AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling poging tot doodslag met vuurwapen en drugshandel
Op 18 oktober 2024 schoot verdachte tweemaal op het slachtoffer, wat leidde tot een dwarslaesie. Verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet, het bezit van een vuurwapen en voorbereidingshandelingen voor drugshandel. De rechtbank verwierp de beroepen op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer.
De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard door op zeer korte afstand te schieten. Het alternatieve scenario van verdachte dat het wapen per ongeluk afging door een mesaanval werd niet aannemelijk geacht. Verdachte had geen voorbedachte rade en werd vrijgesproken van poging tot moord.
Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte drugs en geld voorhanden had voor de voorbereiding van drugshandel. De rechtbank legde een gevangenisstraf van negen jaar op, met aftrek van voorarrest, en een contactverbod van vijf jaar met het slachtoffer. Tevens werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoeding van in totaal €126.315,00, vermeerderd met wettelijke rente, en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het letsel, de impact op het slachtoffer en diens familie, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een hoog recidiverisico. De vrijheidsbeperkende maatregel werd dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het risico op herhaling.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag met vuurwapen, met contactverbod en schadevergoeding aan slachtoffer.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/333385-24 (zaak A) en 13/284004-23 (zaak B) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboortegegevens] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
momenteel gedetineerd in de [verblijfsplaats] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de terechtzitting van 8 april 2025 gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Leuven, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.P.H. van Esser, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de verklaring en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , bijgestaan door mr. R.H. Bouwman.
2.Tenlasteleggingen
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
in zaak A
1. poging tot moord dan wel doodslag van [benadeelde partij] door hem met een vuurwapen in de arm en in de borst te schieten op 18 oktober 2024. Dit feit is subsidiair tenlastegelegd als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling;
2. het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 18 oktober 2024;
in zaak B
1. het plegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in drugs door het voorhanden hebben van 0,28 gram cocaïne, 0,37 gram heroïne, een onbekende hoeveelheid MDMA en een geldbedrag van € 193,90 in de periode van 27 oktober 2023 tot en met 28 oktober 2023;
2. het aanwezig hebben van 0,28 en 0,70 gram cocaïne, 0,37 gram heroïne en een onbekende hoeveelheid MDMA op 28 oktober 2023.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3.Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 in zaak A heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de poging tot doodslag bewezen kan worden. Het door verdachte geschetste scenario dat het wapen is afgegaan doordat aangever met een mes de vinger van verdachte raakte, wordt ondersteund door bewijsmiddelen in het dossier en is niet ongeloofwaardig. Vol opzet kan hierdoor niet worden bewezen. Wel kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde partij] (hierna ook: aangever) heeft gehad. Verdachte heeft een doorgeladen wapen op korte afstand op aangever gericht, met zijn vinger op de trekker. Dit terwijl sprake was van een gespannen situatie tussen verdachte en aangever. In een dergelijke situatie kan een onvoorspelbare beweging het gevolg hebben dat het wapen afgaat en dat iemand dodelijk wordt geraakt. Verdachte heeft dan ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat het wapen zou afgaan en dat hij aangever dodelijk letsel zou toebrengen. Verdachte heeft die kans ook bewust aanvaard. Niet kan worden bewezen dat er een moment van kalm beraad en rustig overleg is geweest voordat verdachte schoot. Van voorbedachte rade is daarom geen sprake en daarom moet verdachte vrijgesproken worden van de tenlastegelegde poging tot moord, aldus de officier van justitie.
Gelet op het voorgaande kan volgens de officier van justitie ook bewezen worden dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad, zoals tenlastegelegd onder 2 in zaak A.
Ten aanzien van zaak B heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat beide feiten bewezen kunnen worden, gelet op de bevindingen van de politie, de aangetroffen verdovende middelen, het aangetroffen contante bedrag en de uitkomst van het drugsonderzoek.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 in zaak A heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het neerschieten van aangever. Het schot is gelost omdat verdachte in zijn vinger is gestoken door het mes van aangever. Dit wordt ondersteund door de beelden waarop te zien is dat de vinger van verdachte bloedt na het incident. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat voorbedachte raad niet bewezen kan worden. Verdachte had geen vooropgezet plan om aangever te doden en er was geen sprake van bedaard nadenken voorafgaand aan het schot. Gezien het door aangever opgelopen letsel refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van zware mishandeling.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 in zaak A gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 in zaak B heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. De bevindingen van de politie kunnen niet zonder meer als bewijs worden gebruikt, omdat er aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de waarnemingen van de politie. Daarbij zijn de personen die volgens de politie de drugs gekocht zouden hebben onbekend gebleven. Daarnaast heeft verdachte een plausibele verklaring gegeven voor het aangetroffen geldbedrag en heeft hij verklaard dat de aangetroffen verdovende middelen, een geringe hoeveelheid, voor eigen gebruik waren.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 in zaak B gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het aanwezig hebben van MDMA. Voor dat deel moet verdachte worden vrijgesproken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van zaak A
Feiten en omstandigheden
Op 18 oktober 2024 rond 23.30 uur zit verdachte op een bankje op de Prins Hendrikkade in Amsterdam, ter hoogte van het Barbizon Palace Hotel, met een kennis te praten. Dan komt er een persoon aanlopen die aan verdachte vraagt of hij een vuurtje heeft en of hij ‘ [bijnaam] ’ is. [bijnaam] is de bijnaam van verdachte. Ook komen aangever en een derde persoon aanlopen en zij blijven aan de overkant van het naastgelegen fietspad staan. Verdachte ziet aangever staan en roept: “Is dit een set-up”? Verdachte loopt het fietspad op in de richting van aangever. Op enig moment pakt verdachte een doorgeladen vuurwapen uit zijn tas. Verdachte en aangever komen tegenover elkaar te staan. waarbij verdachte het vuurwapen met zijn hand op de trekker op aangever richt. Verdachte en aangever botsen tegen elkaar aan waarbij verdachte een schot lost en aangever naar de grond zakt. Aangever heeft schotverwondingen in zijn arm en in zijn borst. Aangever heeft daardoor zeer ernstig letsel, namelijk een dwarslaesie.
Na het schietincident loopt verdachte naar een coffeeshop en legt daar een verband aan om zijn rechterwijsvinger. Een medewerker van de coffeeshop heeft later verklaard dat hij een schaafwondje zag op de vinger van verdachte.
Vast is komen te staan dat verdachte eerder, namelijk op 29 september 2024, op straat door een aantal jongens, waaronder aangever, is aangevallen. Verdachte heeft daarna een vuurwapen aangeschaft.
Bewezenverklaring poging tot doodslag (feit 1, impliciet primair)
Om tot een bewezenverklaring van een poging doodslag te kunnen komen, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangever. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet is komen vast te staan dat verdachte de intentie heeft gehad om het slachtoffer te doden. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad.
Voorwaardelijk opzet bestaat als verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van aangever heeft aanvaard. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Op basis van de letselverklaring kan worden vastgesteld dat aangever is geraakt in zijn arm en zijn borst. Uit de camerabeelden en de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte en aangever ten tijde van het schieten op zeer korte afstand van elkaar stonden. Naar algemene ervaringsregels is de kans op de dood dan aanmerkelijk te achten. Dit schieten kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangever dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Verdachte heeft die kans op de koop heeft toegenomen.
Verdachte heeft ontkend dat hij opzettelijk het wapen heeft laten afgaan. Verdachte heeft hiervoor een alternatief scenario gegeven, namelijk dat het wapen is afgegaan, doordat aangever op hem afkwam en hem met een mes in zijn vinger stak. De rechtbank acht dit scenario onaannemelijk. Verdachte is de enige die heeft verklaard dat aangever met een mes in zijn handen op hem is afgelopen. Aangever heeft verklaard dat dit niet zo was en ook de bekende van verdachte die bij het incident aanwezig was heeft niet over een mes verklaard. Verder is op de camerabeelden geen mes te zien in de handen van aangever en ook is geen mes op het plaats delict aangetroffen. Hoewel verdachte na het schietincident een wond aan zijn vinger had, biedt het dossier geen steun voor het scenario dat dat deze wond precies op het moment dat met het vuurwapen werd geschoten is veroorzaakt door aangever. Verdachte is direct na het incident weggevlucht en de politie heeft hem op 24 oktober 2024 aangehouden. Zijn wond is niet beoordeeld en dus is ook niet vastgesteld of sprake is van een snij-, steek- of andersoortige wond, terwijl een getuige heeft verklaard een schaafwondje bij verdachte gezien te hebben. De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario daarom niet aannemelijk.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (impliciet) primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Vrijspraak poging tot moord (feit 1, primair)
De rechtbank moet beoordelen of sprake is van voorbedachte raad. Daarvoor moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden. Er was een conflict tussen verdachte en aangever dat al langer speelde en verdachte liep daarom over straat met een vuurwapen op zak. Maar dit is onvoldoende voor de conclusie dat verdachte van plan was om het slachtoffer te doden. De rechtbank kan niet vaststellen wanneer verdachte het besluit tot schieten heeft genomen en hoeveel tijd er vervolgens is verstreken voordat hij daadwerkelijk heeft geschoten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verdachte aangever niet heeft opgezocht die dag, maar dat juist aangever naar de plek is gegaan waar verdachte zich vaak bevond. De primair tenlastegelegde poging tot moord kan daarom niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring voorhanden hebben vuurwapen (feit 2)
Verdachte heeft bekend dat hij een pistool en munitie voorhanden heeft gehad en zijn bekennende verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Op basis van de bevindingen van de politie stelt de rechtbank vast dat verdachte op 27 oktober 2023 bezig was met het handelen in drugs. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisant. Verdachte wordt vervolgens kort na middernacht aangehouden en bij hem wordt cocaïne, heroïne (een deel in ponypacks) en geld aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop bewezen kan worden dat verdachte verdovende middelen en een geldbedrag voorhanden heeft gehad om drugshandel voor te bereiden dan wel te bevorderen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het voorhanden hebben van een hoeveelheid MDMA, omdat die drugs niet bij verdachte zijn aangetroffen.
Bewezenverklaring aanwezig hebben verdovende middelen (feit 2)
De rechtbank acht, gelet op de verklaring van verdachte, de inbeslaggenomen drugs en het drugsonderzoek, bewezen dat verdachte opzettelijk cocaïne en heroïne aanwezig heeft gehad. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het aanwezig hebben van een hoeveelheid MDMA.
4.Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
t.a.v. zaak A
1. op 18 oktober 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen, die [benadeelde partij] , in de arm en borst heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. op 18 oktober 2024 te Amsterdam een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
t.a.v. zaak B
1. in de periode van 27 oktober 2023 tot en met 28 oktober 2023 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne, telkens zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden de navolgende middelen en het navolgende voorwerp,
- 0,28 gram cocaïne en
- 0,37 gram heroïne en
- een geldbedrag van 193,90 euro,
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;
2. op 28 oktober 2023 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 0,28 en 0,70 gram cocaïne en
- 0,37 gram heroïne,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
5.Strafbaarheid van de feiten en van verdachte
5.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de poging tot doodslag ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 in zaak A, verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat hem een gerechtvaardigd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte een gerechtvaardigd beroep op putatief noodweer toekomt.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt, omdat er geen sprake is geweest van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen. Het handelen van verdachte dient juist als aanvallend gezien te worden. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte evenmin uit noodweerexces heeft gehandeld.
Ook heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het beroep op putatief noodwerf verworpen dient te worden, omdat niet is gebleken van een dwaling aan de kant van verdachte.
5.2.
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer(exces)
Voor een geslaagd beroep op noodweer is nodig dat aannemelijk is dat er sprake is geweest van een situatie waarin verdachte zichzelf diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte is aangevallen met een mes. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich op dat moment mocht verdedigen was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.
Putatief noodweer
Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer moet de rechtbank beoordelen of sprake was van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Die verontschuldigbaarheid dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.
De rechtbank acht geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op basis waarvan de verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar zou hebben ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij ingesloten werd en vervolgens zag dat aangever op hem af kwam rennen, terwijl verdachte eerder slachtoffer is geweest van een ernstig geweldsmisdrijf waarbij aangever betrokken was. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt echter dat verdachte ook zelf in de richting van aangever is gelopen. Uit de camerabeelden volgt ook niet dat verdachte ingesloten werd door personen, enkel dat verdachte en aangever op korte afstand tegenover elkaar staan en vervolgens tegen elkaar botsen. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat verdachte bang is geweest, gelet op de voorgeschiedenis tussen verdachte en aangever, kan bij die stand van zaken niet gezegd worden dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de situatie en de dreiging. Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.
Conclusie
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer. Er zijn ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of van verdachte uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar en verdachte is strafbaar.
6.Strafmotivering
6.1.
De strafeis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van negen jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij] in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te worden opgelegd voor de duur van vijf jaar. Het contactverbod dient dadelijk uitvoerbaar verklaard te worden.
6.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, waarbij hij met een vuurwapen heeft geschoten op het slachtoffer. Het slachtoffer heeft daardoor een dwarslaesie opgelopen en daardoor is zijn leven van de ene op de andere dag dramatisch veranderd. Het slachtoffer ondervindt dagelijks de gevolgen van wat verdachte hem heeft aangedaan, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaring. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij niet alleen lichamelijk, maar ook mentaal ernstig beschadigd is. Daarbij is zijn toekomstbeeld compleet veranderd. Het slachtoffer is nu 27 jaar oud en heeft de rest van zijn leven hulp van anderen nodig voor zijn dagelijkse bezigheden. Daarnaast heeft het slachtoffer dagelijks pijn in zijn onderrug, de plek waar de kogel nog steeds zit. Naast de gevolgen voor het slachtoffer zelf, heeft het feit ook voor zijn familie zeer ingrijpende gevolgen teweeggebracht.
Ter zitting heeft verdachte op geen enkele wijze laten blijken dat hij verantwoordelijkheid voelt voor wat hij heeft gedaan en voor wat de gevolgen van zijn handelen zijn. Daarbij heeft verdachte ook geen rekening gehouden met de (gevoelens van) veiligheid van anderen, nu hij midden in het centrum van Amsterdam rond 23.30 uur tijdens het Amsterdam Dance Event met een doorgeladen vuurwapen op straat stond en daarmee ook heeft geschoten. Dergelijke situaties veroorzaken voor de directe omstanders en de samenleving in het algemeen gevoelens van onveiligheid.
Daarbij heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van het vuurwapen dat bij het schietincident is gebuikt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens met munitie brengt ook in het algemeen al een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van een vuurwapen al snel kan leiden tot het gebruik ervan. De vreselijke afloop van deze schietpartij illustreert op trieste wijze tot welke gevolgen het dragen van een vuurwapen, zeker in conflictsituaties, kan leiden.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereiding van drugshandel en het aanwezig hebben van harddrugs. Het is algemeen bekend dat drugs ernstige gezondheidsrisico’s opleveren voor gebruikers en dat de handel daarin gepaard gaat met diverse vormen van ondermijnende criminaliteit, waaronder geweldsfeiten. Met zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan bovengenoemde drugscriminaliteit.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte al veelvuldig in aanraking is geweest met justitie en eerder is veroordeeld voor gewelds-, vermogens- en drugsfeiten.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro-Justitia rapportage betreffende de verdachte van 3 juni 2025, opgesteld door N. van der Weegen, GZ-psycholoog, en H. Wind, psychiater. Beide deskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat bij verdachte sprake is van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Hoewel de stoornissen aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde en deze de gedragskeuzes van verdachte kunnen hebben beïnvloed, adviseren de deskundigen om het tenlastegelegde volledig aan verdachte toe te rekenen. Bij verdachte is sprake van een structurele antisociale levensstijl, zoals onder meer het handelen vanuit de gedachte ‘eten of gegeten worden’. De keuze om zich te bewapenen was dan ook een weloverwogen beslissing om zich veiliger op straat te begeven. Sinds jonge leeftijd komt verdachte in aanraking met de politie en verdachte is weinig gemotiveerd tot gedragsverandering. De deskundigen adviseren geen zorg- of begeleidingstraject.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 juni 2025, opgesteld door C.J.A. Hopstaken. Hierin staat dat verdachte verkeert in een omgeving waarin geweld niet wordt geschuwd. Verdachte volgt zijn eigen regels en wetten, waarbij eerder opgelegde interventies door de reclassering niet tot gedragsverandering hebben geleid. De hulpvraag van verdachte heeft dan ook enkel betrekking op huisvesting. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat, gelet op zijn pro-criminele houding en omgeving. De reclassering adviseert niet tot het opleggen van bijzondere voorwaarden, omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet om door middel van interventies of toezicht risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Wel adviseert de reclassering een contactverbod met [benadeelde partij] als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr voor de duur van vijf jaar.
Strafoplegging
Het zwaartepunt van de zaak ligt bij de poging tot doodslag. Gelet op alle hiervoor overwogen omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een poging tot doodslag die qua ernst en gevolgen niet anders valt te bestraffen dan met een langdurige onvoorwaardelijke straf.
Voor (poging tot) doodslag zijn geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft daarom bij het bepalen van de straf met name gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken, waarbij forse onvoorwaardelijk gevangenisstraffen worden opgelegd.
Alles afwegende, acht de rechtbank de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden en legt daarom aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbarheid (artikel 38v Sr)
De rechtbank legt aan verdachte ook als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr een contactverbod op met [benadeelde partij] . Dit contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaar op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met [benadeelde partij] . De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk om het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens aangever in te perken. Daarbij acht de rechtbank relevant dat tussen verdachte en aangever sprake lijkt te zijn van een al langer lopend conflict.
De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Omdat verdachte de ernst van zijn handelen niet lijkt in te zien en het recidiverisico door de reclassering als hoog wordt ingeschat, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan en dat hij zich belastend zal gedragen jegens aangever. De rechtbank zal daarom bepalen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7.De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 6.315,00 aan vergoeding van materiële schade en € 300.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De materiële schade is onderverdeeld in de volgende posten:
kleding: € 252,00;
opname in ziekenhuis en in revalidatiecentrum: € 5.320,00;
eigen risico: € 743,00.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de gevorderde materiële schade volledig toe te wijzen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht om een bedrag van € 195.000,00 toe te wijzen, gelet op de bandbreedte van de Rotterdamse Schaal bij Paraplegie (hoofdstuk 1.2). De officier van justitie heeft verzocht om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering niet eenvoudig van aard is mede gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om uit te gaan van een immateriële schadevergoeding van € 35.000,00, gelet op vergelijkbare zaken, ook omdat de medische eindtoestand van de benadeelde partij nog onduidelijk is. De raadsvrouw heeft de schadeposten van de gevorderde materiële schade niet betwist. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank daarbij de vordering van de benadeelde partij tot een maximum van 25% toe te wijzigen en de benadeelde partij in het overige gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren, zodat de civiele rechter voldoende ruimte heeft om de mate van eigen schuld te bepalen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank maakt gebruikt van haar schattingsbevoegdheid en acht het gevorderde bedrag voor de schadepost kleding redelijk.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit. Het fysieke letsel dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte heeft opgelopen, onder andere een dwarslaesie, maakt dat de benadeelde partij in een rolstoel terecht is gekomen en aanzienlijk is beperkt in zijn dagelijks leven en daarbij ondersteuning nodig heeft. Daarnaast is het voor de rechtbank evident dat de benadeelde partij ook psychisch letsel heeft opgelopen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Bij letselschade moet daarbij worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie 1.2 Paraplegie met bandbreedte € 150.000,00 - € 195.000,00.
De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 120.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank begroot de schade op dit bedrag omdat verdachte opzettelijk en van dichtbij op de benadeelde partij heeft geschoten waardoor de benadeelde partij een dwarslaesie heeft opgelopen. Anders dan de raadsvrouw betoogt, volgt uit het dossier dat de dwarslaesie definitief is. Het bedrag is lager dan de hiervoor genoemde ondergrens zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal, omdat de rechtbank het aannemelijk vindt dat de benadeelde partij zelf in enige mate heeft bijgedragen aan het incident, en daarmee aan het ontstaan van zijn schade. De benadeelde partij heeft bij de politie verklaard dat hij eerder betrokken is geweest bij een gewelddadige aanval op verdachte en hij is ook degene geweest die op 18 oktober 2024 naar de plek is gegaan waarvan hij wist dat verdachte zich daar vaak bevond. Een verdere behandeling om vast te stellen of en in welke mate de schade boven genoemd bedrag van € 120.000,00 voor rekening zou moeten blijven van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom voor het meerdere niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering tot betaling van materiële schade toewijzen tot een bedrag
van € 6.315,00 en van immateriële schade tot een bedrag van € 120.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (18 oktober 2024).
Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
8.Beslag
Onder verdachte zijn in zaak B de volgende voorwerpen in beslag genomen:
193,90 EUR (G6414971);
25,11 GR Verdovende Middelen (G6414942, hashish).
Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 193,90, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 1 in zaak A bewezenverklaarde begaan.
De inbeslaggenomen verdovende middelen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan en/of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen
33, 33a, 36c, 36d, 36f, 38v, 45, 55, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht,
26 en 55 van de Wet wapens en munitie,
2, 10 en 10a van de Opiumwet.
10.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A, feit 1
poging tot doodslag;
Zaak A, feit 2
eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Zaak B, feit 1
een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Zaak B, feit 2
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Maatregel artikel 38v Sr:
Legt op de vrijheidsbeperkende maatregelop grond van artikel 38v Sr dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jarenonthoudt van - direct of indirect - contact met [benadeelde partij] , geboren [geboortedatum] .
Beveelt dat indien niet aan de vrijheidsbeperkende maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 (één) week voor iedere keer dat niet is voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 6.315,00 (zesduizenddriehonderdenvijftien euro) aan vergoeding van materiële schade en € 120.000,00 (honderdtwintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 126.31500 (honderdzesentwintigduizend driehonderdenvijftien euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslag
Verklaart verbeurd:
193,90 EUR (G6414971).
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
25,11 GR Verdovende Middelen (G6414942, hashish).
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mrs. A.M. Loots en K.A. Brunner, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2026.