Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlasteleggingen
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.
3.Waardering van het bewijs
4.Bewezenverklaring
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
5.Strafbaarheid van de feiten en van verdachte
6.Strafmotivering
7.De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
€ 300.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
- kleding: € 252,00;
- opname in ziekenhuis en in revalidatiecentrum: € 5.320,00;
- eigen risico: € 743,00.
€ 195.000,00.
€ 120.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank begroot de schade op dit bedrag omdat verdachte opzettelijk en van dichtbij op de benadeelde partij heeft geschoten waardoor de benadeelde partij een dwarslaesie heeft opgelopen. Anders dan de raadsvrouw betoogt, volgt uit het dossier dat de dwarslaesie definitief is. Het bedrag is lager dan de hiervoor genoemde ondergrens zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal, omdat de rechtbank het aannemelijk vindt dat de benadeelde partij zelf in enige mate heeft bijgedragen aan het incident, en daarmee aan het ontstaan van zijn schade. De benadeelde partij heeft bij de politie verklaard dat hij eerder betrokken is geweest bij een gewelddadige aanval op verdachte en hij is ook degene geweest die op 18 oktober 2024 naar de plek is gegaan waarvan hij wist dat verdachte zich daar vaak bevond. Een verdere behandeling om vast te stellen of en in welke mate de schade boven genoemd bedrag van € 120.000,00 voor rekening zou moeten blijven van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom voor het meerdere niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
8.Beslag
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
- 33, 33a, 36c, 36d, 36f, 38v, 45, 55, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht,
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie,
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstraf van9 (negen) jaren.
vrijheidsbeperkende maatregelop grond van artikel 38v Sr dat de veroordeelde voor de duur van
5 (vijf) jarenonthoudt van - direct of indirect - contact met [benadeelde partij] , geboren [geboortedatum] .
dadelijk uitvoerbaaris.