalingen van de zaak.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Zonder grondig onderzoek te doen lijken de medische adviezen van Argonaut zorgvuldig tot stand te zijn gekomen, met daarin een begrijpelijke redenering en een getrokken conclusie die daarop aansluit. Verzoekster heeft verder geen medische stukken overgelegd waaruit zou blijken dat aan de adviezen van Argonaut getwijfeld moet worden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

Conclusie

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.