ECLI:NL:RBAMS:2026:6071

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AMS 25/4473
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.L. Fernig - Rocour
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 2.29 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 22.26 Omgevingsplan gemeente AmsterdamArt. 22.29 Omgevingsplan gemeente Amsterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning voor erfafscheiding wegens overschrijding bouwhoogte en negatief welstandsadvies

Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de legalisatie van een vlonder met overkapping en een erfafscheiding op een perceel in Amsterdam. Het college verleende de vergunning voor de vlonder maar wees de aanvraag voor de erfafscheiding af vanwege een overschrijding van de toegestane bouwhoogte met 0,9 meter en een negatief welstandsadvies van de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (COK).

Eiser voerde aan dat een eerder stedenbouwkundig advies uit 2020 de schutting van 1,90 meter als ruimtelijk in evenwicht beschouwde en dat het college onvoldoende gemotiveerd had waarom het advies van de COK leidend was. De rechtbank oordeelde dat het college terecht voorrang gaf aan het welstandsadvies van de COK, dat deskundig is op het gebied van redelijke eisen van welstand, en dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

Daarnaast stelde eiser dat zijn belangen, waaronder veiligheid en het gelijkheidsbeginsel, zwaarder moesten wegen dan het welstandsbelang. De rechtbank volgde dit niet, omdat het college de belangen zorgvuldig had afgewogen en het algemeen belang bij handhaving en naleving van het bestemmingsplan en welstandseisen zwaarder woog. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning voor de erfafscheiding is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4473

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Vos),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. A. Duisterwinkel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet (Ow) voor het legaliseren van een erfafscheiding. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 25 november 2024 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Het bestreden besluit

3. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor legalisatie van een vlonder met overkapping en een erfafscheiding op het perceel [adres]. Het college heeft de vergunning verleend voor zover de aanvraag gaat over de vlonder met overkapping. De aanvraag voor de erfafscheiding is geweigerd. De erfafscheiding valt onder het bestemmingsplan [locatie] en is gesitueerd op gronden met de bestemming ‘Tuin’ en ‘Waterstaat-Waterkering’. De gronden zijn bestemd voor tuinen en erven. Het college heeft het project afgewezen, omdat de toegestane bouwhoogte van maximaal 1 meter [1] met de bestaande erfafscheiding met 0,9 meter wordt overschreden.
Beoordeling door de rechtbank
4. In deze uitspraak worden wettelijke regels aangehaald die van belang zijn voor deze zaak. De tekst van deze regels staat in de bijlage bij deze uitspraak.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat voor de erfafscheiding een omgevingsvergunning nodig is. [2] Ook is niet langer in geschil dat de erfafscheiding in strijd is met artikel 15.2.1, onder a, sub 1, van de bouw- en gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan. [3] Het welstandsadvies
6.1.
Het college is niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken, omdat de erfafscheiding niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. [4] Het college verwijst naar een advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (COK) van 13 juni 2024. Volgens de COK voldoet de te hoge en te gesloten erfafscheiding niet aan de criteria en oogt deze afwerend. De algemene criteria uit de welstandelijke nota's stellen onder meer dat een ontwerp positief moet bijdragen aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. In dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor de relatie tussen wal en water, waarvoor onder meer zichtlijnen en afstand tussen kade en woonboot van belang zijn. De commissie adviseert daarom om de erfafscheiding tot maximaal 1,0 meter hoogte terug te brengen en eventueel tot 1,90 meter te laten begroeien. De begroeiing biedt privacy en bescherming maar heeft een zekere mate van transparantie en oogt niet afwerend.
6.2.
Eiser voert aan dat de afdeling Stedenbouw in 2020 heeft geoordeeld dat de schutting van 1,90 meter hoog akkoord is, omdat die als ruimtelijk element in evenwicht is met de vergunde schuur. Zonder nadere motivering waarom voor het advies van de COK is gekozen en waarom dat advies beter is dan dat van de afdeling Stedenbouw kan volgens eiser niet van een draagkrachtige motivering van deze tournure worden gesproken.
6.3.
De rechtbank overweegt het volgende. In het stedenbouwkundig advies uit 2020 staat: “Tenslotte is er een schutting geplaatst met een hoogte van 1,90 meter. Deze is hoger dan de gestelde uitgangspunten van 1 meter. De hoogte van de schutting laat de doorzichten naar het achter gebied verloren gaan. Maar is als ruimtelijk element in evenwicht met de gebouwde schuur. De schutting is vanuit stedenbouwkundig oogpunt akkoord.”
6.4.
De rechtbank overweegt dat het college zich in beginsel mag baseren op een deskundigenadvies, zoals het advies van de COK. Eiser heeft geen deskundig tegenadvies ingebracht. Dat de schutting vanuit stedenbouwkundig oogpunt akkoord is, maakt niet dat de vergunning had moeten worden verleend. Stedenbouw is leidend waar het gaat om de vraag of een bouwplan ruimtelijk inpasbaar is. Dat zou aan de orde zijn als het college bereid zou zijn om van het bestemmingsplan af te wijken. Maar die toets laat onverlet dat (ook) moet worden voldaan aan de (specifiekere) redelijke eisen van welstand over het uiterlijk en de inpassing in de omgeving. De deskundigheid daarvoor ligt bij de COK, niet bij Stedenbouw. Stedenbouw toetst, anders dan de COK, ook niet of aan de eisen van de welstandsnota wordt voldaan. Waar sprake is van overlap tussen de adviezen, heeft het college daarom terecht voorrang gegeven aan het advies van de COK, voor zover het gaat om de welstandsbeoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook, anders dan eiser stelt, geen sprake van een tournure van het college. Deze grond slaagt niet.
Belangenafweging
7.
7.1.
Eiser voert aan dat het college zijn belangen onvoldoende mee heeft gewogen en om reden van die belangen af had moeten wijken van het bestemmingsplan en het welstandsadvies. De zaak kent een lange geschiedenis, er is een handhavingstraject aan de aanvraag voorafgegaan. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 11 september 2025 [5] overwogen dat handhaving onevenredig is en zij heeft het dwangsombesluit herroepen. Bij een reeks buren met vergelijkbare erfafscheidingen wordt ook niet gehandhaafd. En tot slot is de hoogte van de erfafscheiding noodzakelijk in verband met de veiligheid van eiser en zijn gezin, die de Israëlische nationaliteit hebben. Gelet op de combinatie van deze omstandigheden moeten volgens eiser zijn belangen zwaarder wegen dan het welstandsbelang.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen onder afwijking van het bestemmingsplan een discretionaire bevoegdheid van het college. Daardoor heeft het college bij toepassing van deze bevoegdheid een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Het gebruik van een dergelijke bevoegdheid moet terughoudend door de bestuursrechter worden getoetst. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure beoordeelt of het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
7.3.
De rechtbank overweegt dat het feit dat de voorzieningenrechter in de handhavingszaak geoordeeld heeft dat er niet mag worden gehandhaafd, niet maakt dat daarom recht bestaat op legalisatie van de erfafscheiding in zijn huidige vorm. Er zijn namelijk omstandigheden denkbaar waaronder handhavend optreden alsnog gerechtvaardigd zou kunnen zijn, de uitspraak van de voorzieningenrechter sluit dat niet uit. Dat die omstandigheden zich mogelijk niet snel voor zullen doen doet daar niet aan af. Over eisers gevoel van veiligheid heeft het college op de zitting toegelicht dat dit reden voor het college is geweest om wel een versie van de erfscheiding in afwijking van het bestemmingsplan toe te staan, als de hoogte van 1 meter tot 1,90 meter wordt bereikt met begroeiing. De rechtbank begrijpt dat het dan gaat om een versie van de schutting die op enkele punten wel hoger zal zijn dan 1 meter, maar uitsluitend om begroeiing tot 1,90 meter mogelijk te maken. Dit belang is dus in de bezwaarfase meegenomen. Eiser heeft niet onderbouwd dat de bescherming van zijn veiligheid in redelijkheid een verdere afwijking van het bestemmingsplan vergt. Het enkele feit dat hij uit Israël komt is daarvoor niet voldoende. De rechtbank kan het college dus volgen in het standpunt dat het algemeen belang dat is gediend bij handhaving van de regels van het omgevingsplan en de welstandseisen zwaarder weegt dan dat van eiser bij de door hem voorgestane schutting. Het college heeft de aanvraag om de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen afwijzen.
7.4.
Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel tot slot gaat niet op, omdat de erfafscheidingen van de buren ook niet vergund zijn. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk behandeld zijn.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Artikel 2.29 (vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken)
Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
j. een erf- of perceelafscheiding, als die niet hoger is dan 1 m.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Omgevingsplan Art 22.29

Omgevingsplan gemeente Amsterdam
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als
b.het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Voetnoten

1.Artikel 15.2.1, onder a, sub 1, van de bouw- en gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan ‘ [locatie] ’.
2.Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, artikel 2.29, aanhef en onder j, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en artikel 22.26 van het Omgevingsplan.
3.Artikel 22.29, eerste lid, onder a, van het Omgevingsplan.
4.Artikel 22.20, eerste lid, onder b, van het Omgevingsplan.
5.AMS 24/1618.