Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5827

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
13.050334-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 48 SrArt. 49 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan moord na liquidatie in Diemen

Op 27 mei 2016 werd slachtoffer in Diemen voor zijn woning door meerdere kogels om het leven gebracht. Verdachte werd vervolgd voor medeplegen van deze moord, maar de rechtbank sprak hem vrij van medeplegen en veroordeelde hem voor medeplichtigheid.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer enkelbandgegevens, camerabeelden, getuigenverklaringen en WhatsApp-berichten. Verdachte reed die avond meerdere rondjes door de wijk van het slachtoffer, zette een spotter af en was aanwezig bij ontmoetingen met de schutter en medeverdachten. De verklaring van een anonieme bedreigde getuige werd niet als bewijs gebruikt vanwege onvoldoende overtuigingskracht.

De rechtbank oordeelde dat verdachte wist van het moordplan en behulpzaam was bij de uitvoering door voorverkenningen en het vervoeren van een spotter. De straf werd gematigd tot 13,5 jaar gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de twee zonen van het slachtoffer wegens shockschade, met aanvullende vergoedingen vanwege de impact van circulerend beeldmateriaal.

De rechtbank beval ook de gevangenneming van verdachte en legde maatregelen op ter waarborging van betaling van de schadevergoedingen. De zaak illustreert de zware aanpak van liquidaties en de erkenning van de impact op nabestaanden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13,5 jaar gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan moord en toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.050334-21
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [naam PI] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

In deze zaak zijn zittingen geweest op 29 november 2023 en 17 januari 2025. Daarna is het onderzoek opnieuw aangevangen op 30 januari 2026 en zijn zittingen geweest op:
2 februari 2026, 6 februari 2026, 9 februari 2026, 10 februari 2026 en 13 februari 2026. Dit vonnis is op 11 juni 2026 op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,
mrs. Z. Trokic en J. Plooij (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. Frijns, en de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en hun advocaat W. van Egmond, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij samen met anderen [slachtoffer] op 27 mei 2016 heeft vermoord. Subsidiair wordt hij ervan verdacht dat hij medeplichtig is geweest aan deze moord.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
3.1.
Inleiding
Op 27 mei 2016 heeft er op de Klipperweg in Diemen een dodelijk schietincident plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] om het leven is gebracht. [slachtoffer] werd voor zijn woning in zijn auto doodgeschoten. Zijn negenjarig zoontje zat op dat moment bij hem in de auto. Na de moord is de schutter bij een tweede persoon achterop een scooter gesprongen en weggevlucht. Naar aanleiding van deze moord is het strafrechtelijk onderzoek Skipers I gestart.
Bij vonnis van 17 januari 2020 is door rechtbank Amsterdam vastgesteld dat [naam schutter] de schutter was. Hij is veroordeeld voor het medeplegen van de moord tot 23 jaar gevangenisstraf. [naam schutter] is tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 17 mei 2023 is hij door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar. Die veroordeling is inmiddels onherroepelijk.
Verdachte wordt in onderzoek Skipers II – net als medeverdachte [medeverdachte] – vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer] op 27 mei 2016 dan wel de medeplichtigheid hieraan.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd dat kan worden bewezen dat verdachte zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan de liquidatie van [slachtoffer] . Verdachte bevond zich op de avond van de liquidatie in de wijk waar [slachtoffer] woonde. Hij had toen een bijzondere interesse in de woning van [slachtoffer] , die vanuit verschillende, strategisch gelegen locaties in de directe omgeving door verdachte en andere personen werd benaderd om een voorverkenning te doen. Diezelfde avond – vlak voor de moord – heeft verdachte een discussie gehad met de uitvoerders van de moord, nabij de plek waar later de vluchtscooter is gedumpt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het niet anders kan dan dat verdachte die avond met het oog op de geplande liquidatie daar was. De verklaring van verdachte dat hij daar was omdat hij op zoek was naar [naam schutter] vanwege een sleutel en een horloge die [naam schutter] nog van hem had, is niet aannemelijk. De gedragingen van verdachte zijn te kwalificeren als medeplichtigheidshandelingen: verkennen en observeren, een verkenner afzetten, de vluchtroute en dumplocatie verkennen en de schutter [naam schutter] begeleiden. Het subsidiair tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen.
De officier van justitie heeft voor het primair tenlastegelegde medeplegen vrijspraak gevorderd.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die verdachte aan de liquidatie van [slachtoffer] kunnen linken. Zo bevat het dossier geen PGP-berichten die door verdachte zijn gestuurd of waarin hij wordt genoemd, die in verband kunnen worden gebracht met de liquidatie van [slachtoffer] . De enkele vaststelling dat verdachte eerder op de avond een discussie heeft gehad in de buurt van de plek waar een dag later de vluchtscooter is aangetroffen, is geen vaststelling die enige relevantie heeft voor de bewijsvraag. Dat verdachte daar een discussie had met de latere uitvoerders van de liquidatie, is een door het Openbaar Ministerie verzonnen verhaal dat is gebaseerd op vermoedens en aannames. Voorts heeft het gesprek tussen verdachte en [naam 1] die avond niets te maken met de liquidatie van [slachtoffer] . Als dat wel zo zou zijn en verdachte – zoals in het scenario van het Openbaar Ministerie het geval is – samen met [naam 1] een aansturende rol heeft gehad bij de liquidatie van [slachtoffer] , waar zijn dan de andere berichten tussen hen? Verdachte was bovendien heel erg zichtbaar die dag, doordat hij zijn enkelband om had. Uit het enkele gegeven dat verdachte een paar keer met zijn auto door de Klipperweg is gereden, kan geen bijzondere belangstelling voor de woning van [slachtoffer] worden afgeleid, zeker omdat verdachte die avond ook in veel andere straten meermalen is geweest. Op grond van het dossier kan dan ook niet worden vastgesteld dat verdachte die avond in de wijk van [slachtoffer] was vanwege het plan om hem te liquideren. Verdachte heeft uitgelegd dat hij die avond in de wijk van de woning van [slachtoffer] was, omdat hij op zoek was naar [naam schutter] in verband met een scootersleutel en een horloge die [naam schutter] van hem had.
De door de verdediging gevoerde verweren zullen uitgebreider aan de orde komen bij de inhoudelijke bespreking van het tenlastegelegde (paragraaf 3.4).
3.4.
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich als pleger of als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Wel kan worden bewezen dat hij daaraan medeplichtig is geweest.
De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of de verklaring van de anonieme bedreigde getuige als bewijsmiddel zal worden gebruikt (paragraaf 3.4.1) om daarna over te gaan tot bespreking van het bewijs dat leidt tot de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde (paragraaf 3.4.2).
3.4.1.
De anonieme bedreigde getuige
De rechtbank zal de verklaring van de anonieme bedreigde getuige niet voor het bewijs gebruiken. De rechtbank laat in het midden of de verklaring van de getuige in zijn algemeenheid als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Geconstateerd moet worden dat deze getuige vooral “van horen zeggen” verklaart, terwijl ook uit de zich in het dossier bevindende TCI-verstrekkingen is gebleken dat er veel door al dan niet direct betrokkenen over (de achtergronden van) de liquidatie is gesproken. De verklaring van de anonieme bedreigde getuige mist om deze reden voor de rechtbank voldoende overtuigingskracht.
3.4.2.
Vrijspraak (mede)plegen moord en bewezenverklaring medeplichtigheid moord
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer] , als subsidiair tenlastegelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[slachtoffer] is op 27 mei 2016 omstreeks 22.04 uur op de Klipperweg voor zijn woning geliquideerd. Hij zat op dat moment in zijn Porsche Cayenne. [slachtoffer] is door twaalf kogels getroffen, onder meer in zijn gezicht, romp en benen. Als gevolg van massaal bloedverlies en opgetreden weefselschade door de verschillende schotletsels is [slachtoffer] diezelfde avond rond 23:15 uur in het ziekenhuis overleden.
[naam schutter] is door Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 17 mei 2023 als schutter van de liquidatie van [slachtoffer] veroordeeld. Het gerechtshof heeft onder meer vastgesteld dat [naam schutter] en zijn medeverdachte in de uren voor de schietpartij op verschillende tijdstippen zowel lopend als op de scooter in de buurt van de woning van [slachtoffer] zijn gesignaleerd. Ook is door getuigen gezien dat zij vlak voor de aanslag op een bankje in de buurt van die woning zitten (waarvandaan [naam schutter] even later naar [slachtoffer] is gerend om hem te beschieten). Het gerechtshof heeft overwogen dat dit gedrag niet anders valt te zien dan als een voorverkenning van de aanslag. Klaarblijkelijk is gezocht naar het juiste moment om toe te slaan.
Na de schietpartij is [naam schutter] achterop een wit- en zwartkleurige scooter gestapt. Die scooter is gereden in de richting van de locatie waar een dag later een wit- en zwartkleurige scooter in het water naast de Overdiemerweg is aangetroffen. [2]
Binnen het strafrechtelijk onderzoek 13Kale werd een dag eerder – op 26 mei 2016 – tijdens een observatie door verbalisanten gezien dat om 20:02 uur op de parkeerplaats van treinstation Diemen Zuid een ontmoeting tussen verscheidene personen heeft plaatsgevonden. Onder andere verdachte, [naam schutter] , [naam 2] en [naam 3] zijn door verbalisanten herkend. [3]
Naar aanleiding van de uitzending Opsporing Verzocht over de liquidatie van [slachtoffer] heeft getuige [naam getuige] een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op de avond van
27 mei 2016 ongeveer rond 19:30 uur bij het water aan de Overdiemerweg in Diemen een rode Fiat 500 heeft zien staan met daarbij drie negroïde personen, waarvan er minimaal één persoon een zwarte pet op had. [4] Deze ontmoetingsplek was op tien meter verwijderd van de locatie waar een dag later een scooter met dezelfde kleuren als de vluchtscooter in het water is aangetroffen. [5]
Verdachte heeft ter terechtzitting van 2 februari 2026 verklaard dat het klopt dat hij op
26 en 27 mei 2016 in Diemen was en dat hij toen een ontmoeting heeft gehad met onder andere [naam schutter] en [naam 2] . Verdachte zelf en [naam 2] zijn twee van de drie mannen die getuige [naam getuige] op 27 mei 2016 bij het water aan de Overdiemerweg heeft gezien.
Het klopt ook dat hij die dagen reed in een rode Fiat 500 met kenteken [kenteken] en dat hij in de wijk van de woning van [slachtoffer] heeft gereden. [6]
Tussenconclusie rechtbank
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 mei 2016 in Diemen is geweest en toen een ontmoeting heeft gehad met onder andere [naam schutter] , de persoon die onherroepelijk is veroordeeld als de schutter van de liquidatie van [slachtoffer] . Ook kan worden vastgesteld dat verdachte op 27 mei 2016 op de avond van de liquidatie in de wijk van [slachtoffer] heeft gereden en dat hij een ontmoeting heeft gehad met onder andere [naam 2] op tien meter afstand van de plek waar één dag later een scooter in het water is aangetroffen die grote gelijkenis heeft met de scooter die door [naam schutter] en zijn mededader is gebruikt om van de plaats delict te vluchten waarbij zij in de richting van de plaats waar de zwart met witte scooter is aangetroffen reden. Verdachte reed die dagen in een rode Fiat 500 met kenteken [kenteken] .
De rechtbank zal nu inzoomen op de exacte bewegingen van verdachte op de avond van de liquidatie.
Bewegingen verdachte en [naam 2] op 27 mei 2016
Verdachte was vanaf 2 november 2015 onder elektronisch toezicht gesteld met een enkelband. De enkelbandgegevens laten zien dat verdachte op 27 mei 2016 vanaf Utrecht naar Amsterdam is gereden, waarna hij rondjes heeft gereden in Diemen, in de wijk waar [slachtoffer] woonde. Alle drie de keren gaat het om een rondje van slechts enkele minuten, waarbij hij op geen enkel punt is gestopt. Tijdens die rondjes is verdachte om 18:43 uur, 19:09 uur en 21:47 uur op de Klipperweg langs de woning van [slachtoffer] gereden en reed hij op de Overdiemerweg om 18:26 uur, 19:54 uur en 20:09 uur. [7]
Op de camerabeelden van het Shell tankstation is te zien dat de rode Fiat 500 van verdachte om 19:00 uur de oprit van het tankstation is opgereden. De bijrijder is vervolgens uit de auto gestapt en de wijk in gelopen. Op andere camerabeelden is te zien dat de bijrijder om
19:04 uur over de Klipperweg loopt. Om 19:06 uur loopt hij vervolgens langs de woning van [slachtoffer] . [8]
[naam 2] heeft op 1 juli 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij die dag met verdachte was en door de wijk is gereden. [9]
WhatsApp-gesprekken op de telefoon van [naam 1]
De achternaam van [naam 3] is officieel gewijzigd naar [naam 1] . [10] Binnen het onderzoek 26Arseen is medio 2016 [naam 1] aangehouden, waarna verscheidene telefoons in beslag zijn genomen. Een van die telefoons betrof een iPhone. Op deze telefoon stond een aantal WhatsApp-gesprekken die volgens het onderzoeksteam over [slachtoffer] gaan, waaronder een gesprek tussen [naam 1] en [naam 4] – de vriendin van [slachtoffer] –
op 27 mei 2016, inhoudende:
[naam 4] om 00:21:37 :
Ik ben vdv
[naam 1] om 00:22:06 :
Met wie?
[naam 4] om 00:22:14 :
[bijnaam]
[naam 1] om 00:23:29 :
Je blijft daar pitten vandaag?
[naam 4] om 00:26:18 :
Ja
[naam 4] om 07:50:18 :
Vandaag akersloot
[naam 1] om 09:11:59 :
Waar is [bijnaam]
[naam 1] om 11:39:03 :
Jullie zijn weer thuis?
[naam 4] om 11:40:21 :
Ik ga nu naar huis [11]
Uit de rittenstaatgegevens [kenteken] , Porsche Cayenne, in gebruik bij [slachtoffer] , blijkt dat dit voertuig zich op 26 mei 2016 omstreeks 23:31 uur bevond op de locatie Ag Akersloot
- Geesterweg Akersloot. Op het adres Geesterweg 1a te Akersloot is Hotel Van der Valk Akersloot gevestigd. [12]
Op de camerabeelden van het hotel is te zien dat [slachtoffer] op 26 mei 2016 omstreeks 23.28 uur incheckt en op 27 mei 2016 omstreeks 11.43 uur uitcheckt. Tevens is op de beelden te zien dat [slachtoffer] met een dame is binnengekomen die ook mee de kamer op gaat en dat beiden op 27 mei 2016 in de ochtend de kamer weer verlaten. Vervolgens is hij blijkens de rittenstaatgegevens van de Porsche Cayenne tussen 11:37 uur en 12:15 uur naar zijn woning aan de [adres] gereden. Die middag is hij om 14:41 uur weer vanaf de Klipperweg weggereden en om 17.52 uur weer teruggekeerd [13] , waarna hij om 17:55 uur zijn woning is binnengegaan.
Blijkens de enkelbandgegevens van verdachte bevond hij zich om 18:43 uur op de Klipperweg. [14]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij die avond om 21:11 uur een bericht van [naam 1] heeft ontvangen. [15] [naam 1] heeft het volgende naar verdachte gestuurd:
“Grooooooooootste kanker clowns. Die meid heeft ze voor de 2de x geloest. Kwil hun nooit meer zien”. Daarop reageert verdachte: “
Serieus(om 21:11 uur)
. Betaal deze rekening snel laten we gaan heb geen geld”(om 21:12 uur). [16]
Via de enkelbandgegevens van verdachte is te zien dat verdachte om 21:49 uur richting Utrecht is vertrokken. [17]
Om 22:03 uur komt [slachtoffer] met zijn zoon in zijn Porsche Cayenne aanrijden.
Eén minuut later rent een man in de richting van [slachtoffer] . Er zijn 12 schoten te horen. [18]
Conclusie rechtbank
Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer] . De rechtbank gaat daarbij allereerst uit van de feiten en omstandigheden die het gerechtshof in het arrest tegen [naam schutter] heeft vastgesteld: [slachtoffer] is op 27 mei 2016 voor zijn woning door [naam schutter] doodgeschoten. [naam schutter] en zijn mededader hebben in de uren daarvoor op verschillende tijdstippen door de wijk van [slachtoffer] gelopen. Daarbij zijn ze ook meermalen langs de woning van [slachtoffer] gelopen. Vlak voor de aanslag zaten zij op een bankje in de buurt van die woning, waarvandaan [naam schutter] om 22:03 uur naar [slachtoffer] is gerend en op hem heeft geschoten.
In de uren voor de moord is ook verdachte in de wijk van [slachtoffer] . Hij heeft rondjes door de wijk gereden, waarbij hij ook drie keer door de straat van [slachtoffer] is gereden. De laatste keer dat hij langs de woning van [slachtoffer] reed, was een kwartier voordat [slachtoffer] door [naam schutter] werd doodgeschoten. Tijdens het rijden van de rondjes is hij geen enkele keer gestopt.
Verdachte is die avond ook drie keer op de Overdiemerweg geweest. Dit is de weg die door [naam schutter] en zijn mededader met een zwart-wit kleurige scooter is gebruikt als vluchtroute, en
tien meter van de plek waarvandaan een dag na de liquidatie een gelijk uitziende scooter als de vluchtscooter in het water is aangetroffen.
Om 21:11 uur op de avond van de moord ontvangt verdachte een bericht van [naam 1] , waarin [naam 1] schrijft:
“Grooooooooootste kanker clowns. Die meid heeft ze voor de 2de x geloest. Kwil hun nooit meer zien”. Hierop antwoordt verdachte:
“Serieus. Betaal deze rekening snel laten we gaan heb geen geld.”In samenhang bezien met de aanwezigheid van verdachte op dat moment in de wijk van [slachtoffer] , alsmede de bewegingen en locaties van [slachtoffer] die avond, begrijpt de rechtbank deze berichten zo dat [naam 1] er geïrriteerd over is dat [slachtoffer] (“
die meid”) die avond al twee keer van zijn huis heeft kunnen wegrijden en heeft kunnen ontkomen (“
geloest”) zonder dat ze hem hebben kunnen doodschieten. Verdachte rijdt op dat moment rondjes in de wijk van [slachtoffer] en stuurt naar [naam 1] dat ze [slachtoffer] snel moeten doodschieten (“
betaal deze rekening snel”) omdat hij geen geld heeft.
Verdachte heeft over deze berichten op zitting verklaard dat hij niet weet wat [naam 1] bedoelde en dat er waarschijnlijk nog een rekening voor betaalde (huishoudelijke) kosten open stond die hij betaald wilde hebben. Dat het bericht van verdachte geheel losstaat van de berichten die gezonden zijn door [naam 1] vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte stuurt zijn berichten binnen één minuut nadat [naam 1] zijn berichten heeft verzonden en er wordt in de reactie door verdachte gesproken over “deze rekening” wat naar het oordeel van de rechtbank impliceert dat het een reactie is op wat [naam 1] stuurt. Verder heeft verdachte niet kunnen uitleggen waarom hij juist die avond speciaal naar Diemen moest om zijn sleutel en horloge terug te krijgen van [naam schutter] . Verdachte heeft de dag ervoor immers nog een ontmoeting gehad met hem.
De rechtbank wordt verder gesterkt in haar overtuiging dat dit gesprek betrekking had op het plan om [slachtoffer] die avond te liquideren, doordat [naam 1] die dag via de vriendin van [slachtoffer] de locatie van [slachtoffer] heeft proberen te achterhalen. [naam 1] heeft letterlijk aan de vriendin van [slachtoffer] gevraagd met wie ze is, waar ‘ [bijnaam] ’ is en of ze alweer thuis zijn. Hieruit blijkt duidelijk de interesse van [naam 1] in de locatie van [slachtoffer] . Het verweer van de raadsman dat uit dit gesprek geen specifieke interesse in [slachtoffer] blijkt, verwerpt de rechtbank en de verklaring van verdachte wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
Verdachte was die avond ook in het bijzijn van [naam 2] . Verdachte heeft samen met [naam 2] in de Fiat 500 rondjes gereden door de wijk van [slachtoffer] en hij heeft [naam 2] bij een tankstation afgezet, waarna [naam 2] de wijk van [slachtoffer] ingelopen is en langs de woning van [slachtoffer] is gelopen. [naam 2] is ook samen met verdachte op de plek aan de Overdiemerweg geweest, waar een dag later een scooter lijkend op de vluchtscooter in het water is gevonden.
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van de verklaring van getuige [naam getuige] niet kan worden vastgesteld wie de derde man is met wie verdachte en [naam 2] aan het discussiëren waren. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat de derde man iemand was die bij de liquidatie van [slachtoffer] betrokken was. Het signalement van de derde man is te weinig concreet om op basis daarvan een koppeling te kunnen maken met de schutter – [naam schutter] – en zijn mededader, de bestuurder van de vluchtscooter. Ook kan niet worden vastgesteld waarover de discussie ging. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de redenering van de officier van justitie dat verdachte in discussie was met de twee uitvoerders van de liquidatie.
De rechtbank overweegt voorts dat verdachte op de vooravond van de moord een ontmoeting heeft gehad met onder meer [naam 1] , [naam 2] en [naam schutter] . Weliswaar kan niet worden vastgesteld waar de ontmoeting over ging, maar de rechtbank acht deze ontmoeting redengevend voor het bewijs omdat daarmee kan worden vastgesteld dat verdachte in de aanwezigheid is geweest van personen die een dag later met de moord op [slachtoffer] in verband kunnen worden gebracht.
De rechtbank is van oordeel – in onderling verband en samenhang bezien – dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat het plan was om [slachtoffer] die avond te vermoorden en dat hij in dat kader in de wijk van [slachtoffer] voorverkenningen aan het verrichten was. Dat verdachte vaker in Diemen kwam, wil de rechtbank aannemen. Dat doet echter niet af aan zijn opmerkelijke gedrag die avond: verdachte reed gedurende meer dan drie uren meermalen rondjes in de wijk en langs de woning van [slachtoffer] . Verdachte kan niet verklaren waarom hij die avond meermalen langs de woning van [slachtoffer] is gereden. Verdachte heeft verder op enig moment zijn bijrijder afgezet, die vervolgens ook langs de woning van [slachtoffer] is gelopen. De rechtbank kan deze bewegingen niet anders uitleggen dan dat dit voorverkenningen zijn geweest en dat verdachte dus een spotter heeft afgezet. De rechtbank wordt bovendien gesterkt in haar overtuiging dat verdachte bezig was met het voorverkennen van de wijk doordat de plek waar verdachte uit de auto is gestapt een afgelegen locatie is waar alleen wandelaars en fietsers komen. Verdachte heeft geen verklaring voor waarom hij op die specifieke plek was. Het verweer dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de op handen zijnde liquidatie van [slachtoffer] en dat [naam schutter] om die reden in de wijk van [slachtoffer] was, wordt gezien bovenstaand bewijs verworpen.
Concluderend zal verdachte van het primair tenlastegelegde medeplegen worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de bijdrage van verdachte méér is geweest dan hiervoor is vastgesteld. Verdachte heeft dan ook niet een zodanig intellectuele en materiële bijdrage aan de moord op [slachtoffer] geleverd dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.
Wel kan worden bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] door deel te nemen aan de voorverkenningen van de wijk. Ook heeft hij één van de spotters – [naam 2] – in zijn auto vervoerd en in de wijk afgezet. Daarmee is hij bij de uitvoering van de moord behulpzaam geweest en heeft hij de schutter [naam schutter] en zijn mededader gelegenheid en middelen verschaft.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat
[naam schutter] op 27 mei 2016 te Diemen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,
immers is [naam schutter] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg
- met een vuurwapen naar voornoemde [slachtoffer] gelopen en
- heeft vervolgens meermalen met een vuurwapen een of meer schoten afgevuurd op voornoemde [slachtoffer]
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden
tot welk feit verdachte omstreeks 27 mei 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door
- als tussenpersoon te fungeren tussen de opdrachtgevers van de moord en voornoemde [naam schutter] en diens mededader en
- het voorverkennen en observeren van de omgeving van de woning van voornoemde [slachtoffer] (in de Fiat 500 met kenteken [kenteken] ) en
- het vervoeren en afzetten van een persoon in de omgeving van het huis van voornoemde [slachtoffer] in de Fiat 500 met kenteken [kenteken] ten behoeve van een voorverkenning.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, rekening houdend met een korting van 20%, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat de gevangenneming wordt bevolen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien had deze zaak kunnen worden afgedaan vóór de wijziging van de VI-regeling in juli 2021.
Over de gevorderde gevangenneming heeft de raadsman bepleit dat de vordering moet worden afgewezen omdat er geen grond voor toewijzing is. Gezien het tijdsverloop, het feit dat de veroordeelde schutter in zijn zaak de procedure in hoger beroep in vrijheid mocht afwachten en verdachte ook niet in voorarrest in deze zaak zit, kan de geschokte rechtsorde niet als grond voor een bevel gevangenneming worden aangenomen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Op 27 mei 2016 is in een woonwijk, op een moment dat het buiten nog licht was en omwonenden nog wakker waren en sommigen nog op straat liepen, een einde gemaakt aan het leven van [slachtoffer] . Deze moord draagt alle kenmerken van een koelbloedige liquidatie. De schutter heeft het slachtoffer, na enkele uren voorverkenningen, met een vuurwapen opgewacht. In het bijzijn van het toen pas negenjarige zoontje van het slachtoffer heeft de schutter het slachtoffer vervolgens onder vuur genomen. De schutter is vervolgens gevlucht, het zoontje van het slachtoffer in hevige paniek achterlatend bij zijn stervende vader.
Verdachte maakte deel uit van de dadergroep. Hij is bij de uitvoering van de moord betrokken geweest door op de avond van de moord in zijn auto door de wijk van het slachtoffer rondjes te rijden en de vluchtroute te bepalen. Ook heeft hij één van de spotters in de wijk afgezet. Met deze voorverkenningen is hij behulpzaam geweest bij de uiteindelijke moord.
Moord, het opzettelijk en doelbewust gewelddadig beëindigen van een mensenleven, is één van de zwaarste delicten die ons strafrecht kent. Het veroorzaakt onverdraagzaam leed bij de nabestaanden, zoals ook in deze zaak blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de zonen van het slachtoffer. Het verdriet van het verliezen van hun vader en het trauma van de kille en gewelddadige wijze waarop zij hun vader hebben verloren duurt tien jaar later nog bij hen voort.
Een moord is bovendien zeer schokkend voor de samenleving als geheel en in het bijzonder wanneer de moord plaatsvindt midden op straat in een woonwijk. Dit draagt bij aan gevoelens van angst, onveiligheid en verontwaardiging.
Dat verdachte bij de uitvoering van de moord behulpzaam is geweest, was kennelijk alleen ingegeven door geld dat in het vooruitzicht was gesteld: de moord moest snel gebeuren, want verdachte had geld nodig.
De rechtbank is van oordeel dat hier niet anders op kan worden gereageerd dan met een langdurige gevangenisstraf.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank geen persoonlijke omstandigheden gezien die in het voordeel van verdachte zouden moeten worden meegewogen.
Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte blijkens zijn strafblad van 12 januari 2026 na de moord op [slachtoffer] drie keer is veroordeeld voor het plegen van andere strafbare feiten tot gevangenisstraffen van zeven jaar, vijf maanden en 46 maanden. Het feit dat nu bewezen is verklaard, kent als hoogste strafbedreiging een levenslange gevangenisstraf of een (tijdelijke) gevangenisstraf van maximaal 30 jaar. Vanwege de latere veroordelingen is het bepaalde in artikel 63 Sr Pro van toepassing en moet op grond daarvan worden beoordeeld welke straf verdachte zou hebben gekregen als alle feiten waarvoor verdachte daarna is veroordeeld tegelijk zouden zijn behandeld door de rechter. Verdachte heeft bij eerdergenoemde veroordelingen in totaal een gevangenisstraf van elf jaar en drie maanden opgelegd gekregen. In deze zaak is er om die reden een strafruimte van maximaal 18 jaar en negen maanden.
De rechtbank slaat voorts acht op het feit dat de schutter voor zijn betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van
14 jaar en zes maanden in beginsel passend en geboden is.
Wel zal de rechtbank rekening houden met een ruimschootse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) omdat niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis is gewezen. De aanvangsdatum van de redelijke termijn is daarbij bepaald op
12 juni 2017, de dag waarop verdachte voor de eerste keer is gehoord als verdachte. Dit betekent dat de redelijke termijn met zeven jaar is overschreden. Dit levert een schending van artikel 6 EVRM Pro op waarbij gelet op de duur van de overschrijding niet kan worden volstaan met de enkele constatering van die schending. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal de rechtbank naar bevind van zaken handelen nu de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt. De strafvermindering bij een overschrijding tot twaalf maanden is ongeacht de hoogte van de straf maximaal zes maanden. De rechtbank acht het dubbele van die strafvermindering, zijnde een strafvermindering van twaalf maanden in dit specifieke geval passend.
Concluderend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke
gevangenisstrafvoor de duur van
13 jaar en zes maandenopleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.
De rechtbank zal tevens de gevangenneming van verdachte bevelen. Het medeplichtig zijn aan het medeplegen van moord is een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. De ernstige bezwaren dat verdachte dit feit heeft gepleegd volgen uit dit veroordelend vonnis. Daarnaast overweegt de rechtbank dat sprake is van een veroordeling voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld. Liquidaties zorgen voor een ernstige schok in de rechtsorde en voor toenemende maatschappelijke verontwaardiging zorgen. De rechtbank acht het aannemelijk dat het een publiekelijk onbehagen en verontwaardiging zal teweegbrengen als verdachte – nadat hij zijn straf waarvoor hij op dit moment van zijn vrijheid is beroofd heeft uitgezeten – op vrije voeten zal komen. Verder is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich in de toekomst weer schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Verdachte heeft namelijk zijn werk gemaakt van bedreigen, moorden en afrekenen. Dit is het verdienmodel van verdachte.
De rechtbank zal dan ook de vordering van de officier van justitie tot het bevelen van de gevangenneming toewijzen.

8.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] – de twee zonen van de vermoorde [slachtoffer] – hebben zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering tot immateriële schadevergoeding ingediend, ter hoogte van respectievelijk € 10.000,- en
€ 7.000,-.
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] waren respectievelijk negen en vijftien jaar oud toen hun vader werd vermoord. [benadeelde partij 1] zat op dat moment naast zijn vader in de auto. [benadeelde partij 2] was thuis toen zijn vader voor de deur werd neergeschoten en werd geconfronteerd met zijn broertje die volledig overstuur en in paniek voor de deur stond.
Arrest van 17 mei 2023 van gerechtshof Amsterdam
In de zaak tegen de schutter van de moord op hun vader heeft het Gerechtshof Amsterdam op 17 mei 2023 geoordeeld dat [benadeelde partij 1] in aanmerking komt voor vergoeding van
€ 30.000,- wegens shockschade. Hij heeft zijn vader met zijn eigen ogen van zeer dichtbij neergeschoten zien worden. Het gerechtshof heeft in de zaak tegen de schutter het volgende overwogen:
“Het hof stelt vast dat bij de benadeelde een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de waarneming van het strafbare feit waarbij zijn vader om het leven is gekomen. Hij, destijds negen jaar oud, heeft vanaf zeer korte afstand en oog in oog met de schutter moeten toezien hoe zijn vader twaalf maal werd beschoten, om hulp riep, in elkaar zakte, bloedend op de grond lag en diezelfde avond overleed. Uit een brief van 31 oktober 2018 van L. Zoon, arts en psychotherapeut, en P. de Jong , klinisch psycholoog, blijkt dat die hevige emotionele schok bij de benadeelde geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft veroorzaakt. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat is voldaan aan de vereisten voor toekenning van shockschade en begroot de omvang daarvan, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en gelet op vergelijkbare gevallen, naar maatstaven van billijkheid op het gevorderde bedrag van € 30.000,00, zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.”
[benadeelde partij 1] vordert € 10.000,- aan aanvullende vergoeding voor shockshade.
In de zaak tegen de schutter van de moord op hun vader heeft het Gerechtshof Amsterdam op 17 mei 2023 geoordeeld dat [benadeelde partij 2] in aanmerking komt voor vergoeding van
€ 20.000,- wegens shockschade. Het Gerechtshof heeft daartoe overwogen:
“Het hof stelt vast dat bij de benadeelde een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit waarbij zijn vader om het leven is gekomen. Hij, destijds vijftien jaar oud, was ten tijde van de moord op zijn vader in diens woning aanwezig. Nadat hij schoten hoorde en zijn broertje in hevige paniek bij de voordeur aantrof, liep hij naar buiten. Daar zag hij zijn vader bloedend op de straat voor de woning liggen. Dit is ook te zien op de beelden die zijn opgenomen met de camera bij de voordeur van de woning van het slachtoffer. Direct daarna heeft hij zijn zeer aangeslagen broertje moeten opvangen. Uit een brief van 28 mei 2018 van L. Zoon , arts en psychotherapeut, en P. de Jong , klinisch psycholoog, blijkt dat de benadeelde is behandeld in verband met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) door het verlies van zijn vader. Het hof acht de brief voldoende ter onderbouwing van het geestelijk letsel dat is voortgevloeid uit de schadeveroorzakende gebeurtenis.
Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat is voldaan aan de vereisten voor toekenning van shockschade en begroot de omvang daarvan, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en gelet op vergelijkbare gevallen, naar maatstaven van billijkheid op het gevorderde bedrag van € 20.000,00, zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.”
[benadeelde partij 2] vordert € 7.000,- aan aanvullende vergoeding voor shockschade.
De advocaat heeft ter aanvulling van de overwegingen van het gerechtshof erop gewezen dat beide zonen het op YouTube circulerende beeldmateriaal gezien hebben waarop te zien was hoe hun vader op straat werd gereanimeerd. Ook deze confrontatie heeft diepe indruk op hen gemaakt en het trauma verder versterkt.
Gelet op de ernst van het geweld, de directe confrontatie met de gevolgen daarvan, de impact van het op YouTube circulerende beeldmateriaal en de blijvende psychische belasting, is een aanvullende vergoeding passend en noodzakelijk om recht te doen aan de huidige maatstaven, aldus de advocaat.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen en de verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen.
Het oordeel van de rechtbank
De gevorderde aanvullende vergoedingen van schokschade komt de rechtbank op voorhand niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. Dit betekent dat de rechtbank de vordering van [benadeelde partij 1] van € 10.000,- zal toewijzen en de door
[benadeelde partij 2] gevorderde € 7.000,- eveneens zal toewijzen.
In beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade op 27 mei 2016.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van benadeelde partijen voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 48, 49, 63 en 289 van het
Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:
Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplichtigheid aan medeplegen van moord.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
13 (dertien) jaar en 6 (zes) maanden.
Beveelt de
gevangennemingvan verdachte. Deze beslissing is separaat opgesteld.
Wijst de vordering van
de benadeelde partij [benadeelde partij 1]toe tot
€ 10.000,- (tienduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 mei 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot vandaag begroot op nihil
.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] , aan de Staat
€ 10.000,- (tienduizend euro)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 mei 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan
gijzelingworden toegepast voor de duur van
75 (vijfenzeventig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalings-verplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van
de benadeelde partij [benadeelde partij 2]toe tot
€ 7.000,- (zevenduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 mei 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil
.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] , aan de Staat
€ 7.000,- (zevenduizend euro)te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 mei 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan
gijzelingworden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalings-verplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2026.