Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6090

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/13/774905
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 204 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 195a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzageverzoek kartelschade tegen NatWest NV wegens onvoldoende aannemelijkheid rechtsbetrekking en belang

De Stichting FX Claims verzocht de rechtbank Amsterdam om NatWest NV te bevelen inzage te geven in documenten die relevant zijn voor een mogelijke kartelschadeprocedure. De Stichting trad op namens zakelijke participanten die schade zouden hebben geleden door kartelvorming op de vreemde valutamarkt, vastgesteld in Europese Commissie-besluiten.

NatWest NV verzette zich tegen het verzoek, stellende dat de Stichting onvoldoende aannemelijk had gemaakt namens welke participanten zij optreedt, dat NatWest NV niet over de gevraagde documenten beschikt, en dat het verzoek te ruim en disproportioneel is. De rechtbank oordeelde dat de Stichting slechts concrete gegevens had overgelegd voor één partij, Alberta Investment Management Corporation, maar dat ook voor deze partij onvoldoende aannemelijkheid bestond dat zij een rechtsbetrekking met NatWest NV heeft die tot schadevergoeding kan leiden.

Verder stelde de rechtbank vast dat NatWest NV niet beschikt over de gevraagde documenten, die in andere procedures zijn overgelegd waarbij NatWest NV geen partij was. Het verzoek voldeed niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarom wees de rechtbank het verzoek af en veroordeelde de Stichting in de proceskosten van € 2.209,00, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: Het inzageverzoek van Stichting FX Claims tegen NatWest NV wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van rechtsbetrekking en belang.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/774905 / HA RK 25-291
Beschikking van 4 juni 2026
in de zaak van
STICHTING FX CLAIMS,
te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. F.M. Peters,
tegen
NATWEST MARKETS N.V.,
te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: NatWest NV,
advocaat: mr. P.N. Malanczuk,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, binnengekomen ter griffie op 1 september 2025,
- de tussenbeschikking van 22 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de herstelbeschikking van 12 februari 2026,
- het verweerschrift met producties, binnengekomen ter griffie op 31 maart 2026,
- de aanvullende producties 46 t/m 48 aan de zijde van de Stichting,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 april 2026 en door de griffier tijdens de mondelinge behandeling gemaakte aantekeningen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De Stichting is opgericht op 12 juli 2021 door een van oorsprong Amerikaans advocatenkantoor. Zij treedt op als gevolmachtigde en/of lasthebber van zakelijke partijen die stellen dat zij schade hebben geleden door manipulatie van de vreemde valutamarkt (Forex/FX), veroorzaakt door kartelvorming tussen verschillende banken.
2.2.
De Europese Commissie heeft in 2019 en 2021 vastgesteld dat sprake was van kartelvorming. In meerdere besluiten heeft zij drie overtredingen van de mededingingsregels (artikel 101 VWEU Pro en artikel 53 EER Pro-overeenkomst) vastgesteld. Op 16 mei 2019 werden twee overtredingen vastgesteld in het zogeheten
Three Way Banana Split-besluit en het
Essex Express-besluit. Op 2 december 2021 volgden aanvullende besluiten, waaronder het
Sterling Lads-besluit, die samen de derde overtreding betroffen (hierna gezamenlijk: de EC-besluiten).
2.3.
Onder de entiteiten die in de EC-besluiten zijn genoemd als overtreders bevinden zich twee entiteiten van het bankconcern NatWest: NatWest Group Plc en NatWest Markets Plc. NatWest NV is geen geadresseerde van de EC-besluiten.
2.4.
NatWest NV, gevestigd in Amsterdam, was een (indirecte) dochteronderneming van NatWest Group Plc. Na 29 november 2019 is NatWest NV een dochteronderneming van NatWest Markets Plc geworden.
2.5.
De Stichting heeft namens verschillende groepen zakelijke partijen intussen drie
follow-onprocedures aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam tegen NatWest NV en vijftien andere banken. Deze vijftien andere banken zijn allemaal gevestigd buiten Nederland. Deze procedures zijn geregistreerd onder de nummers C/13/718639, C/13/743903 en C/13/767727.
2.6.
In de eerste
follow-onprocedure hebben de vijftien in het buitenland gevestigde banken een bevoegdheidsincident opgeworpen, waarna de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat zij onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover deze tegen de buitenlandse banken zijn ingesteld namens de in het buitenland gevestigde achterliggende partijen. De Stichting heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, dat de zaak heeft aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die zij het Hof van Justitie van de Europese Unie in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570, Stroomkabels) had gesteld. Deze vragen zijn bij arrest van 16 april 2026 beantwoord. Totdat het gerechtshof Amsterdam in het bevoegdheidsincident in de eerste
follow-onprocedure uitspraak doet, zijn de tweede en derde
follow-onprocedures bij de rechtbank Amsterdam aangehouden.
2.7.
In het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten lopen tegen verschillende banken parallelle collectieve procedures, door partijen de Allianz-procedures genoemd. In de Allianz-procedures, waarbij NatWest NV geen partij is, is gebruikgemaakt van
pre-trial disclosure(Verenigd Koninkrijk) en
discovery(Verenigde Staten), waarbij de betrokken banken een omvangrijke hoeveelheid documenten hebben moeten overleggen. De Allianz-procedures zijn inmiddels grotendeels geschikt.
2.8.
In de derde
follow-onprocedure heeft de Stichting verzocht de zaak te hervatten en een incidentele vordering tot inzage in te mogen dienen op grond van het oude artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), gericht op grotendeels dezelfde documenten als die in de Allianz-procedures zijn overgelegd. De rolrechter heeft niet toegestaan dat op dat moment een incident werd geopend, omdat de procedure is aangehouden in afwachting van het arrest van het gerechtshof Amsterdam in de eerste
follow-onprocedure.
2.9.
De Stichting heeft vervolgens NatWest NV per brief van 8 augustus 2025 verzocht om inzage in (een deel van) de documenten die in de Allianz-procedures zijn overgelegd. Het verzoek omvatte onder meer minder geredigeerde versies van de Europese Commissie-besluiten, transcripties van chatgesprekken die ten grondslag liggen aan het verboden kartelgedrag, interne rapportages, verklaringen van betrokken personen, en andere relevante bewijsstukken die eerder door de betrokken banken zijn verstrekt in die procedures. NatWest NV heeft dit verzoek geweigerd.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De Stichting verzoekt de rechtbank om, op grond van 196 Rv, te bepalen dat NatWest NV binnen vier weken na de uitspraak inzage, afschrift en/of uittreksel aan de Stichting verstrekt van de gevraagde informatie zoals beschreven in de door de Stichting als bijlage 6 en bijlage 7 overgelegde schema’s, die zien op het bewijsmateriaal zoals verstrekt in de Allianz-procedures. Daarnaast verzoekt de Stichting dat, als NatWest NV niet binnen deze termijn voldoet aan het verzoek, zij een direct opeisbare dwangsom verbeurt van € 50.000 per overtreding, vermeerderd met € 10.000 voor elke dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt. Tot slot vraagt de Stichting de rechtbank NatWest NV te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
De Stichting legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij namens een nieuwe groep zakelijke partijen (hierna: de Participanten) voornemens is een vierde
follow-onprocedure te starten tegen (eveneens) onder meer NatWest NV. De Stichting wil aan de hand van de verzochte informatie een indicatieve schatting maken of de potentiële omvang van de schade van de Participanten van voldoende omvang is om het instellen van een nieuwe procedure proportioneel te maken. Volgens de Stichting voorziet het nieuwe bewijsrecht erin dat partijen de mogelijkheid hebben om voorafgaand aan een procedure benodigde gegevens te verkrijgen om feiten op te helderen en hun rechtspositie te bepalen, wat bijdraagt aan een eerlijke en efficiënte procedure. Daarnaast wijst de Stichting op de aanzienlijke informatie-asymmetrie tussen de Participanten en NatWest NV, waarbij NatWest NV volgens haar beschikt over uitgebreide interne documentatie en kennis over het verboden kartelgedrag, terwijl de Participanten slechts hun eigen transactiedata hebben. Daarnaast bestaat het reële risico dat door het lange tijdsverloop sinds de kartelinbreuken belangrijke informatie verloren kan gaan of ontoegankelijk wordt. De Stichting stelt de gevraagde informatie nauwkeurig te hebben omschreven en beperkt tot bewijsstukken die al door betrokken partijen en rechterlijke instanties als relevant zijn erkend, met name in de Allianz-procedures. Tot slot gaat zij ervan uit dat passende vertrouwelijkheidsmaatregelen kunnen worden getroffen om gevoelige gegevens te beschermen.
3.3.
NatWest NV verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Het inzageverzoek doorkruist de aanhangige bodemprocedures, die zijn aangehouden in afwachting van uitspraken over de bevoegdheid van de rechtbank. Daardoor is het verzoek in strijd met de strekking van artikel 196 Rv Pro en de goede procesorde. De Stichting heeft daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij namens de Participanten optreedt, wie deze Participanten zijn en daarmee dat er een rechtsbetrekking en een belang bij het inzageverzoek bestaat. Bovendien kan NatWest NV hoe dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor medededingsbeperkend gedrag van haar groepsmaatschappijen, omdat niet aan de daarvoor geldende vereisten volgend uit het Sumal-arrest is voldaan. [1] NatWest NV stelt daarnaast dat zij helemaal niet beschikt over de gevraagde gegevens, aangezien deze in procedures zijn gedeeld waarbij NatWest NV zelf geen partij was. Het verzoek is bovendien onvoldoende concreet en afgebakend, waardoor sprake is van een ontoelaatbare ‘
fishing expedition’. Verder rust op NatWest NV geen verplichting om informatie bij derden op te vragen, en is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook bestaan er gewichtige redenen tegen toewijzing, waaronder het vertrouwelijke karakter van de gegevens en de bescherming van persoonsgegevens. Tot slot is de formulering van het verzoek onduidelijk en leidt deze tot uitvoerbaarheidsproblemen, waardoor het opleggen van een dwangsom niet gerechtvaardigd is, aldus steeds NatWest NV.

4.De beoordeling

Inzagerecht in kartelschadezaken
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het onderhavige verzoek tot inzage moet worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 196 - 204 Rv. Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Uit artikel 196 lid 1 Rv Pro volgt dat de Stichting het onderhavige verzoek niet kan doen ten behoeve van de achterliggende partijen voor wie zij in de eerste drie al aanhangige
follow-onprocedures optreedt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Stichting bevestigd dat zij het verzoek heeft gedaan namens de Participanten en dat dat andere rechtspersonen zijn dan voor wie wordt geprocedeerd in de drie reeds aanhangige bodemprocedures.
4.2.
Lid 2 van artikel 196 Rv Pro bepaalt dat de rechter het verzoek toewijst, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, d. er misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt, of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.3.
Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv Pro, de artikelen 194 Rv, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
4.4.
Relevant zijn in dit geval ook Richtlijn 2014/104/EU (hierna: de Kartelschaderichtlijn), in het bijzonder artikel 5 (toegang tot bewijsmateriaal) daarvan, en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Kartelschaderichtlijn heeft tot doel de informatie-asymmetrie tussen benadeelden en inbreukplegers te verminderen door slachtoffers effectieve toegang tot bewijs te bieden dat noodzakelijk is voor het onderbouwen van schadeclaims. Artikel 5 van Pro deze richtlijn regelt specifiek de toegang tot bewijsmateriaal. Daarin is – kort gezegd – bepaald dat in een procedure die gaat over vergoeding van kartelschade de rechter op een verzoek van eiser, dat is onderbouwd met voor hem redelijkerwijs beschikbare feiten en -bewijs die toereikend zijn om zijn schadeclaim aannemelijk te maken, de verweerder of een derde kan gelasten toegang te verlenen tot het relevante bewijsmateriaal waarover zij zeggenschap hebben. De Nederlandse wetgever heeft in het kader van de implementatie van de Kartelschaderichtlijn overwogen dat artikel 843a Rv (oud) met de aanvulling in artikel 845 Rv Pro voldoende ruimte biedt om invulling te geven aan artikel 5 van Pro de Kartelschaderichtlijn en dat verdergaande implementatie niet nodig is. [2] Het nieuwe bewijsrecht, dat sinds 1 januari 2025 van kracht is, vormt een codificatie en modernisering van de bestaande jurisprudentie omtrent artikel 843a Rv (oud) en sluit daarmee aan bij de bestaande rechtspraktijk.
4.5.
Het Hof van Justitie heeft in het recente Meliá-arrest geoordeeld dat artikel 5, lid 1, van de Kartelschaderichtlijn ook van toepassing is op een voorafgaande vordering die ertoe strekt toegang te verkrijgen tot bewijsmateriaal voordat een vordering tot vergoeding van kartelschade wordt ingesteld, wanneer het nationale recht in een dergelijke voorafgaande vordering voorziet.
4.6.
Anders dan door NatWest NV is betoogd, moet de rechtbank in dit geval – waar het gaat om een inzageverzoek voorafgaand aan een eventuele procedure tot vergoeding van kartelschade – voornoemde artikelen uit het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering dus conform de Kartelschaderichtlijn interpreteren en toepassen. Dit betekent dat voor de vereiste rechtsbetrekking volstaat dat de verzoeker aantoont dat de veronderstelling dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid – te weten een inbreuk op het mededingingsrecht, schade en causaal verband daartussen – is voldaan, redelijkerwijs opgaat. [3] Is dat het geval, dan moet worden beoordeeld of uit hoofde van die rechtsbetrekking een voldoende belang bestaat bij inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden die daarmee verband houden. Ook in het licht van de Kartelschaderichtlijn blijft het inzagerecht begrensd door de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en is geen plaats voor verzoeken die in wezen neerkomen op ongeoorloofde
fishing expeditions.
Namens wie doet de Stichting het inzageverzoek?
4.7.
De Stichting stelt via een volmacht (artikel 3:60 BW Pro) en/of via lastgeving (artikel 7:414 BW Pro jo. 7:423 BW) op te treden namens de Participanten die mogelijk schade hebben geleden door de kartelinbreuken. Zij betoogt daarbij dat zij niet gehouden is deze Participanten in dit stadium individueel te identificeren, onder verwijzing naar het lage drempelniveau voor de aannemelijkheid van de vordering zoals volgt uit artikel 5 van Pro de Kartelschaderichtlijn en het Mélia-arrest en het feit dat het begrip rechtsbetrekking ruim moet worden opgevat. Volgens haar is – zoals de rechtbank begrijpt – het voldoende dat de kartelinbreuk vaststaat en zij aanvoert dat de rechtspersonen voor wie zij optreedt in vreemde valuta hebben gehandeld in de relevante periode.
4.8.
Dit betoog slaagt niet. Hoewel geen hoge eisen worden gesteld aan het bewijs van de rechtsbetrekking, is wel vereist dat de veronderstelling dat een last- of volmachtgever een vordering tot schadevergoeding wegens kartelinbreuk op NatWest heeft, aannemelijk is. Dat veronderstelt dat ten minste kenbaar is namens welke (achterliggende) partij(en) wordt opgetreden. Zonder die concretisering kan niet worden beoordeeld of sprake is van een aannemelijke rechtsbetrekking en – in het verlengde daarvan - of de Stichting belang heeft bij het verzoek.
4.9.
In dit geval heeft de Stichting slechts ten aanzien van één achterliggende partij, namelijk Alberta Investment Management Corporation (hierna: Alberta), concrete gegevens overgelegd. Ten aanzien van overige Participanten zijn in het geheel geen gegevens verstrekt en ontbreken aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat zij mogelijk door de gestelde inbreuken zijn geraakt. Daarmee ontbreekt voor die overige, niet nader geïdentificeerde achterliggende partijen, een toereikende feitelijke grondslag om te kunnen beoordelen of de veronderstelling dat zij van NatWest vergoeding zouden kunnen vorderen van kartelschade, redelijkerwijs aannemelijk is. De Stichting zal niet in de gelegenheid worden gesteld om de ontbrekende gegevens alnog te verstrekken. Het had op haar weg gelegen dit al bij haar verzoekschrift te doen.
4.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat uitsluitend ten aanzien van Alberta zal worden beoordeeld of voldaan is aan de voorwaarden voor inzage.
De rechtsbetrekking met Alberta is niet redelijkerwijs aannemelijk
4.11.
De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de veronderstelling dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid in de relatie tussen Alberta en NatWest NV is voldaan, redelijkerwijs aannemelijk is en of Alberta voldoende belang heeft bij haar verzoek. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend, dat wordt hierna uitgelegd.
4.12.
Ten aanzien van Alberta heeft de Stichting niet meer overgelegd dan een summiere, niet-verifieerbare samenvatting van vermeende FX-transacties, waarbij bovendien niet is vermeld met welke bank die transacties zouden hebben plaatsgevonden. Gegevens waaruit blijkt dat Alberta transacties heeft verricht met een bank van het Natwest-concern (of één van de andere bij de in de EC-besluiten genoemde banken) ontbreken. De Stichting heeft wel gesteld dat Alberta relevante transacties met het NatWest-concern heeft verricht, maar NatWest NV heeft dat betwist en de Stichting heeft haar stelling niet onderbouwd met stukken of anderszins verifieerbare gegevens. Ook uit de overgelegde samenvatting zelf volgt dit niet. Daarmee ontbreekt een feitelijke basis om redelijkerwijs aan te kunnen nemen dat Alberta in een rechtsbetrekking tot Natwest NV staat of stond die kan leiden tot een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van de kartelinbreuk.
4.13.
Voor zover de Stichting betoogt dat het voor de aannemelijkheid van de vordering niet vereist is dat Alberta met één van de in EC-besluiten geadresseerde banken heeft gehandeld, omdat sprake is van “parapluschade”, kan dit haar niet baten. Ook in dat geval moet in ieder geval aannemelijk zijn dat Alberta FX-transacties heeft verricht die binnen de reikwijdte van de door de Europese Commissie vastgestelde inbreuken vallen. Zoals NatWest NV onweersproken heeft aangevoerd, zien de relevante besluiten van de Europese Commissie namelijk niet op alle FX-transacties, maar op specifieke vormen van handel in bepaalde valuta. Zonder concrete en verifieerbare gegevens over de transacties van Alberta kan niet worden vastgesteld of – en, zo ja, in hoeverre – deze onder de reikwijdte van de EC-besluiten vallen en is dus niet aannemelijk gemaakt dat tussen Alberta en NatWest NV een rechtsbetrekking bestaat die zou kunnen leiden tot een verplichting tot het vergoeden van kartelschade.
4.14.
Bij een gebrek aan deze concrete aanknopingspunten kan evenmin worden beoordeeld of Alberta een voldoende belang heeft bij de gevraagde inzage, noch of een verband bestaat tussen de gestelde rechtsbetrekking en de gegevens waarvan inzage wordt verlangd. Het inzagerecht vereist dat dit verband enigszins wordt gespecificeerd en dat heeft de Stichting in dit geval nagelaten.
4.15.
De slotsom is dan ook dat de Stichting, ook voor zover zij optreedt namens Alberta en ook als zou worden aangenomen dat het aannemelijk is dat NatWest NV aansprakelijk kan worden gehouden voor mededingingsbeperkend gedrag van haar groepsmaatschappijen (wat door NatWest NV gemotiveerd is betwist), onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om te kunnen oordelen dat de veronderstelling dat zij van NatWest vergoeding zouden kunnen vorderen van kartelschade en het daarmee samenhangende belang bij de gevraagde inzage, redelijkerwijs aannemelijk is. Het verzoek kan reeds daarom niet worden toegewezen.
NatWest NV heeft geen beschikking over de gevraagde informatie
4.16.
Bovendien kan het inzagerecht slechts betrekking hebben op bescheiden waarover de wederpartij beschikt of waarover zij gemakkelijk de feitelijke beschikking kan verkrijgen. NatWest NV heeft onweersproken gesteld dat zij geen partij was bij de Allianz-procedures waarin de gevraagde stukken zijn overgelegd. Dat NatWest NV desondanks over de stukken zou beschikken, wat zij heeft betwist, is door de Stichting niet voldoende onderbouwd. Dat NatWest NV in deze procedure heeft aangegeven dat zij heeft begrepen dat de Allianz-procedures een andere reikwijdte hebben dan de (voorgenomen)
follow-onvordering van de Stichting is, anders dan waar de Stichting vanuit gaat, daarvoor niet voldoende.
4.17.
De Stichting heeft evenmin concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat NatWest NV evenwel gemakkelijk toegang kan krijgen tot deze bescheiden. Het enkele bestaan van een concernrelatie met vennootschappen die wel betrokken waren bij de Allianz-procedures, is daarvoor onvoldoende. Dit geldt te meer nu NatWest NV (als dochtervennootschap) geen zeggenschap heeft over die onderdelen van het Natwest-concern. Het feit dat al deze onderdelen van het NatWest-concern in de
follow-onprocedures bij deze rechtbank door dezelfde advocaat worden bijgestaan, legt in het geheel geen gewicht in de schaal. Verder valt niet in te zien hoe NatWest NV de bij de Allianz-procedures betrokken en niet tot het NatWest-concern behorende banken, waarmee NatWest NV geen enkele relatie heeft, tot afgifte zou kunnen bewegen.
4.18.
Ten slotte acht de rechtbank van belang dat het verzoek een zeer ruime reikwijdte heeft en betrekking heeft op omvangrijke categorieën van mogelijk miljoenen documenten, afkomstig uit procedures waarbij NatWest NV geen partij was. De Stichting heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze gegevens niet (eerst) kunnen worden verkregen van de partijen bij de Allianz-procedures partij waren en die dus daadwerkelijk over deze stukken beschikken. Het onderhavige verzoek voldoet daarom ook niet aan het subsidiariteitsvereiste.
4.19.
Ook om de twee hiervoor genoemde redenen komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking.
Proceskosten
4.20.
Nu het verzoek wordt afgewezen, zal de rechtbank de Stichting, zoals verzocht, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente. NatWest NV heeft daarnaast verzocht om de proceskosten op meer te begroten dan het liquidatietarief. Daar ziet de rechtbank geen aanleiding toe. De proceskosten (inclusief nakosten) van NatWest NV worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af,
5.2.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordelingen van 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.M. Visser, mr. J.T. Kruis, mr. S.A.M. Groot, rechters, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.

Voetnoten

1.HvJ EU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal)
3.HvJ EU 29 januari 2026, zaak C-286/24, ECLI:EU:C:2026:49 (Meliá Hotels International, S.A./Associação Ius Omnibus), r.o. 86 t/m 88.