ECLI:NL:RBAMS:2026:5983

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
AMS 24/7740
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.50 WkoArt. 3 Besluit kwaliteit kinderopvangArt. 7 Besluit kwaliteit kinderopvangArt. 9 Besluit kwaliteit kinderopvang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanwijzing wegens overtreding Wet kinderopvang door onvoldoende concreet pedagogisch beleidsplan

Eiseres kreeg een schriftelijke aanwijzing opgelegd wegens overtredingen van de Wet kinderopvang, met name een onvoldoende concreet pedagogisch beleidsplan en het niet naleven van de beroepskracht-kind-ratio door opvang in andere stamgroepen dan toegestaan.

De toezichthouder constateerde deze tekortkomingen tijdens een inspectie en gaf eiseres twee weken om deze te herstellen. Na het uitblijven van herstel adviseerde de toezichthouder handhavend op te treden, waarna verweerder de aanwijzing oplegde. Eiseres stelde dat de aanwijzing onduidelijk was en dat er geen feitelijke overtredingen waren.

De rechtbank oordeelde dat het pedagogisch beleidsplan niet voldeed aan de wettelijke eisen, dat de aanwijzing voldoende duidelijk was en dat de geconstateerde overtredingen terecht waren vastgesteld. Ook het samenvoegen van stamgroepen bleek niet incidenteel en daarmee niet toegestaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing wegens overtreding van de Wet kinderopvang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7740

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Smit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aanwijzing die is gegeven aan eiseres wegens overtreding van de Wet kinderopvang (Wko). Eiseres is het niet eens met de aanwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder een aanwijzing heeft kunnen geven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om de aanwijzing te geven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 14 mei 2024 heeft verweerder een schriftelijke aanwijzing gegeven wegens overtredingen van de Wko. Met het bestreden besluit van
21 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 3] ([functie]) namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder, [persoon 1] namens de [bedrijf 1] en [persoon 2] namens team [bedrijf 2] .
Achtergrond en besluitvorming
3. Op 22 februari 2024 heeft de [bedrijf 1] als toezichthouder op de kinderopvang een jaarlijks onderzoek gedaan bij eiseres op de locatie [adres] in Amsterdam. Uit het naar aanleiding van dat onderzoek opgestelde inspectierapport van 22 april 2024 blijkt dat eiseres een aantal voorschriften uit de Wko niet heeft nageleefd. Voor de volgende twee overtredingen heeft eiseres een aanwijzing gekregen:
  • In het pedagogisch beleidsplan is niet concreet beschreven hoe de inzet van het personeel per dag en per stamgroep is;
  • Uit het inspectierapport blijkt dat eiseres kinderen soms in een andere stamgroep dan de eigen stamgroep opvangt om te kunnen voldoen aan de beroepskracht-kind-ratio. Dit is niet toegestaan. Daarom heeft de toezichthouder gevraagd om een plan van aanpak waaruit blijkt dat hier zorg voor wordt gedragen. Dit plan heeft de toezichthouder niet ontvangen. Ook is in eiseres haar pedagogisch beleidsplan beschreven hoe incidentele opvang in een tweede stamgroep wordt geregeld. Deze werkwijze leidt tot overtredingen.
3.1.
De [bedrijf 1] heeft eiseres twee weken de gelegenheid gegeven om de geconstateerde overtredingen te herstellen. Omdat eiseres deze overtredingen niet binnen die periode had hersteld, heeft de [bedrijf 1] vervolgens verweerder geadviseerd om voor deze overtredingen handhavend op te treden.
3.2.
Verweerder heeft dit advies overgenomen en heeft, bij het primaire besluit, eiseres voor beide overtredingen een aanwijzing gegeven. Verweerder heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Beleidsplan concrete omschrijving ontbreekt
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het voor haar onduidelijk was welke aanpassingen vereist waren om de vastgestelde overtredingen te herstellen. Deze onduidelijkheid heeft haar belemmerd om aan de gestelde eisen te voldoen.
4.1.
Artikel 1.50, tweede lid, onder f, van de Wko en artikel 3, tweede lid, onder d, van het Besluit kwaliteit kinderopvang (Bkk) schrijven voor dat het pedagogisch beleidsplan ten minste een concrete beschrijving moet bevatten van de werkwijze, de maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen, alsmede de wijze waarop wordt voldaan aan de beroepskracht-kind-ratio, onder andere door personele inzet.
4.2.
Aan eiseres wordt verweten dat het pedagogisch beleidsplan niet concreet beschrijft hoe de personele inzet per dag en per stamgroep is georganiseerd. Deze overtreding wordt niet door eiseres betwist en eiseres heeft ter zitting erkend dat de omschrijving in het pedagogisch beleidsplan duidelijker had kunnen zijn.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de [bedrijf 1] terecht heeft vastgesteld dat het pedagogisch beleidsplan onvoldoende concreet was aangaande de vereiste dagindeling, zoals voorgeschreven in artikel 1.50 Wko en de artikelen 3 en 7 van het Bkk. Dit vereiste is van belang zodat ouders uit het pedagogisch beleidsplan kunnen afleiden hoe de opvang feitelijk is georganiseerd. Eiseres heeft aangevoerd dat ouders zelf via [website] kunnen opzoeken of de beroepskracht-kind-ratio in orde is. Dit verweer volgt de rechtbank niet, omdat ouders niet over de geboortedata van de andere kinderen beschikken, zodat zij de beroepskracht-kind-ratio niet zelf kunnen uitrekenen. De in het pedagogisch beleidsplan opgenomen informatie biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende helderheid over het aantal kinderen per stamgroep en het aantal beroepskrachten dat gedurende verschillende momenten op de dag per stamgroep werkzaam zijn. Door enkel de maximumaantallen kinderen en beroepskrachten op te nemen heeft eiseres niet voldaan aan het gestelde vereisten.
4.4.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de aanwijzing voldoende duidelijk was. Indien er onduidelijkheden bestonden over de aanwijzing, dan lag het op de weg van eiseres om daarover nadere informatie op te vragen. Dat eiseres dit heeft gedaan, is onvoldoende gebleken. Dat eiseres in haar zienswijze heeft gesteld dat zij iets ‘niet kan volgen’ is daarvoor onvoldoende. Daarbij weegt mee dat de [bedrijf 1] zich juist heeft ingespannen om met eiseres in gesprek te komen over herstel van het pedagogisch beleidsplan. Voor zover de aanwijzing al onduidelijk was voor eiseres, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat zij moeite heeft gedaan om de benodigde duidelijkheid te krijgen.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het pedagogisch beleidsplan niet voldoet aan de wettelijke eisen en dat de door de [bedrijf 1] geconstateerde tekortkomingen terecht zijn vastgesteld. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar onduidelijk was op welke wijze de overtreding ongedaan kon worden gemaakt. Verweerder heeft daarom voor deze overtreding een aanwijzing mogen geven.
Samenvoegen stamgroepen
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat met betrekking tot het samenvoegen van stampgroepen geen feitelijke gedragingen zijn geconstateerd. Het samenvoegen van stamgroepen in de vakantieperiodes betreft alleen een administratieve tekortkoming in het pedagogisch beleidsplan.
5.1.
Artikel 9 van Pro het Bkk schrijft voor dat kinderen worden opgevangen in één stamgroep, de stamgroep waarin zij zijn geplaatst. Dit behoudens de wettelijk toegestane uitzonderingen. Structurele en incidentele opvang in een tweede stamgroep vallen onder de wettelijk toegestane uitzonderingen. Dit houdt in dat kinderen bijvoorbeeld voor een bepaalde periode (structureel) of voor een dag of dagdeel (incidenteel) opgevangen kunnen worden in een andere stamgroep dan de eigen stamgroep. Dit om te voorkomen dat ouders moeten uitwijken naar een ander kindercentrum wanneer op de vaste stamgroep geen plaats voor het kind is. De maximale groepsgrootte wordt bepaald op grond van tabel 1 in bijlage 1, onderdeel a van het Bkk. Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep wordt de maximale grootte van de gecombineerde groep bepaald op grond van bijlage 1, onderdeel c van het Bkk.
5.2.
Aan eiseres wordt verweten dat uit het pedagogisch beleidsplan volgt dat zij kinderen soms in een andere stamgroep dan de eigen stamgroep opvangt om te kunnen voldoen aan de beroepskracht-kind-ratio. Dit is niet toegestaan.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht in de beschreven werkwijze van eiseres in het pedagogisch beleidsplan een overtreding ziet. Uit het pedagogisch beleidsplan blijkt dat het opvangen van kinderen in een andere stamgroep niet incidenteel is. De incidentele opvang in een tweede stamgroep is namelijk zo ingericht dat voorafgaand aan de vakantie een inventarisatie wordt gemaakt van het aantal kinderen dat wordt opgevangen tijdens de vakantieperiode. Op basis van die inventarisatie wordt in kaart gebracht wanneer en op welke wijze de stamgroepen worden samengevoegd. Incidenteel samenvoegen mag een dag of een dagdeel duren en niet een hele vakantieperiode. Vakanties zijn immers jaarlijks terugkerend. Daarnaast is het niet toegestaan om op basis van een inventarisatie te bepalen wanneer en op welke wijze stamgroepen incidenteel worden samengevoegd.
5.4.
Verder kan de rechtbank het standpunt van eiseres, dat er geen daadwerkelijke overtreding is vastgesteld, niet volgen. Uit het inspectierapport, en met name pagina 11 daarvan, blijkt dat plaatsingslijsten en presentielijsten zijn opgevraagd en ontvangen waaruit volgt dat drie kinderen structureel op een andere stamgroep zijn opgevangen. Er was dus wel sprake van een daadwerkelijke overtreding. Maar ook voor zover dat niet het geval zou zijn, maakt dat niet dat de aanwijzing onterecht zou zijn. De geconstateerde overtreding ziet namelijk ook op de manier waarop de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan is vastgelegd.
6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de [bedrijf 1] geconstateerde tekortkoming terecht is vastgesteld. Verweerder heeft daarom voor deze overtreding een aanwijzing mogen geven.
7. Al hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mr. L. Dolfing en
mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.