De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van poging tot uitlokking van ontvoering en/of afpersing en witwassen van een Volkswagen Golf ter waarde van €27.500.
Na uitgebreid onderzoek, waaronder analyse van PGP-berichten en getuigenverklaringen, oordeelde de rechtbank dat niet bewezen kon worden dat verdachte medepleger was van de poging tot uitlokking. Verdachte was volgens de rechtbank zelf uitgelokt en fungeerde als contactpersoon, maar gebruikte geen uitlokkingsmiddelen.
Wel werd vastgesteld dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen door verhulling van het eigendom van de Volkswagen Golf, die afkomstig was uit een misdrijf. Verdachte had de feitelijke beschikking over de auto en gebruikte valse documenten om dit te verhullen.
De rechtbank legde geen straf op vanwege de ernstige overschrijding van de redelijke termijn, de oude feiten en eerdere veroordelingen van verdachte. Op grond van artikel 9a Sr werd verdachte veroordeeld zonder strafoplegging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen poging tot uitlokking en afpersing, maar veroordeeld voor witwassen zonder strafoplegging.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71.080939.22
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
In deze zaak zijn zittingen geweest op 29 november 2023 en 17 januari 2025. Daarna is het onderzoek opnieuw aangevangen op 30 januari 2026 en zijn zittingen geweest op: 2 februari 2026, 6 februari 2026, 10 februari 2026, 16 februari 2026 en 20 februari 2026. Dit vonnis is op 11 juni 2026 op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. J. Plooij en Z. Trokic (hierna: officier van justitie) en van wat de raadsman van verdachte mr. R. van ’t Land naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 november 2023 – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
medeplegen van een poging tot uitlokking van [medeverdachte 1] en [naam 1] tot ontvoering en/of afpersing van [slachtoffer] in de periode van 31 januari 2015 tot en met 27 mei 2016, en
medeplegen van gewoonte(schuld)witwassen van € 27.500,-, althans een personenauto van het merk Volkswagen Golf ter waarde van € 27.500,- in de periode van 1 april 2015 tot en met 5 juli 2016.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.Waardering van het bewijs
3.1
Inleiding
Op 27 mei 2016 heeft er op de Klipperweg in Diemen een dodelijk schietincident plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] om het leven is gebracht. [slachtoffer] werd voor zijn woning in zijn auto doodgeschoten. Zijn negenjarig zoontje zat op dat moment bij hem in de auto. Na de moord is de schutter bij een tweede persoon achter op een scooter gesprongen en weggevlucht. Naar aanleiding van deze moord is het strafrechtelijk onderzoek Skipers I gestart.
Bij vonnis van 17 januari 2020 is door rechtbank Amsterdam vastgesteld dat [naam schutter] de schutter was. Hij is veroordeeld voor het medeplegen van de moord tot 23 jaar gevangenisstraf. [naam schutter] is tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 17 mei 2023 is hij door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar. Die veroordeling is inmiddels onherroepelijk.
Uit een ander strafrechtelijk onderzoek – 26Tandem – heeft de recherche zicht gekregen op ontsleutelde Ennetcom-berichten (hierna: PGP-berichten) van een gebruiker met het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] en [e-mailadres] ). Nader onderzoek naar de berichten uit deze [e-mailadres] heeft ertoe geleid dat het vermoeden is ontstaan dat 93 berichten gaan over [slachtoffer] en er voorafgaand aan de liquidatie sprake was van een plan om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen. Naar aanleiding daarvan is onderhavig onderzoek Skipers II gestart, waarin verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] strafrechtelijk worden vervolgd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voor betrokkenheid bij de moord en verdachte en [medeverdachte 2] voor het daaraan voorafgaande plan om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen.
De verdenking tegen verdachte houdt in dat hij samen met [medeverdachte 2] heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] en/of [naam 1] uit te lokken om [slachtoffer] te ontvoeren dan wel af te persen (feit 1).
Onderzoek naar de berichten uit de [e-mailadres] hebben ook geresulteerd in de verdenking dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] en [naam 2] heeft schuldig gemaakt aan gewoonte(schuld)witwassen van € 27.500,-, althans een Volkswagen Golf (feit 2).
3.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd dat kan worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] en [naam 1] uit te lokken om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen (feit 1). Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat [medeverdachte 2] door [slachtoffer] was opgelicht en vervolgens aan [medeverdachte 2] heeft aangeboden om iemand te regelen die zijn geld zou terughalen. Hij heeft hiervoor [medeverdachte 1] benaderd en gedaan alsof [medeverdachte 2] € 200.000,- voor deze opdracht had betaald. Verdachte heeft € 50.000,- in eigen zak gestoken. De contacten en ontmoetingen met [medeverdachte 1] liepen via verdachte. Het opzet van verdachte bleef gericht op “ rustig blijven en inladen”, zoals hij aan [medeverdachte 1] berichtte.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van witwassen van € 27.500,-. Hij heeft zich daartoe gebaseerd op het arrest van gerechtshof Amsterdam in de zaak tegen [naam 3] , waarin door het gerechtshof is bewezen verklaard dat verdachte samen met [naam 3] heeft verhuld dat hij de feitelijke rechthebbende van een Volkswagen Golf is. Toen de Volkswagen Golf in beslag werd genomen heeft verdachte de zekerheidstelling aan het Openbaar Ministerie betaald, teneinde de Volkswagen Golf terug te kopen. Dat blijkt uit PGP-berichten die verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] met [naam 2] heeft gevoerd. Door het geld aan het Openbaar Ministerie over te maken via een bankrekening van [naam 2] heeft verdachte samen met [naam 2] verhuld dat hij de rechthebbende van de Volkswagen Golf is. Gelet daarop kan het niet anders dan dat het geld waarmee de Volkswagen Golf is teruggekocht, van misdrijf afkomstig is.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken en heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd.
Feit 1
Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte samen met [medeverdachte 2] heeft geprobeerd om [medeverdachte 1] en [naam 1] uit te lokken om [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen. Uit de PGP-berichten blijkt niet van een concrete en eenduidige opdracht tot ontvoering of afpersing vanuit verdachte richting [medeverdachte 1] , niet als pleger maar ook niet als medepleger. Ook blijkt uit de berichtgeving niet dat verdachte wilde dat [slachtoffer] zou worden ontvoerd of afgeperst of dat verdachte daartoe uitlokkingsmiddelen heeft gebruikt. Uit het dossier volgt ook niet dat hij aan [medeverdachte 2] heeft aangeboden om iemand te regelen om het geld terug te halen. Zelfs indien de rechtbank dat wel zou vaststellen, dan is iemand regelen om geld terug te halen niet hetzelfde als een poging iemand uit te lokken tot een ontvoering en/of afpersing. Het gaat dan immers enkel om het terughalen van het geld en niet over de wijze waarop dat gebeurt. Weliswaar heeft verdachte als doorgeefluik van berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gefungeerd, maar daarmee is hij niet aan te merken als medepleger van poging tot uitlokking van ontvoering en/of afpersing. Dat verdachte er op enig moment wetenschap van heeft gekregen dat met een ontvoering en/of afpersing zou worden geprobeerd het geld van [medeverdachte 2] terug te halen, doet daar niet aan af. Juist verdachte is degene die – net als [medeverdachte 1] – door [medeverdachte 2] is uitgelokt.
Feit 2
Niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die het geld voor de zekerheidstelling van de Volkswagen Golf aan het Openbaar Ministerie heeft betaald.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot uitlokking van ontvoering en/of afpersing (feit 1).
Wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 2).
De rechtbank zal hierop nader ingaan in paragraaf 3.4.2.
Het Openbaar Ministerie baseert haar verdenking voor een groot deel op de inhoud van PGP-berichten. De rechtbank zal aanvangen met een paar algemene opmerkingen met betrekking tot het gebruik van PGP-berichten als bewijsmiddel (paragraaf 3.4.1. onder A).
De rechtbank zal daarna de PGP-adressen bespreken die de rechtbank aan de verdachte(n) toeschrijft en voor het bewijs gebruikt (paragraaf 3.4.1. onder B).
Voorts zal de rechtbank de vraag beantwoorden of zij de verklaring van de anonieme bedreigde getuige als bewijsmiddel zal gebruiken (paragraaf 3.4.1. onder C).
3.4.1.
PGP-communicatie en de anonieme bedreigde getuige
A. PGP-berichten als bewijsmiddel
Schriftelijke PGP-berichten hebben bewijstechnisch de status van ‘een ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 eerstePro lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dit betekent dat de inhoud daarvan alleen als bewijs kan dienen als er ook ander bewijs is. Dat andere bewijs kan ook bestaan uit een ‘ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 lidPro 1 sub 5 Sv. In dit dossier bestaat het bewijs niet uitsluitend uit op zichzelf staande PGP-berichten, maar is er sprake van berichtenwisselingen tussen minimaal twee gebruikers van PGP-telefoons. Voorts geldt dat de inhoud van de PGP-berichten isbeschreven in ambtsedige processen-verbaal waarin ook andere omstandigheden zijn beschreven die aan het bewijs bijdragen. Aan de eis van artikel 344 lid 1 subPro 5 Sv is dan ook voldaan.
Met het gebruik van PGP-berichten voor het bewijs moet wel behoedzaam worden omgegaan. Het betreffen onderschepte berichten die niet zijn opgesteld om te dienen als bewijs in een strafproces. Er is niet altijd sprake van gebruikers die als getuige de vermeende inhoud van de berichten hebben bevestigd. In de berichten wordt verder soms versluierde taal gebruikt en het betreffen gesprekken die plaatsvinden in een context die voor de gebruikers van de berichten bekend is, maar lang niet altijd voor een buitenstaander. Ook beschikt de rechtbank niet over het volledige berichtenverkeer. Dit alles impliceert dat een interpretatie is vereist om iets over de betekenis van de berichten te zeggen. De rechtbank is zich van dit alles bewust. Om deze redenen is voorzichtigheid geboden. Aan de andere kant is voor de bewijswaarde relevant dat personen die de versleutelde berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden. Ook dat neemt de rechtbank in aanmerking. De enkele mogelijkheid dat PGP-berichten ook ‘desinformatie’ kunnen bevatten, maakt niet dat de bewijswaarde beperkt of nihil is.
B. PGP-adressen
[medeverdachte 1]
heeft erkend dat hij de gebruiker is geweest van het PGP-adres [e-mailadres] (hierna: [e-mailadres] en [e-mailadres] ). [2]
Verdachte
[e-mailadres] (# [e-mailadres] )
Op 19 maart 2015, vraagt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) aan de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: # [e-mailadres] ) " om die BSN van iedereen". De gebruiker van het e-mailadres # [e-mailadres] stuurt vervolgens terug " Mijne [nummer]" .Uit onderzoek naar het BSN [nummer] , in de politiesystemen (GBA), blijkt bij het voornoemde BSN de volgende personalia te horen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] .
[e-mailadres] (# [e-mailadres] )
Na de inbeslagname van het voertuig met kenteken [kenteken] volgt een e-mailwisseling tussen [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) en de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: # [e-mailadres] ). Tijdens deze e-mailwisseling wordt er gesproken over “ 25.000 + 2.500 de kosten voor het wit maken”. [medeverdachte 1] zegt dat het bedrag wordt overgemaakt naar BOOM (lees: Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie). [medeverdachte 1] vraagt vervolgens “op wie zijn naam die auto komt”.
De gebruiker van het e-mailadres # [e-mailadres] stuurt vervolgens onder ander het volgende bericht naar [medeverdachte 1] : " Ovj zegt tegen [naam 4] maakt niet uit waar vandaan als het maar namens [verdachte] betaald word".
[medeverdachte 1] zegt vervolgens onder andere het volgende: " Zij betalen etc dus zij adviseren dat de auto op naam van hun bedrijf komt en er een constructie wordt verzonnen door hun dat regelen zij allemaal!".
Uit het voornoemde proces-verbaal van het Functioneel Parket te Amsterdam blijkt onder andere het volgende:
Op 8 september 2015 werd schriftelijk aan verdachte meegedeeld dat de Volkswagen Golf (waarop op 13 mei 2015 in het strafrechtelijke financieel onderzoek Higgins conservatoir beslag werd gelegd) aan hem teruggegeven zou worden als hij op grond van artikel 118a Sv een zekerheid zou betalen van € 25.000,-. Op 23 september 2015 ontving het Openbaar Ministerie vervolgens op haar rekening € 25.000,-. Het geld werd overgeboekt van ING rekening [nummer] op naam van [naam B.V.] met rekeninghouder [naam 2] , de feitelijk eigenaar/bestuurder. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat hij de jongere broer is van [naam 3] , de feitelijk bestuurder/directeur van [naam B.V.] . [3] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 januari 2024 [naam 3] veroordeeld voor het, samen met verdachte, witwassen van € 33.480,-, waarmee de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] in september 2014 is aangeschaft. Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat verdachte de feitelijk rechthebbende van de Volkswagen Golf was. [4]
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is van # [e-mailadres] en # [e-mailadres] . Het verweer van de raadsman wordt op dit punt verworpen. [medeverdachte 1] is de gebruiker van [e-mailadres] .
Voor de leesbaarheid van dit vonnis zullen in het vervolg bij de weergave van PGP-gesprekken de door de rechtbank aan die PGP-adressen gekoppelde personen worden ingelezen.
C. Anonieme bedreigde getuige
De rechtbank zal de verklaring van de anonieme bedreigde getuige niet voor het bewijs gebruiken. De rechtbank laat in het midden of de verklaring van deze getuige in zijn algemeenheid als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Geconstateerd moet worden dat deze getuige vooral “van horen zeggen” verklaart, terwijl ook uit de zich in het dossier bevindende TCI-verstrekkingen is gebleken dat er veel door al dan niet direct betrokkenen over (de achtergronden van) de liquidatie is gesproken. De verklaring van de anonieme bedreigde getuige mist om deze reden voor de rechtbank voldoende overtuigingskracht.
3.4.2.
Vrijspraak en bewezenverklaring
3.4.2.
Vrijspraak medeplegen poging tot uitlokking van ontvoering en/of afpersing (feit 1)
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot uitlokking van ontvoering en/of afpersing. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat van strafbare uitlokking in de zin van artikel 47 lid 1 onderPro 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) sprake is als iemand een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit, waarvoor die ander zelf kan worden gestraft. De uitlokker werkt in beginsel zelf niet mee aan de uitvoering van het delict. Hij heeft alleen de ander op het idee gebracht door gebruikmaking van uitlokkingsmiddelen (het doen van een gift of een belofte, misbruik maken van gezag, geweld, bedreiging, misleiding of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen).
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op de zitting van 20 februari 2026 als getuige in de zaak tegen verdachte verklaard dat hij door [slachtoffer] is opgelicht. [slachtoffer] zou volgens [medeverdachte 2] er vandoor zijn gegaan met zijn twee miljoen euro. Verdachte en [medeverdachte 1] zouden zijn geld voor hem terughalen bij [slachtoffer] . Hij heeft daarover meer gesprekken met verdachte gevoerd, waarbij ook is besproken dat een incasso-opdracht geld gaat kosten. Nadat hij zou hebben betaald zouden verdachte en [medeverdachte 1] samen regelen dat hij zijn geld terug zou krijgen. Hij heeft toen € 250.000,- aan verdachte overhandigd. Dat geld was voor verdachte en [medeverdachte 1] bedoeld.
De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat zowel verdachte als [medeverdachte 1] door [medeverdachte 2] zijn uitgelokt om bij [slachtoffer] het geld van [medeverdachte 2] afhandig te maken door [slachtoffer] te ontvoeren en/of af te persen. Dat verdachte samen met [medeverdachte 2] de uitlokker is van [medeverdachte 1] , volgt niet uit het dossier. Uitgaande van de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt immers dat verdachte en [medeverdachte 1] door [medeverdachte 2] zijn betaald, met als doel om samen het geld van [medeverdachte 2] bij [slachtoffer] terug te halen. Dit wordt ondersteund door het gegeven dat een groot deel van het door [medeverdachte 2] genoemde totaalbedrag, te weten € 200.000,-, tijdens een doorzoeking van de woning van de vader van verdachte in beslag is genomen in samenhang met PGP-berichten waarin is besproken dat “ het buitje van V” al betaald was. Daarmee dient verdachte niet als ‘uitlokker’ maar als ‘uitgelokte’ te worden aangemerkt. Dat [medeverdachte 2] door verdachte in contact is gekomen met [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 2] alleen via verdachte met [medeverdachte 1] contact had, maakt dat oordeel niet anders. Dit kan immers niet als uitlokkingsmiddel in de zin van artikel 47 lid 1 onderPro 2 Sr gelden, en ook niet als het verschaffen van gelegenheid. Het verschaffen van gelegenheid als uitlokkingsmiddel ziet immers op het daarmee uitlokken van een persoon, terwijl verdachte zelf nog niet was uitgelokt toen hij [medeverdachte 1] introduceerde. Nadien hebben er immers nog verscheidene gesprekken plaatsgevonden alvorens de opdracht rond was. En pas nadat verdachte had betaald, zouden verdachte en [medeverdachte 1] de opdracht gaan uitvoeren. De rechtbank beschouwt het introduceren van [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] dan ook niet als uitlokkingsmiddel. Ook het optreden van verdachte als contactpersoon tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ziet de rechtbank niet als uitlokkingsmiddel doch wel als uitvoeringshandelingen van de opdracht van [medeverdachte 2] .
Omdat de rechtbank vaststelt dat het handelen van verdachte niet kan worden gezien als uitlokking, maakt dat ook de uitlokking ten aanzien van [naam 1] – de contactpersoon van [medeverdachte 1] - niet kan worden bewezen.
Oordeel rechtbank
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van poging tot uitlokking van ontvoering en/of afpersing.
3.4.3.
Bewezenverklaring witwassen (feit 2)
Op 9 oktober 2012 is [naam B.V.] opgericht. [naam 3] is hiervan bestuurder en enig aandeelhouder. [5] Onder [naam B.V.] hing [naam B.V.] . (hierna: [naam B.V.] ). [6]
Uit de administratie van [naam B.V.] en de antwoorden die [naam 3] heeft gegeven op vragen van de curator in het faillissement van [naam B.V.] , blijkt dat [naam B.V.] in september 2014 € 33.480,-, waarvan € 8.500,- in contanten, heeft betaald voor een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen Golf). [7] De Volkswagen Golf stond van 30 september 2014 tot en met 7 april 2015 op naam van [naam B.V.] [8] Uit het eigendomsonderzoek naar de Volkswagen Golf blijkt dat verdachte op 13 september 2014, 22 november 2014 en 10 maart 2015 is gesignaleerd als bestuurder van de Volkswagen Golf. Verder is gebleken dat verdachte de boetes, de verzekering en de houderschapsbelasting voor de Volkswagen Golf giraal aan [naam B.V.] betaalde. [9]
Op 30 maart 2015 sturen verdachte (# [e-mailadres] ) en [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) elkaar de volgende berichten:
[medeverdachte 1] : Ik heb hindi vanacht gezegd dat hij vandaag achter alle betalingen aan moet gaan en heb hem 3200 euro vanacht gegeven voor 2 nieuwe bv die zijn vader gaat opzetten en boekhoudtechnisch gaat runnen broer dus vandaag gaan we horen hoe het staat met [naam B.V.] en al zijn ellende (…) Ik heb hem gezegd geef mij alle brieven ligt allemaal nu bij zijn vader op kantoor komt wel sowieso moeten wij zelf die 2 nieuwe bv hebben voor andere dingen die dikke betaalt alle kosten daarvan (…) Die auto moet dan worden overgezet he?
Verdachte: Ja. Denk morgen al. Alleen papier werk zit ik even mee want er moeten rekeningen overlegd worden enz kut zooi. Maar heb iemand.
[medeverdachte 1] : Oke broer anders mag ook op mijn naam alleen in de stad kan je soms staande gehouden worden ivm meldingen die ik heb staan.
Verdachte: Je bent moe!!! Jij snap niks van autos en al dat gezeik wat er bij komt. Auto van 40 kan niet zomaar op je naam gek aff. [10]
Op 31 maart 2015 sturen verdachte (# [e-mailadres] ) en [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) de volgende berichten naar elkaar:
[medeverdachte 1] : Broer [naam B.V.] heb ik net besloten om definitief te laten klappen dan weet je dat.
Verdachte: Wat een verrassing met hindi aan het bestuur dat had ik nou nooit verwacht! Die auto gaat vanmiddag over. [11]
Op 1 april 2015 sturen verdachte (# [e-mailadres] ) en [medeverdachte 1] ( [e-mailadres] ) elkaar de volgende berichten:
Verdachte: Broer ik krijg die auto niet weg? En nu?
[medeverdachte 1] : Ik ga denken voor een oplossing (…)
Verdachte: Hij kan niet zomaar over geschreven worden zonder factuur zonder reden uit die bv. Dat is een reden voor beslag. Kan ik nog wel over de snelweg? (…) Teveel gedoe nu met die auto dood ziek ben ik er van. Hindi jongen bedankt.
[medeverdachte 1] : Geen probleem broer heb jij een persoon of BV die het wel kan nemen op zijn of haar naam?
Verdachte: Er moet een lage factuur vanuit [naam B.V.] gestuurd worden anders pakken ze m af curator of justitie.
[medeverdachte 1] : Naar wie moet die factuur gestuurd worden? En moet via rekening
betaald worden of kan hindi zeggen hij heeft contant ontvangen en opgemaakt? [12]
De Volkswagen Golf werd op 7 april 2015 overgeschreven op naam van [naam B.V.] Toen de curator om bewijs vroeg dat [naam B.V.] geld voor de verkoop van de Volkwagen Golf had ontvangen, heeft [naam 3] aan de curator een kwitantie overgelegd waarop staat dat [naam 3] op 7 april 2015 € 15.000,- contant heeft ontvangen van [naam B.V.] voor de verkoop van de Volkswagen Golf ‘met motorschade’. [naam 3] heeft deze kwitantie ondertekend voor ontvangst. Op de bankrekeningen van [naam 3] en van [naam B.V.] zijn in april 2015 geen contante stortingen waargenomen die een waarde van € 15.000,- vertegenwoordigen. [13]
Op 13 mei 2015 is de Volkswagen Golf onder verdachte in beslag genomen. Kentekenhouder [naam B.V.] heeft vervolgens geklaagd tegen het beslag. In het klaagschrift staat dat [naam B.V.] niet voor de Volkswagen Golf heeft betaald, omdat de koop niet was doorgegaan. [14]
Het gerechtshof Amsterdam heeft in de zaak tegen [naam 3] bij arrest van 25 januari 2024 vastgesteld dat verdachte de feitelijk rechthebbende van de Volkswagen Golf was. Ook heeft het gerechtshof een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [naam B.V.] alsmede de kwitantie van de verkoop van de Volkswagen Golf door [naam B.V.] aan [naam B.V.] , vals bevonden.
Het gerechtshof Amsterdam heeft [naam 3] veroordeeld voor het, samen met verdachte, witwassen van € 33.480,-, waarmee de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] in september 2014 is aangeschaft. [15]
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte € 27.500,- heeft witgewassen. Wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van de Volkswagen Golf. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat naar bestendige jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het geldbedrag van € 27.500,- van misdrijf afkomstig is. Uit het dossier volgen onvoldoende gedragingen en/of feiten en omstandigheden waaraan een witwasvermoeden ten aanzien van dit bedrag kan worden ontleend. Dat verdachte in een gesprek met [medeverdachte 1] heeft voorgesteld dat hij voor het geld zal zorgen waarmee door de zekerheidstelling aan het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen Volkswagen Golf kon worden teruggekregen, is daarvoor onvoldoende. Dat verdachte er belang bij had dat de zekerheidstelling betaald zou worden, maakt dat oordeel evenmin anders. Verdachte zal dan ook van het witwassen van dit geldbedrag worden vrijgesproken.
Voor het witwassen van de Volkswagen Golf geldt het volgende.
De rechtbank stelt vast – overeenkomstig het arrest van het gerechtshof Amsterdam in de zaak tegen [naam 3] – dat verdachte de feitelijk rechthebbende van de Volkswagen Golf was. Reeds vanaf de aanschaf van de Volkswagen Golf in september 2014 door [naam B.V.] is verdachte continu de gebruiker van de Volkswagen Golf geweest en heeft hij daarover de beschikking gehad. Door het opmaken van een valse arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [naam B.V.] is voor verdachte ‘werk op papier’ geregeld, kennelijk zodat verdachte de Volkswagen Golf kon rijden zonder dat dit vragen zou oproepen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de PGP-berichten tussen verdachte en [medeverdachte 1] , waarin [medeverdachte 1] aanbiedt om een auto op zijn naam te laten zetten. Verdachte antwoordt daarop: “Je bent moe!!! Jij snap niks van autos en al dat gezeik wat er bij komt. Auto van 40 kan niet zomaar op je naam gek aff”.Als verdachte op 1 april 2015 tegen [medeverdachte 1] zegt dat hij ‘die auto niet weg krijgt’, legt verdachte uit dat het ‘zomaar overschrijven van de auto zonder daarbij een factuur te kunnen laten zien waarop een reden staat vermeld waarom de auto tegen een laag bedrag is verkocht, een reden voor beslag is. “Anders pakken ze m af curator of justitie”, aldus verdachte. [medeverdachte 1] vraagt ook nog of verdachte een persoon of B.V. heeft die de auto op zich kan nemen. Dit duidt erop dat verdachte er een belang bij had dat de auto niet op zijn naam zou staan en de auto en hijzelf buiten het zicht van de autoriteiten zouden worden gehouden. Overeenkomstig deze gesprekken is de Volkswagen Golf een paar dagen later door [naam B.V.] voor € 15.000,- verkocht aan [naam B.V.] Door het opmaken van een valse kwitantie waarop staat vermeld dat de Volkswagen Golf motorschade heeft, is de lage verkoopprijs onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van voorgaande gedragingen een gerechtvaardigd vermoeden is ontstaan dat het geld waarmee de Volkswagen Golf is betaald, van misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft over de herkomst van het geld geen verklaring afgelegd.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van een vermoeden van witwassen, zonder dat door verdachte een verklaring over de herkomst van het geld is afgelegd. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld waarmee de Volkswagen Golf door [naam B.V.] is aangeschaft van misdrijf afkomstig is. Daarmee is de Volkswagen Golf – middellijk – van misdrijf afkomstig. Met het door [naam B.V.] laten kopen van de Volkswagen Golf waardoor de Volkswagen Golf niet op naam van verdachte stond, het opmaken van een valse arbeidsovereenkomst zodat verdachte in de auto kon rijden en het opmaken van een valse kwitantie met betrekking tot de verkoop van de Volkswagen Golf waarmee bovendien het lage verkoopbedrag werd verantwoord, heeft verdachte – samen met [naam 3] – verhuld dat verdachte de rechthebbende van de Volkswagen Golf is. Verdachte heeft door het voorhanden hebben van de Volkswagen Golf en het verhullen dat hij daarvan de feitelijke rechthebbende is, zich samen met [naam 3] schuldig gemaakt aan witwassen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt, nu het om één voorwerp gaat. Verdachte zal voor dit strafverzwarende onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat de Volkswagen Golf middellijk uit enig misdrijf afkomstig is, is de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet aan de orde. Bovendien is er wel degelijk sprake van verhullingshandelingen. Het verweer van de raadsman dienaangaande behoeft dan ook geen verdere bespreking.
4.Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
2.
in de periode van 1 april 2015 tot en met 13 mei 2015 in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
immers hebben hij en zijn mededader van een voorwerp verhuld wie de rechthebbende van dat voorwerp was en het voorwerp voorhanden gehad,
terwijl hij en zijn mededader wisten, dat het hierna genoemde voorwerp - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, te weten: een Volkswagen Golf (voorzien van kenteken [kenteken] ).
5.De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7.Strafmotivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een ruimschootse overschrijding van de redelijke termijn met vijf jaren en compensatie in de vorm van 20% strafkorting daaraan geen recht doet. Bovendien gaat het om oude feiten van bijna elf jaar geleden. Ook gelet op het bepaalde in artikel 63 SrPro is de strafeis van 38 maanden gevangenisstraf buitensporig hoog en staat deze eis in geen enkele verhouding met alle van belang zijnde aspecten van de zaak en de persoonlijke belangen van verdachte. Verdachte is inmiddels bezig zijn leven op te bouwen; hij heeft een woning, werk en een relatie en hij lost een aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel af. Een langdurige gevangenisstraf zal dit alles doorkruisen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt niet tot het opleggen van en straf of maatregel. Het volgende is hiervoor van belang.
Allereerst komt de rechtbank tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, waardoor het zwaarste aan verdachte gemaakte verwijt wegvalt.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een personenauto ter waarde van € 27.500,-. Dit is een ernstig feit. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast werkt het faciliterend voor ander strafbaar handelen.
Voor de eventueel op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraudezaken. Uit de toelichting op de oriëntatiepunten voor fraudezaken blijkt dat witwassen daaronder eveneens wordt geschaard. Bij een benadelingsbedrag tussen € 10.000,- en € 70.000,- is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de twee en vijf maanden of een taakstraf. Het door verdachte witgewassen voorwerp zit qua waarde aan de onderkant van deze schaal.
Daarnaast heeft te gelden dat het gaat om een zeer oud feit, dat elf jaar geleden heeft plaatsgevonden. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat het bepaalde in artikel 63 SrPro. van toepassing is. Verdachte is namelijk blijkens zijn strafblad van 12 januari 2026 na de pleegdatum van onderhavig feit veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, te weten op 7 december 2018 tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf en op 1 juni 2021 tot 59 maanden gevangenisstraf. Als onderhavig feit in die strafzaken zou zijn behandeld, dan zou dat – naar de inschatting van de rechtbank – niet tot een hogere staf hebben geleid.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat er gelet op artikel 63 SrPro in dit specifieke geval in redelijkheid geen ruimte resteert voor de oplegging van een straf. Verdachte zal daarom op grond van artikel 9a Sr worden veroordeeld zonder oplegging van straf of maatregel.
Daar komt nog bij dat bij het bepalen van de hoogte van de straf in dit geval ook rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als uitgangspunt geldt dat in de zaak van een verdachte binnen twee jaar na de start van de redelijke termijn een eindvonnis moet zijn gewezen. In deze zaak is de redelijke termijn gestart op 20 februari 2019. Er had dus op 20 februari 2021 een eindvonnis moeten liggen. De rechtbank doet pas vandaag uitspraak, wat een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vijf jaar oplevert. Aangezien de rechtbank op andere gronden al tot de conclusie is gekomen dat er geen ruimte meer is voor de oplegging van een straf, is eventuele strafvermindering ter compensatie ook niet aan de orde en zal zij in dit kader daarom volstaan met de enkele constatering dat artikel 6 EVRMPro is geschonden.
9.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:
Verklaart het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.