ECLI:NL:RBAMS:2026:600

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25/4609
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.1 WlzVerordening (EG) nr. 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op verzekering Wet langdurige zorg wegens ontbreken woon- of arbeidsband met Nederland

Eiser, een Portugees, verbleef slechts een maand in Nederland in 1995 als toerist en heeft sindsdien niet in Nederland gewoond of gewerkt. Hij verzocht om vaststelling van zijn verzekeringsstatus voor de Wet langdurige zorg (Wlz) vanaf 1 januari 1996, omdat hij psychische klachten ontwikkelde na zijn verblijf in Nederland.

Verweerder oordeelde dat eiser niet verzekerd is voor de Wlz omdat hij niet in Nederland woont of werkt en dat Portugal als woonland en bevoegde lidstaat geldt volgens Verordening (EG) nr. 883/2004. De rechtbank bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de verordening geen bevoegdheid toekent op grond van de plaats waar arbeidsongeschiktheid ontstaat.

Eisers verzoek om een verklaring voor recht dat Nederland verantwoordelijk is voor zijn arbeidsongeschiktheid wordt niet toegewezen, omdat dit niet binnen de beoordeling van het bestuursorgaan valt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet verzekerd is voor de Wlz en Nederland niet bevoegd is volgens de Europese verordening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Portugal, eiser,

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Met het besluit van 4 april 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser niet verzekerd geacht vanaf 1 januari 1996 voor de Wet langdurige zorg (Wlz).
Met het besluit van 27 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiser is een Portugees, geboren op [geboortedag] 1978. Hij bezocht in 1995 Amsterdam voor een maand als toerist en kwam daar in aanraking met gelegaliseerde cannabis. Na deze ervaring stelt hij ernstige psychische klachten te hebben ontwikkeld. Eiser stelt dat hij de afgelopen 28 jaar in Portugal heeft geleefd in armoede en sociale isolatie. Portugal biedt volgens eiser geen voorzieningen voor zijn beperkingen. Eiser heeft verweerder daarom verzocht te onderzoeken of hij vanaf 1 januari 1996 verzekerd is voor de Wlz.
2. Verweerder heeft in het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, eiser vanaf 1 januari 1996 niet verzekerd geacht voor de Wlz, omdat eiser niet in Nederland woont of werkt. Eiser verbleef in december 1995 tijdelijk in Nederland en heeft nooit ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen. Vanaf 1 januari 1996 verbleef hij weer in Portugal en daarna is hij niet meer in Nederland geweest. Eiser heeft daarnaast aangegeven dat zijn familie in Portugal woont en dat hij vanaf 2012 een sociale zekerheidsuitkering uit Portugal ontvangt. Volgens verweerder is daarom de wetgeving van het land waarin eiser woont van toepassing, in dit geval Portugal. Zelfs indien verweerder zal beslissen dat eiser in Nederland woont, dan is hij alsnog niet verzekerd voor de Wlz. De Wlz bepaalt namelijk dat iemand niet verzekerd is voor de Wlz indien de wetgeving van een ander land van toepassing is. De argumenten van eiser met betrekking tot de oorsprong van zijn ziekte zijn voor de vaststelling van de verzekeringsplicht in Nederland niet van belang, aldus verweerder.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het geding zich beperkt tot de vraag of verweerder op goede gronden eiser vanaf 1 januari 1996 niet verzekerd heeft geacht voor de Wlz.
4. Op grond van de Wlz is verzekerd degene die ingezetene is, dan wel degene die ter zake van in Nederland verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen is. [1] Ook kan iemand voor de Wlz verzekerd zijn als de Europese wetgeving de Nederlandse wetgeving aanwijst. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat Nederland op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004, en specifiek artikel 21 daarvan Pro, als bevoegde lidstaat moet worden aangemerkt.
5. Verordening (EG) nr. 883/2004 is een coördinatieverordening. Deze verordening strekt er niet toe de nationale stelsels van sociale zekerheid te harmoniseren, maar beoogt deze op elkaar af te stemmen door aan te wijzen welke lidstaat bevoegd is en welke nationale socialezekerheidswetgeving in een concreet geval van toepassing is. Artikelen 11 tot en met 16 van deze verordening bevatten de regels op grond waarvan wordt vastgesteld welke lidstaat bevoegd is. Hieruit volgt onder meer dat personen die geen arbeid verrichten in de regel onder de bevoegdheid van het land vallen waar zij wonen. Niet in geschil is dat eiser geen arbeid heeft verricht. Onder wonen wordt in dit kader verstaan de plaats waar een persoon zijn gewone verblijf heeft en waar hij feitelijk en duurzaam is gevestigd. De rechtbank stelt vast dat Portugal het land is waar eiser zijn woonplaats heeft. In december 1995 was eiser een maand op vakantie in Nederland. Hij heeft zich echter nooit ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Nadien heeft eiser Nederland niet meer bezocht. Gezien de duurzame en feitelijke band met Portugal, moet Portugal op grond van de verordening als eisers woonland en de bevoegde lidstaat worden aangemerkt.
6. Voor zover eiser betoogt dat Nederland de bevoegde lidstaat is omdat zijn arbeidsongeschiktheid daar zou zijn ontstaan, volgt de rechtbank hem daarin niet. De genoemde verordening kent geen bevoegdheid toe op grond van de plaats waar een arbeidsongeschiktheid ontstaat. Anders dan eiser betoogt, volgt uit artikel 21 van Pro de verordening geen aanwijzing van een bevoegde lidstaat. De Europese Commissie heeft deze uitleg ook aan eiser gegeven in haar brief van 23 april 2025, die zij als reactie op een e-mail van eiser aan hem heeft toegezonden. Verweerder heeft dan ook terecht beslist dat de vraag of eiser arbeidsongeschikt is geworden in Nederland niet relevant is voor de vraag of Nederland als lidstaat bevoegd is. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het hem betreurt dat verweerder hem geen erkenning geeft voor zijn arbeidsongeschiktheid, behoort een dergelijke erkenning niet tot de beoordeling van verweerder en vormt die daarnaast geen onderdeel van de toets die verweerder moet toepassen bij het bepalen van de bevoegde lidstaat.
7. Subsidiair verzoekt eiser om een verklaring voor recht dat Nederland in 1995 zijn arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt door onvoldoende maatregelen te treffen ter voorkoming dat hij in contact kwam met cannabis. Dit verzoek maakt geen deel uit van de beoordeling van de vraag die in deze zaak voorligt. De rechtbank kan die gevraagde verklaring voor recht daarom niet geven. Indien eiser zijn verzoek om een verklaring voor recht en zijn gestelde schade aan een rechter wil voorleggen, kan hij dit bij de burgerlijke rechter doen.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. Verweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat eiser vanaf 1 januari 1996 niet verzekerd is voor de Wlz. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van de reis- en verblijfkosten van eiser bestaat bij deze uitkomst ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr.N.J.A. van Eck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van hoger beroep kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 2.1.1 van de Wlz.