Eisers, zussen van de overleden heer, vorderen betaling van het bedrag van de uitvaartverzekering dat gedaagde, de voormalige partner van hun vader, heeft ontvangen. De uitvaartkosten zouden door eisers zijn betaald, terwijl gedaagde het verzekerde bedrag van €5.189,66 ontving en niet heeft bijgedragen.
Eisers baseren hun vordering primair op ongerechtvaardigde verrijking, subsidiair op een mondelinge overeenkomst waarbij gedaagde zou toezeggen de uitvaartkosten te betalen. Gedaagde betwist de betaling door eisers en de toezegging.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde verrijkt is door ontvangst van de uitkering, en dat indien eisers de uitvaartkosten hebben betaald, zij verarmd zijn en er een causaal verband bestaat. Omdat eisers dit laatste nog onvoldoende hebben onderbouwd, krijgen zij vier weken de gelegenheid dit nader te bewijzen, waarna gedaagde vier weken krijgt om te reageren.
De verdere beslissing wordt aangehouden tot nadere onderbouwing. Het tussenvonnis is gewezen door kantonrechter A.C.J. Klaver op 10 april 2026.