ECLI:NL:RBAMS:2026:599

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
AMS 23/4488
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Huisvestingswet 2014Art. 1 Huisvestingswet 2014Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.51 VreemdelingebesluitArt. 3.24aa Voorschrift Vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op taakstelling huisvesting vergunninghouder na afwijzing asielaanvraag

Eiseres heeft een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor adequate opvang en een woning via taakstelling. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot dat eiseres recht heeft op dag- en nachtopvang en de winterkouderegeling, waarna eiseres bezwaar maakte. Het college handhaafde het besluit, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De kern van het geschil betrof de vraag of eiseres als vergunninghouder kan worden aangemerkt op grond van artikel 28 van Pro de Huisvestingswet 2014, waardoor het college verplicht zou zijn haar te huisvesten via de taakstelling. De rechtbank overwoog dat een vergunninghouder een vreemdeling is die een verblijfsvergunning heeft gekregen als gevolg van een asielaanvraag. Eiseres had echter een asielaanvraag ingediend die was afgewezen en vervolgens een reguliere verblijfsvergunning aangevraagd en gekregen op andere gronden.

De rechtbank concludeerde dat eiseres daarom niet onder de taakstelling valt en het college niet verplicht is haar te huisvesten als vergunninghouder. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar passende opvang en hulp, mede op basis van afspraken tijdens de zitting. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat zij niet als vergunninghouder in de zin van de Huisvestingswet wordt aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/4488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. J.C. Smit).

Inleiding

1. Op 22 november 2022 heeft eiseres bij het college een aanvraag ingediend met als doel eiseres “
in aanmerking te laten komen voor adequate opvang en een woning, zo nodig via taakstelling”.
1.1.
Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag op 6 december 2022 beslist dat eiseres in aanmerking komt voor dag- en nachtopvang en de winterkouderegeling, en dat eisers zich daarvoor kan melden voor een screening (het primaire besluit). Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 9 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Op de zitting is het onderzoek geschorst. Partijen hebben vervolgens de rechtbank verzocht uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Taakstelling op grond van artikel 28 van Pro de Huisvestingswet 2014
3. In bezwaar en beroep spitste het geschil zich onder meer toe op de vraag of eiseres een beroep kan doen op artikel 28 van Pro de Huisvestingswet 2014 (Huisvestingswet)
.Dat artikel bepaalt:

Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling.”
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 2 van de Huisvestingswet is een vergunninghouder:

een vreemdeling die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b, c, of d, van de Vreemdelingenwet 2000”.
Omdat eiseres in beroep aanvoert dat het college verplicht is eiseres te huisvesten op grond van de taakstelling als bedoeld in artikel 28 van Pro de Huisvestingswet, zal de rechtbank die beroepsgrond behandelen.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat het college op grond van de taakstelling die voor de gemeente Amsterdam geldt, zorgdraagt voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als vergunninghouder in de zin van artikel 28 van Pro de Huisvestingswet.
5. Eiseres voert aan dat zij als vergunninghouder moet worden aangemerkt en daarom valt binnen de taakstelling. Zij heeft asiel aangevraagd en uiteindelijk een verblijfsvergunning gekregen zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000.
6. De rechtbank overweegt dat de wettelijke systematiek rondom de taakstellingen tot doel heeft de huisvesting van verblijfsgerechtigden te regelen. Personen die worden erkend als vluchteling krijgen een verblijfsvergunning en worden hierdoor statushouder (verblijfsgerechtigden). Deze verblijfsgerechtigden verblijven grotendeels in een asielzoekerscentrum (AZC) en moeten zo snel mogelijk reguliere huisvesting vinden om de integratie te bevorderen en om plek vrij te maken in het AZC voor mensen die zich nog in de procedure bevinden. Erkende asielzoekers met een verblijfsvergunning moeten dus zo snel mogelijk via de taakstelling worden gehuisvest. De Huisvestingswet sluit niet uit dat een persoon in het bezit van een reguliere verblijfsvergunning kan worden aangemerkt als vergunninghouder. Ook aan een asielzoeker kan immers een reguliere verblijfsvergunning worden verleend. Wel moet om te kunnen spreken van een vergunninghouder een asielaanvraag zijn ingediend en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning regulier zijn toegekend.
7. Niet in geschil is dat de asielaanvraag van eiseres is afgewezen. De asielprocedure is daarmee tot een eind gekomen. Eiseres heeft vervolgens een verblijfsvergunning regulier aangevraagd op grond van de “Afsluitregeling langdurig verblijvende kinderen” [1] . Die aanvraag heeft de staatssecretaris [2] op 30 mei 2022 afgewezen. Bij hetzelfde besluit van 30 mei 2022 heeft de staatsecretaris wel ambtshalve aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking “niet tijdelijk humanitaire gronden”. [3]
8. De rechtbank is van oordeel dat de verblijfsvergunning aan eiseres niet is toegekend als gevolg van de asielaanvraag, maar als gevolg van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier. De asielaanvraag was immers afgewezen. Eiseres heeft een verblijfsvergunning gekregen na een nieuwe aanvraag, voor een verblijfsvergunning regulier. Het college hoeft eiseres daarom niet aan te merken als vergunninghouder zoals bedoeld in de Huisvestingswet.
Overige beroepsgronden
9. Eiseres voert in beroep verder – kort samengevat – aan dat het college niet heeft onderzocht wat nodig en passend is voor eiseres. De toegekende dag- en nachtopvang is dat in elk geval niet.
10. Op de zitting is in dit kader afgesproken dat het college een afspraak voor eiseres maakt bij de screeningsbalie van de GGD. Na de screening wordt overlegd met de Dienst Wonen en het doorbraakteam van het college om de eventuele passende hulp aan eiseres in kaart te brengen.
11. Op 29 september 2025 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank laten weten dat er geen vervolgtraject meer heeft plaatsgevonden en de rechtbank verzocht uitspraak te doen. De rechtbank weet niet waarom de afspraak die op de zitting is gemaakt, niet is nagekomen.
12. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van de afspraken die op de zitting zijn gemaakt, zou het college de Dienst Wonen betrekken bij het onderzoek naar een oplossing voor eiseres. De Dienst Wonen gaat over het toewijzen van woningen. Door die instantie te betrekken, kijkt het college verder dan alleen naar de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) op basis waarvan de screening plaatsvindt. Het doorbraakteam van het college is er bij uitstek voor om bij verschillende afdelingen van de gemeente te kijken naar oplossingen, en dus ook naar verschillende regelingen die van toepassing kunnen zijn (zoals de Wmo, de Huisvestingswet, etc.). De rechtbank is van oordeel dat het college met de afspraken die partijen hebben gemaakt op de zitting voldoende heeft gedaan om te onderzoeken wat nodig en passend is voor eiseres. Niet is gebleken dat het aan het college is te wijten dat de gemaakte afspraken niet zijn nagekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Simonis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Staatscourant 2019, 8116.
2.De toenmalige staatsecretaris van Justitie en Veiligheid.
3.De staatsecretaris verwijst daarbij naar artikel 3.51, derde lid, van het Vreemdelingebesluit juncto artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder h, van het Voorschrift Vreemdelingen.