ECLI:NL:RBAMS:2026:603

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
13/158083-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot verkrachting met vrijspraak voor poging tot moord en zware mishandeling

Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot moord, poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en poging tot verkrachting. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, en gelast dat hij ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 10 mei 2024, waarbij de verdachte de aangeefster met geweld heeft meegesleurd en haar heeft bedreigd met de dood. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefster als consistent en betrouwbaar beoordeeld, maar heeft de verdachte vrijgesproken van de poging tot moord en zware mishandeling, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij opzet had op de dood of zwaar lichamelijk letsel van de aangeefster. De rechtbank oordeelde dat de handelingen van de verdachte gericht waren op het seksueel binnendringen van de aangeefster, wat leidde tot de bewezenverklaring van poging tot verkrachting. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/158083-24
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de [naam PI] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H. van Keulen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de verklaring en de vordering (met vermeerdering) van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , bijgestaan door haar advocaat mr. C.M. Sent.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 10 mei 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1.
primair:
poging tot moord dan wel poging tot doodslag op [benadeelde partij] ;
subsidiair:
poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad van [benadeelde partij] ;
2.
primair:
poging tot verkrachting van [benadeelde partij] ;
subsidiair:
poging tot een feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
de bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de poging tot moord (feit 1, primair) en de poging tot verkrachting (feit 2, primair) kunnen worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de raadsvrouw kan het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 2 primair tenlastegelegde niet worden bewezen en moet verdachte daarvan worden vrijgesproken. Ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot aanranding (feit 2, subsidiair) heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot verkrachting van aangeefster bewezen. Het onder 1 primair en onder 1 subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank niet bewezen en verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank zal dat oordeel hierna motiveren.
Feiten en omstandigheden
3.3.1.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
3.3.2.
Aangeefster [benadeelde partij] (hierna: aangeefster) is uit geweest en loopt in de nacht van 9 op 10 mei 2024 naar huis in Amsterdam. Als zij onder het viaduct Mirakelbrug doorloopt wordt zij door een man, die zij nooit eerder heeft gezien, plots vastgepakt en op gewelddadige wijze een flink stuk meegetrokken het Domela Nieuwenhuisplantsoen in. [2] In een woning tegenover dat plantsoen wordt op enig moment een vrouw wakker van het geschreeuw van aangeefster. [3] Zij maakt haar vriend wakker en hij belt om 03:45 uur 112. [4] Om ongeveer 03:49 uur komen twee verbalisanten bij het Domela Nieuwenhuisplantsoen aan en zij horen daar gegil. In het schijnsel van de koplampen van hun politieauto zien zij een bankje en naast dat bankje ligt een persoon op een andere persoon. De persoon die onderop ligt, aangeefster, slaat heftig met haar armen. Als de verbalisanten naderen staat de man, verdachte, op waarna aangeefster in paniek en huilend naar één van de verbalisanten rent. Haar handen en kleding zitten onder de modder en zij heeft diverse verwondingen aan haar gezicht. [5] Verdachte wordt aangehouden. [6]
Verklaringen aangeefster
3.3.3.
Aangeefster heeft op drie momenten aan de politie verklaard over het handelen van verdachte op 10 mei 2024. Voor de beoordeling van beide tenlastegelegde feiten zijn deze verklaringen van belang. De rechtbank zal daarom eerst deze verklaringen bespreken.
Op het moment dat aangeefster, direct na de gebeurtenis, naar de verbalisant rende, riep zij dat verdachte haar wilde verkrachten. [7] Direct daarna, zij zit dan in de politieauto, heeft aangeefster onder meer verklaard dat verdachte haar bij haar keel had gegrepen en een stuk had meegesleept. Hij zei haar te vermoorden als ze niet zou meewerken en als hij gepakt zou worden zou hij zelfmoord plegen en haar meenemen. Hij heeft de hele tijd in haar keel geknepen, soms met één hand en soms met twee. Hij liet alleen een heel klein beetje los als zij hem zei dat ze zou meewerken. Hij heeft ook meerdere keren geslagen, onder andere in haar gezicht, en haar met haar hoofd tegen de grond geslagen. [8]
Op diezelfde dag heeft aangeefster aangifte gedaan en zij heeft toen onder andere verklaard dat zij door verdachte om haar haar nek werd gegrepen. Het was een klem om haar nek. Hij heeft haar meegesleurd naar een bankje verderop in het park buiten het zicht van de straat en haar broek werd half opengemaakt. Hij zei bijvoorbeeld: “broek open of ik maak je dood” en “als je de politie roept dan pleeg ik zelfmoord en neem ik jou mee. Ik vermoord je!” Hij heeft haar billen aangeraakt. Hij hield haar constant in een wurggreep. Als ze iets meer lucht kreeg lukte het om hulp te roepen. Hij heeft haar geslagen met zijn vuisten op haar hoofd en gezicht. Ze dacht dat ze verkracht en daarna vermoord zou worden. [9]
Op 30 mei 2024 heeft aangeefster een uitgebreide aanvullende verklaring bij de politie afgelegd. Zij heeft toen onder andere verklaard dat verdachte geen interesse had in haar tas. Ook heeft ze nogmaals verklaard dat verdachte haar in een nekklem vasthield. Het was een hele harde klem. Hij heeft haar op die manier een stuk meegesleurd en haar de hele tijd in die nekklem vastgehouden. Er waren meerdere momenten dat hij haar verwurgde met die greep. Ze heeft ook meerdere keren kunnen gillen. Dan zette hij de greep weer harder aan. Hij zei ook: “We gaan niet onderhandelen”, “Jij gaat met mij mee, jij gaat naar mij luisteren! Jij gaat vanavond dood. Weet je dat? Dit is jouw laatste avond!”. Verder heeft aangeefster tijdens dit verhoor verklaard dat verdachte haar broek en onderbroek omlaag heeft getrokken en dat ze zijn hand op haar bil heeft gevoeld. Hij heeft op enig moment zijn greep iets losser gemaakt en probeerde toen met één hand zijn broek losser te krijgen. Ze heeft zijn schaamstreek op haar blote billen gevoeld. Aangeefster heeft ook verklaard dat verdachte niets zei over een verkrachting, alleen dat ze naar hem moest luisteren, maar dat ze uit alles zeker wist dat hij haar wilde verkrachten. [10]
3.3.4.
De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster consistent, concreet en gedetailleerd. Aangeefster heeft direct, toen zij hevig geëmotioneerd was, concreet en gedetailleerd verklaard over de wijze waarop verdachte de diverse handelingen heeft verricht. Zij heeft dit later tijdens de aangifte en de aanvullende aangifte herhaald, en daarbij in antwoord op vragen van de verbalisanten nog meer details gegeven. Anders dan de verdediging heeft betoogd, komen haar verklaringen op alle belangrijke punten overeen en bevatten deze geen tegenstrijdigheden. De verdediging heeft nog verzocht terughoudend met de verklaringen van aangeefster om te gaan omdat (i) de getuigen die 112 hebben gebeld hebben verklaard dat aangeefster niet bij haar nek maar bij haar romp en/of armen door verdachte is meegesleurd, (ii) het letsel van aangeefster niet past bij een verwurging zoals door aangeefster is geschetst en (iii) in de hals van aangeefster geen DNA van verdachte is aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank doen deze punten niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Eén van die getuigen heeft verklaard dat het donker was en dat hij het handelen van verdachte niet goed kon zien. [11] Daarbij komt dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij aangeefster “bij haar nek, om haar nek” heeft vastgepakt. [12] Uit een letselverklaring volgt dat aangeefster een zwelling van de huid had, maar dat geen sprake was van zwellingen in de diepere weefsels in haar nek. [13] De rechtbank oordeelt dat ook dit letsel past bij de door aangeefster geschetste handelingen van verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn en dus voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde
3.3.5.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot het oordeel te komen dat verdachte willens en wetens geprobeerd heeft aangeefster van het leven te beroven, zodat vol opzet niet kan worden bewezen. Verdachte heeft weliswaar meermalen gezegd dat hij aangeefster zou vermoorden, maar deze bewoordingen passen naar het oordeel van de rechtbank ook in het scenario waarbij verdachte aangeefster dwingt mee te werken aan seksuele handelingen.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. Daarvoor is nodig dat er (naar algemene ervaringsregels) een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden. Uit de hiervoor genoemde verklaringen van aangeefster maakt de rechtbank op dat verdachte voortdurend zijn arm in een klem om de nek van aangeefster had. Met het aanleggen van een nekklem is de aanmerkelijke kans op de dood op zichzelf nog niet gegeven. Of die kans er was, dient te worden beoordeeld op grond van de duur, kracht en intensiteit van de nekklem. Uit de verklaringen van aangeefster, getuigen en uit de 112-melding leidt de rechtbank af dat verdachte gedurende een periode van ongeveer vier minuten zijn arm af en toe strakker om haar nek had geklemd, maar ook dat hij zijn greep af en toe iets losser maakte. Als aangeefster begon te schreeuwen, dan zette hij de greep weer harder aan. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen wat de intensiteit van de nekklem is geweest. Daarbij volgt uit een letselverklaring dat aangeefster een zwelling van de huid had, maar dat geen sprake was van zwellingen in de diepere weefsels in haar nek. Uit het dossier volgt evenmin dat het andere letsel van aangeefster zodanig was dat een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster bestond. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier dan ook niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat aangeefster zou komen te overlijden door het handelen van de verdachte. Dat betekent dat niet bewezen is dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster heeft gehad.
De rechtbank acht daarom de als feit 1 primair tenlastegelegde poging tot moord, dan wel poging tot doodslag niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Vrijspraak van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde
3.3.6.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Uit het dossier volgt niet dat verdachte willens en wetens geprobeerd heeft aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat vol opzet niet kan worden bewezen. Uit het dossier volgt ook niet van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Uit de verklaringen van aangeefster volgt dat verdachte haar gedurende enige tijd in een nekklem heeft gehad en haar heeft gewurgd. Ook is zij op de grond gegooid, meerdere keren geslagen, onder andere in haar gezicht, en met haar hoofd tegen de grond geslagen. Deze handelingen zijn zeer ernstig en zeer beangstigend voor aangeefster geweest, maar de rechtbank kan uit het dossier niet opmaken met welke intensiteit en kracht verdachte deze handelingen heeft uitgevoerd. Gelet daarop kan niet worden bewezen dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster bestond door het handelen van verdachte.
De rechtbank acht daarom de als feit 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Poging verkrachting
3.3.7.
Voor een strafbare poging tot verkrachting is vereist dat de dader handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven, zoals een aanranding, te plegen.
Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar. Uit die verklaringen volgt dat verdachte aangeefster plotseling met geweld heeft meegetrokken naar een afgelegen plek, uit het zicht van de straat. Aangeefster heeft zich hiertegen dapper verzet en als reactie daarop heeft verdachte haar met de dood bedreigd en geweld toegepast. Verdachte heeft aangeefster eerst gedwongen bij hem op schoot te komen zitten en later heeft hij haar op de grond gegooid. Verdachte heeft op haar gelegen en de broek van aangeefster naar beneden getrokken. Hij is met zijn schaamstreek bij haar billen geweest. Dit terwijl hij voortdurend met zijn arm de keel van aangeefster ferm omklemde. Aangeefster heeft daarbij verklaard dat zij ervan overtuigd is dat verdachte haar zou verkrachten. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid Wetboek van strafvordering (hierna ook: Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen enkel op basis van de verklaringen van een slachtoffer. In dit geval worden de verklaringen van aangeefster ondersteund door de verklaringen van de getuigen dat verdachte aangeefster met geweld heeft meegetrokken naar het plantsoen en de verklaringen van de verbalisanten die verdachte liggend op aangeefster hebben aangetroffen, waarbij de broek van aangeefster open was [14] en zij duidelijk in paniek was.
De rechtbank is van oordeel dat uit het handelen van verdachte een onmiskenbare seksuele intentie blijkt en dat die handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Dat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard en stopte pas nadat de politie na een melding van getuigen ingreep. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat geen sprake was van een begin van uitvoering van een verkrachting en concludeert dat de gedragingen van verdachte gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Er is dan ook sprake van een poging tot verkrachting van aangeefster.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen waarnaar in rubriek 3.3 is verwezen, bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 2, primair
op 10 mei 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] ,
- die [benadeelde partij] gedurende enige tijd heeft gevolgd, en
- onverhoeds die [benadeelde partij] aan het lichaam heeft vastgepakt en
- een armklem om de hals/keel van voornoemde [benadeelde partij] heeft aangelegd en
- die [benadeelde partij] heeft meegetrokken naar het park/bosjes en
- die [benadeelde partij] met de hand in haar gezicht heeft geslagen
en
- met die [benadeelde partij] heeft geworsteld en
- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd "Als je de politie roept dan pleeg ik zelfmoord en
neem jou mee" en/of "Ik vermoord je!" en/of "Jij gaat met mij mee, jij gaat naar mij
luisteren!" en/of "Jij gaat vanavond dood. Dan weet je dat. Dit is jouw laatste
avond!" en/of "Broek open of ik maak je dood"' althans woorden van gelijke aard
en/of strekking en
- die [benadeelde partij] op de grond heeft geduwd en
- op die [benadeelde partij] is gaan liggen en
- die [benadeelde partij] heeft gedwongen mee te werken dat zij op hem, verdachte, ging zitten en
- de broek van die [benadeelde partij] open heeft gemaakt en
- de broek en/of onderbroek van die [benadeelde partij] naar beneden heeft getrokken en
- zijn, verdachtes, broek en/of onderbroek naar beneden heeft getrokken en,
- de billen van die [benadeelde partij] heeft betast en
- met zijn, verdachte, (blote) schaamstreek op de (blote) billen van die [benadeelde partij] is gaan liggen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de ongemaximeerde terbeschikkingstelling (verder: TBS) met verpleging van overheidswege gevorderd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank geen TBS-maatregel op te leggen. Bij een bewezenverklaring van de poging tot verkrachting (feit 2, primair) is volgens de verdediging een gevangenisstraf gerechtvaardigd, al dan niet gecombineerd met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr).
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Na een avond uitgaan liep aangeefster naar huis. Zij kende verdachte niet. Verdachte is haar gevolgd en heeft haar vervolgens met zijn arm om haar nek gedwongen mee te gaan naar een stille plek. Hij dwong haar uiteindelijk op de grond, ging op haar liggen, sloeg haar, sloeg haar hoofd tegen de grond, opende haar broek en betastte haar billen. Aangeefster voelde zijn schaamstreek op haar blote huid. Bij dit alles bedreigde verdachte aangeefster meermalen met de dood als ze niet zou meewerken. Aangeefster verkeerde in doodsangst, schreeuwde en stribbelde tegen. Verdachte trok zijn nekklem bij aangeefster juist aan, waardoor aangeefster amper lucht kreeg en zichzelf hoorde gorgelen. Het is enkel door het bijzonder dappere optreden van aangeefster zelf en van twee getuigen dat verdachte door de politie in zijn gewelddadige handelen is gestopt.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer gewelddadige en brute poging tot verkrachting. Dit is een zeer ernstig feit waarbij inbreuk is gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangeefster. Verdachte heeft op geen enkel moment stilgestaan bij de gevolgen van het feit voor aangeefster en alleen gedacht aan zijn eigen behoeften en verlangens. Uit de indringende verklaring van aangeefster op zitting en ook verder uit het dossier blijkt dat dit handelen van verdachte tot op de dag van vandaag grote impact heeft op het leven van aangeefster. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van verkrachting of een poging daartoe vaak nog jarenlang, zo niet de rest van hun leven, kampen met de psychische en/of lichamelijke gevolgen van seksueel geweld. Aangeefster kende verdachte niet, het lijkt erop dat hij zijn slachtoffer willekeurig heeft gekozen. Dergelijke feiten zorgen ook voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, waarbij met name vrouwen op bepaalde locaties niet meer alleen over straat durven. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 augustus 2025 en het strafblad van verdachte uit het Verenigd Koninkrijk van 14 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van verdachte
Ten behoeve van de beantwoording van de vraag of de oplegging van een maatregel in deze zaak geïndiceerd is, hebben pro Justitia rapporteurs onderzoek gedaan naar de persoon van verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 22 december 2025.
Uit het pro Justitia rapport blijkt – zakelijk weergegeven – dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en een lichte stoornis in het gebruik van alcohol. De persoonlijkheidsstoornis was, gezien het duurzame karakter daarvan, aanwezig tijdens het bewezen verklaarde feit. Omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan onderzoeken kan geen seksuele stoornis worden vastgesteld of uitgesloten. Of sprake is geweest van eventuele andere stoornissen is niet onderzoekbaar gebleken. Ook kan niet worden vastgesteld of eventuele psychopathologie verdachte beperkte in zijn gedragskeuzes ten tijde van het bewezenverklaarde feit of dat hij verminderd in staat was zijn gedrag te
controleren of te overzien. Er kan geen inschatting van het recidivegevaar worden gemaakt en ook kunnen geen aanbevelingen worden gedaan voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 januari 2026. Daarin staat vermeld dat de reclassering het risico op zedenspecifieke en algehele (gewelds)recidive niet adequaat kan inschatten, omdat verdachte niet wilde meewerken aan de totstandkoming van het advies. Als gekeken wordt naar een wetenschappelijk instrument dat het risico op recidive meet dan wordt het risico op recidive van verdachte ingeschat als gemiddeld-hoog, het risico op letsel als gemiddeld-hoog en het risico op onttrekken aan voorwaarden als hoog. De reclassering onthoudt zich van advies over het opleggen van TBS en/of een (deels) voorwaardelijke straf. Bij een veroordeling tot een (gemaximeerde) TBS of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering een GVM op te leggen.
Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld moet worden en van overheidswege verpleegd moet worden, en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het bewezen geachte feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zo blijkt uit het Pro Justitia rapport, opgesteld door twee psychologen en een psychiater. Poging verkrachting is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Uit de aard van het delict, verdachte heeft op straat een vrouw die hij niet kende op gewelddadige manier geprobeerd te verkrachten, volgt dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel vereist. Ook blijkt uit het reclasseringsrapport van een gemiddeld-hoog risico op recidive en letsel. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat een minder verregaande maatregel dan TBS met dwangverpleging zal leiden tot vermindering van het recidiverisico. Daarbij is van belang dat uit het reclasseringsrapport volgt dat het risico op onttrekken aan voorwaarden hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit versterkt doordat verdachte niet heeft willen praten over het feit. Hij heeft enkel gezegd dat hij zeker weet dat hij geen seksueel motief had bij zijn handelen en dat hij ook nooit meer een vergelijkbaar feit zal plegen. Omdat verdachte niet heeft willen meewerken aan onderzoeken en niet heeft doen blijken van enig inzicht in zijn handelen, hecht de rechtbank geen waarde aan die verklaring.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaar.
De rechtbank legt geen GVM op
De reclassering heeft in haar rapport geadviseerd om, als een gevangenisstraf of de maatregel TBS wordt opgelegd, de GVM ex artikel 38z Sr op te leggen. De reclassering adviseert de oplegging van deze maatregel, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de TBS of gevangenisstraf.
De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde GVM niet opleggen. Bij de maatregel TBS met dwangverpleging dienen meerdere stappen van verlof te worden doorlopen voordat een veroordeelde volledig terugkeert in de maatschappij. Dit gebeurt geleidelijk, waarbij voldoende mogelijkheden beschikbaar zijn om het gedrag van een veroordeelde te blijven monitoren en beïnvloeden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat een GVM bovenop de TBS met dwangverpleging in deze zaak van toegevoegde waarde zal zijn.
Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit maakt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden is. Niet is gebleken dat het feit verminderd aan verdachte moet worden toegerekend. Nu aan verdachte de maatregel TBS met dwangverpleging wordt opgelegd, ontstaat de vraag of het daarnaast noodzakelijk wordt geacht om een gevangenisstraf op te leggen en zo ja, van welke duur. De rechtbank vindt het feit zodanig ernstig dat dit niet kan worden afgedaan zonder vergelding. De rechtbank zal daarom, naast de maatregel TBS met dwangverpleging, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. De rechtbank zoekt aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten, waarin voor een verkrachting met ernstig geweld wordt uitgegaan van 48 maanden gevangenisstraf. Omdat geen sprake is van een voltooide verkrachting zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, aan verdachte opleggen.
De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank feit 1 niet bewezen heeft verklaard.

8.Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij

8.1.
De vordering
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert na een vermeerdering, € 36.462,39 aan vergoeding van materiële schade en € 15.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat uit:
de dagwaarde van beschadigde en in beslag genomen kleding (€ 195,00),
het eigen risico over 2025 (€ 385,00),
inkomstenderving over de periode tot en met 15 december 2025 (€ 19.030,23),
het eigen risico over 2026 en 2027 (€ 770,00),
toekomstige inkomstenderving over de periode tot en met 15 december 2026 (€ 16.082,16).
8.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vorderingen genoemd in 9.1 onder a tot en met d volledig toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr). In de vordering genoemd in 9.1 onder e moet de benadeelde partij volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.
8.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de in 9.1 onder a genoemde vordering af te wijzen en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor de vordering genoemd onder b. De verdediging heeft verzocht de in 9.1 onder c, d en e genoemde vorderingen af te wijzen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in die vorderingen. De verdediging heeft verzocht het verzoek tot vergoeding van immateriële schade toe te wijzen tot € 5.000,00.
8.4.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld en dat hij verplicht is haar rechtstreekse schade te vergoeden. De rechtbank zal hierna per vordering zoals hiervoor in 9.1 genoemd beoordelen of deze op dit moment door verdachte betaald moet worden.
De verdediging wijst erop dat de kleding van de benadeelde partij is gebruikt voor bemonstering, maar dat deze aan haar kan worden teruggegeven. Uit het dossier volgt niet dat de kleding beschadigd zou zijn. Daarom moet dit deel van de vordering worden afgewezen, aldus de verdediging. De rechtbank volgt de verdediging niet in dat standpunt. Zelfs als de kleding zou worden teruggegeven kan van de benadeelde partij in redelijkheid niet worden gevergd dat zij deze kleding nog draagt. Daarmee zou zij telkens herinnerd worden aan een voor haar traumatische dag. Zij lijdt dus schade en die schade staat naar het oordeel van de rechtbank in zodanig nauw verband met de bewezen verklaarde poging tot verkrachting dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan haar toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Het gevorderde bedrag is ook onderbouwd en redelijk.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde extra zorgkosten heeft gemaakt en daardoor haar eigen risico heeft betaald. Deze kosten zijn door de verdediging ook niet betwist.
Dat geldt niet voor de inkomstenderving over de periode tot en met 15 december 2025. Volgens de benadeelde partij is zij als gevolg van het bewezenverklaarde sinds augustus 2024 niet meer in staat om te werken. Zij ontvangt vanaf dat moment een Ziektewetuitkering. Die uitkering is lager dan haar salaris en over voornoemde periode is zij daardoor € 19.030,23 misgelopen, aldus de benadeelde partij. Uit het dossier volgt echter dat de benadeelde partij al sinds 28 maart 2024, dat wil zeggen vóór de datum van het bewezenverklaarde, uit dienst is gegaan. De vordering is daarom vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Nu alsnog gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting voor het strafproces opleveren. De benadeelde partij wordt daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Het is goed denkbaar dat de benadeelde partij ook in de jaren 2026 en 2027 extra zorgkosten zal maken en daardoor haar eigen risico zal moeten betalen, maar de hoogte van deze kosten kan op dit moment nog niet worden beoordeeld.
Ook de omvang van een mogelijke toekomstige inkomstenderving kan op dit moment niet worden beoordeeld. De benadeelde partij zal daarom ook voor het gevorderde onder d en e niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal (€ 195,00 + € 385,00 =) € 580,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiële schade.
Immateriële schade
Het bewezen verklaarde feit is een poging tot verkrachting. Vast staat dat aan de benadeelde partij daardoor rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van dat feit brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist. De rechtbank merkt daarbij op dat de benadeelde partij wel gegevens heeft overgelegd die aanknopingspunten bieden voor de vaststelling dat sprake is van geestelijk letsel. De psychische gevolgen blijken onder meer uit een concept behandelverslag van 11 juni 2025 van behandelaar Levvel, en ook uit de slachtofferverklaring die de benadeelde partij op de zitting heeft voorgelezen.
Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, de Rotterdamse schaal en de onderbouwing van de vordering, is de rechtbank van oordeel dat de geleden immateriële schade op een bedrag van € 12.000,00 moet worden vastgesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024. Het meer gevorderde wordt afgewezen.
Slotsom schadevergoeding
De rechtbank zal verdachte veroordelen aan de benadeelde partij te betalen € 580,00 aan materiële schadevergoeding en € 12.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024. De benadeelde partij zal ten aanzien van de materiele schade voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen.
Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 87 dagen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 242(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot verkrachting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 580,00 (vijfhonderdtachtig euro)aan vergoeding van materiële schade en
€ 12.000,00 (twaalfduizend euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is in de vordering tot materiële schadevergoeding en wijst het overige deel van de vordering tot vergoeding van immateriële schade af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat
€ 12.580,00 (twaalfduizend vijfhonderdtachtig euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
87 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. P. Sloot en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 23 mei 2024, met nummer PL1300-2024109622, opgemaakt door Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, doorgenummerd 1 tot en met 234. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal aangifte, p. 5 en 6.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 24.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 122.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-4.
6.Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 83.
7.Proces-verbaal aangifte, p. 2.
8.Proces-verbaal aangifte, p. 2.
9.Proces-verbaal aangifte, p. 6.
10.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 1-10.
11.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 27.
12.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 oktober 2025, p. 4.
13.Een geschrift, te weten het Forensisch radiologisch onderzoek van 24 juni 2024.
14.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 114.