Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6093

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
13/326892-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor oplichting met deepfake-technologie en vervalsing identiteitsbewijzen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het op frauduleuze wijze openen van bankrekeningen bij ABN AMRO tussen maart en november 2025. Verdachte gebruikte deepfake-technologie om biometrische gegevens te manipuleren en identiteitsbewijzen te vervalsen, waarmee hij het identiteitsverificatiesysteem misleidde.

De rechtbank oordeelde dat verdachte gedurende de gehele periode opzet had en dat hij de feiten zelf heeft gepleegd, niet als medepleger. Bewijs bestond uit onder meer deepfakefoto's, gegevens op de telefoon van verdachte, camerabeelden en verklaringen. Verdachte's verweer dat hij niet wist van het misbruik van zijn beelden vóór 28 september 2025 werd verworpen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege recidive en de ernst van de feiten. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €13.100 aan ABN AMRO voor materiële schade en onderzoekskosten, met een schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van niet-openbare gegevens omdat niet kon worden vastgesteld dat hij deze niet door eigen misdrijf had verkregen. De straf en maatregelen zijn afgestemd op de ernst van de fraude, de maatschappelijke impact en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een schadevergoedingsmaatregel van €13.100 aan ABN AMRO.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/326892-25
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 maart 2026 dat na heropening bij tussenvonnis van 31 maart 2026 is voortgezet op 3 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Onnink, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat [naam 1] namens de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging – tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 20 maart 2025 tot en met 13 november 2025 in Amsterdam, althans Nederland, België en/of Italië heeft schuldig gemaakt aan:
medeplegen van oplichting door ABN AMRO middels deepfake technologie te bewegen bankrekeningen te openen;
primair: medeplegen van het valselijk opmaken of vervalsen van identiteitsbewijzen. Subsidiair: medeplegen van het voorhanden hebben van identiteitsbewijzen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst waren;
medeplegen van het vervaardigen, verschaffen, verkopen, overdragen, verwerven, vervoeren, invoeren, uitvoeren, verspreiden en/of voorhanden hebben van afbeeldingen van identiteitsbewijzen waarvan hij wist dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting;
medeplegen van het verwerven en/of voorhanden hebben van niet-openbare gegevens terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf zijn gekregen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feiten 1 tot en met 4 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de periode 20 maart 2025 tot en met 28 september 2025, omdat verdachte vóór 28 september 2025 geen opzet heeft gehad op het leveren van een bijdrage aan strafbare feiten. Hij wist tot die datum niet dat zijn beeldmateriaal werd misbruikt voor het vervalsen van identiteitsdocumenten voor het openen van bankrekeningen. Verder is verdachte na 17 oktober 2025 niet bij de opening van vijf valse rekeningen betrokken geweest, omdat ABN AMRO zijn biometrische gegevens had geblokkeerd. Voor de periode na 17 oktober is hij ook niet aan te merken als medepleger.
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 zich subsidiair op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een voltooide oplichting, omdat een aantal bankpassen niet is geactiveerd waardoor ABN AMRO geen dienst heeft verleend. Ten aanzien van feit 2 primair heeft de verdediging gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de identiteitsbewijzen heeft vervalst. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte de afbeeldingen van de identiteitsdocumenten via iemand anders heeft verkregen en dat hij niet wist dat deze afbeeldingen bestemd waren voor oplichting.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Het oordeel over het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich in de periode van 20 maart 2025 tot en met 13 november 2025 schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten onder 1 tot en met 4. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. [1]
Feiten en omstandigheden
ABN AMRO heeft aangifte gedaan van het op frauduleuze wijze openen van rekeningen in de periode van 20 maart 2025 tot en met 13 november 2025. [2] Tijdens het online proces voor identificatie en verificatie (het zogenaamde ‘onboardingproces’) werden verschillende soorten afbeeldingen, zoals identiteitsdocumenten en selfies, aan het systeem aangeboden. Deze beelden waren gemanipuleerd om de controles van het onboardingproces te misleiden. [3]
Bij het openen van de bankrekeningen werden drie verschillende methodes gebruikt:
Bij het aanleveren van de selfie werd een gemanipuleerd gezichtsbeeld aangeleverd, samengesteld uit het gezicht van de fraudeur en het gezicht op het identiteitsdocument (deepfakes);
Bij het aanleveren van het identiteitsbewijs werd een bestaande foto van de persoon op een identiteitsdocument geplakt, afkomstig van een sociaal mediaprofiel van die persoon of afkomstig uit een eerder datalek; [4]
3. Bij het aanleveren van het identiteitsbewijs werd een gezichtsbeeld gecreëerd op de pasfoto van het identiteitsdocument, samengesteld uit het gezicht van de fraudeur en het gezicht op het identiteitsdocument (deepfakes). [5]
De gezichtsvorm, breedte van het gezicht, het kapsel en de baardgroei van de persoon op de (deepfake)foto’s bij het aanvragen van de bankrekeningen komen overeen met de uiterlijke kenmerken van verdachte. [6] Verdachte heeft verklaard dat hij niet ontkent dat hij degene is die te zien is op de foto’s die zijn opgenomen in het dossier. [7] Ook zijn de locaties waar verdachte verbleef in Italië, België en Nederland herkend op de achtergrond van de (deepfake)foto’s. [8]
Een deel van de frauduleus geopende bankrekeningen zijn gebruikt als begunstigde rekeningen voor bankhelpdeskfraude. [9] Van een aantal rekeningen is contant geld gestort en/of opgenomen bij een geldautomaat, waarbij verdachte op de camerabeelden is herkend als degene die geld op de rekening stort. [10]
ABN AMRO heeft over 47 bankrekeningen gemeld dat deze op een van bovengenoemde frauduleuze methoden zijn geopend. Op de telefoon van verdachte zijn van 39 identiteitsbewijzen en/of foto’s van bankpassen aangetroffen van personen die zijn genoemd in de aangifte van ABN AMRO. [11] Verdachte heeft op de zitting van 17 maart 2026 verklaard dat deze gegevens op zijn telefoon zijn aangetroffen, omdat hij die gegevens na 28 september 2025 heeft gedownload via Telegram. Hij zou de gegevens hebben gekregen via ene ‘ [naam persoon] ’. [naam persoon] zou hem hebben gevraagd filmpjes op te nemen voor AI-marketing. Verdachte wist niet dat zijn filmpjes werden gebruikt voor het valselijk openen van bankrekeningen. Daar kwam hij pas op 28 september 2025 achter en sindsdien heeft hij bewust meegewerkt aan de strafbare feiten. [12]
De rechtbank heeft vervolgens bij tussenvonnis van 31 maart 2026 de officier van justitie bevolen om te laten onderzoeken op welke momenten en op welke wijze bovengenoemde gegevens op de telefoon van verdachte terecht zijn gekomen. Uit het proces-verbaal van dat aanvullende onderzoek blijkt dat de gegevens op verschillende momenten tussen maart 2025 en november 2025 op de telefoon van verdachte zijn gezet. [13] Bij 15 bankrekeningen zijn op dezelfde dag als waarop de bankrekening werd geopend ook sporen op de telefoon van verdachte opgeslagen met de naam of het e-mailadres van de rekeninghouder. Bij 4 van de 47 bankrekeningen was het spoor vóór het aanmaken van de bankrekening op de telefoon opgeslagen. [14] Er zijn geen relevante gegevens aangetroffen over een persoon met de naam [naam persoon] . [15] Op de zitting van 3 juni 2026 heeft verdachte verklaard dat de aangetroffen gegevens op zijn telefoon stonden, omdat hij van [naam persoon] ook de opdracht had gekregen om salarisstroken en trustpilot reviews te maken. [16]
Op de telefoon van verdachte zijn afbeeldingen van 12 december 2024 aangetroffen, waarop een product wordt aangeboden met de titel
Jumio KYC Bypass Method. Uit onderzoek blijkt het volgende:
Jumio is een Al-gebaseerd platform voor identiteitsverificatie dat identiteitscontrole op afstand mogelijk maakt. Het helpt bedrijven bij het verifiëren, behouden en herbevestigen van vertrouwen tijdens het hele traject van de klant, van het openen van een rekening tot het controleren van transacties. [17] Verder is op 15 mei 2025 op de telefoon van verdachte met de vertaalapplicatie Google translate een Russisch bericht vertaald. Het bericht gaat over een training in onder meer het aanmaken van bankrekeningen. [18]
In de aangifte van ABN AMRO wordt verklaard over het vermoedelijke gebruik van residential proxies voor het verhullen van de daadwerkelijke identiteit van de aanvrager. In de telefoon van verdachte zijn diverse e-mails aangetroffen die zijn verzonden door het bedrijf Oxylabs. Uit deze e-mails blijkt dat rond 20 juni 2025 een aankoop is gedaan bij dit bedrijf en dat er gebruik is gemaakt van residential proxies. [19]
Daarnaast is de telefoon van verdachte gebruikt om ChatGPT te bevragen over het omzeilen van de identiteitsverificatie van banken. De gebruiker stelde onder andere de volgende vragen:
  • Heeft een pixel 4a android 13 geen echte diepte sensor meter?
  • Maar wordt een verificatie daarop dan ook afgekeurd
  • Gezichtsverificatie kyc
  • Maar is de verificatie dan wel even sterk op een iPhone als de google pixel 4a
  • Als je jezelf zou veranderen met make up zou een verificatie programma je dan
mogelijk niet herkennen
  • Would scammers pass a verification like this as a new person
  • Do banks use most of the tine true depth or ir
  • But ABN uses the non flashing? How they are so sure it is not a deepfake
  • But how come if you play a video of a real person it don’t pass [20]
Volgens de aangifte van ABN AMRO is een Google Pixel 4A gebruikt voor het frauduleus openen van de bankrekeningen. [21]
Conclusie
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat door middel van listige kunstgrepen bankrekeningen zijn geopend bij ABN AMRO (feit 1). Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte degene is geweest die de rekeningen op frauduleuze wijze heeft geopend. Zijn (deepfake)foto’s zijn daarvoor gebruikt en de gegevens van de slachtoffers zijn in de telefoon van verdachte aangetroffen. Uit de telefoon van verdachte blijkt verder dat hij vóór 28 september 2025 zoekopdrachten heeft ingevoerd over het openen van bankrekeningen en het doorlopen van onboarding processen bij banken. Ook zijn de gegevens van de slachtoffers eerder dan 28 september 2025 op de telefoon van verdachte gezet. De verklaring van verdachte dat hij voor 28 september 2025 niet wist waaraan hij meewerkte, acht de rechtbank daarom ongeloofwaardig. Ook de pas ná het aanvullende onderzoek gegeven verklaring van verdachte dat hij van [naam persoon] loonstroken en trustpilot reviews moest maken en dat hij daarom de gegevens van slachtoffers in zijn telefoon had, gelooft de rechtbank niet. Verdachte heeft deze verklaring eerder niet gegeven en nergens blijkt van het bestaan van [naam persoon] of van deze beweerdelijke activiteiten van verdachte.
De rechtbank is verder van oordeel dat de oplichtingen ook daadwerkelijk zijn voltooid. De oplichtingen waren erop gericht om bankrekeningen bij ABN AMRO te openen. Dit is in 47 gevallen gelukt. ABN AMRO heeft bankrekeningen geopend en betaalpassen verstuurd aan de opgegeven rekeninghouders. Daarmee heeft ABN AMRO diensten verleend. Dat in enkele gevallen de betaalpassen niet zijn geactiveerd, doet daaraan niet af. Bovendien is een deel van de bankrekeningen gebruikt voor bankhelpdeskfraude en het opnemen van contante gelden.
De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte voor het plegen van bovengenoemde oplichtingen identiteitsbewijzen heeft vervalst (feit 2). Op de telefoon van verdachte zijn identiteitsbewijzen aangetroffen. Deze identiteitsbewijzen zijn vervolgens gebruikt bij het aanvragen van ABN AMRO rekeningen, terwijl de identiteitsbewijzen zijn vervalst door daarop een andere (deepfake)foto – soms van verdachte - te plakken. Niet is gebleken dat verdachte de vervalste identiteitsbewijzen van een ander heeft ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die de identiteitsbewijzen heeft vervalst.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook afbeeldingen van identiteitsbewijzen en paspoorten zich heeft verschaft, ter beschikking heeft gesteld en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze identiteitsbewijzen bestemd waren voor oplichting (feit 3) en dat verdachte niet-openbare gegevens heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen (feit 4).
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van feiten 1 tot en met 4 gedurende de gehele ten laste gelegde periode het opzet heeft gehad op deze feiten. Uit de aangetroffen zoekopdrachten en aankopen op zijn telefoon blijkt dat verdachte gedurende de gehele periode wist waarmee hij bezig was.
De rechtbank is verder van oordeel dat het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen, omdat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander. Daarom zal verdachte van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 20 maart 2025 tot en met 13 november 2025 in Nederland en/of België en/of Italië, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van listige kunstgrepen ABN AMRO Bank N.V. heeft bewogen tot het verlenen van een dienst, te weten:
het openen van bankrekeningen op naam van slachtoffers, waarbij verdachte deepfake-technologie heeft gebruikt, teneinde verdachtes gezicht te doen gelijken op dat van die slachtoffers, en door gebruik te maken van softwareprogramma’s, ten einde bestaande afbeeldingen te uploaden in het identiteitsverificatiesysteem van ABN AMRO Bank N.V., telkens met het doel om de identiteitsverificatie van ABN AMRO Bank N.V. te omzeilen, waarbij de verdachte de volgende methodes heeft toegepast om de identiteitscontrole te misleiden:
- middels deepfake-technologie de biometrische gegevens van het gezichtsbeeld van slachtoffers over zijn gelaat heen te plakken (methode 1) en/of
- middels softwareprogramma een bestaande afbeelding van slachtoffers en het paspoort/identiteitsbewijs van slachtoffers te uploaden in het identiteitsverificatiesysteem (methode 2) en/of
- door middel van deepfake-technologie zijn, verdachtes, gezichtsbeeld te plaatsen
op het vervalste paspoort/identiteitsbewijs van slachtoffers (methode 3);
Ten aanzien van feit 2 primair:
in de periode van 20 maart 2025 tot en met 13 november 2025 in Nederland en/of België en/of Italië, meermalen, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht, te weten
- een identiteitskaart op naam van [naam 2] en,
- een identiteitskaart op naam van [naam 3] en,
- een identiteitskaart op naam van [naam 4] en
- een identiteitskaart op naam van [naam 5] en
- een identiteitskaart op naam van [naam 6] en
- een identiteitskaart op naam van [naam 7] en
heeft vervalst;
Ten aanzien van feit 3:
in de periode van 20 maart 2025 tot en met 13 november 2025 in Nederland en/of België en/of Italië, gegevens, te weten
- afbeeldingen van identiteitsbewijzen en paspoorten, zich heeft verschaft, heeft verworven, ter beschikking heeft gesteld en voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting;
Ten aanzien van feit 4:
in de periode van 20 maart 2025 tot en met 13 november 2025 in Nederland en/of België en/of Italië, niet-openbare gegevens, te weten afbeeldingen van identiteitsbewijzen en een paspoort heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van feit 4:
De rechtbank acht bewezen dat verdachte niet-openbare gegevens, te weten identiteitsbewijzen en paspoorten voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven. Heling van niet openbare gegevens is strafbaar gesteld in artikel 139g lid 1 aanhef onder a Sr. Hoewel dit niet volgt uit de bewoordingen van dit artikel, kan uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat de wetgever het toepassingsbereik van dit artikel heeft willen beperken tot gegevens die uit een door een ander gepleegd misdrijf zijn verkregen. De memorie van toelichting luidt in dit verband als volgt:
Strafbaarstelling van «heling» van gegevens is van belang in situaties waarin niet aangetoond kan worden dat de persoon die deze gegevens bekend maakt degene is die deze gegevens zelf heeft overgenomen, al dan niet na in een geautomatiseerd werk te zijn binnengedrongen (de computervredebreuk, strafbaar gesteld in artikel 138ab Sr). (…) Hiermee wordt een voorziening getroffen voor de gevallen waarin iemand gegevens voorhanden heeft die zijn verkregen uit een misdrijf dat door een ander is begaan of waarin niet kan worden bewezen dat degene die de gegevens voorhanden heeft deze zelf door misdrijf heeft verkregen, bijvoorbeeld door het wederrechtelijk overnemen van de gegevens, al dan niet door middel van computervredebreuk. Zo worden personen strafbaar die gegevens, die uit de computer van anderen zijn ontvreemd, bekend maken aan een ander, verkopen of op internet plaatsen. Hiermee zal ook degene die zich erop beroept deze gegevens niet zelf te hebben ontvreemd maar van een derde te hebben verkregen, strafbaar zijn. [22]
Ter voorkoming van dubbele strafbaarheid geldt naar vaste rechtspraak bij heling van een goed als bedoeld in artikel 416 Sr Pro dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling begaat ten aanzien van een goed dat hij zelf door misdrijf heeft verkregen, aan zijn veroordeling wegens heling in de weg staat. Dit wordt ook wel de heler-steler-regel genoemd. Gelet op de bedoeling van de wetgever bij de invoering van artikel 139g lid 1 Sr en naar analogie met de verwante strafbepaling van artikel 416 Sr Pro geldt naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van heling van niet-openbare gegevens ook dat de omstandigheid dat verdachte deze gegevens zelf door een misdrijf heeft verkregen aan een veroordeling in de weg staat.
De rechtbank gaat in deze zaak ervan uit dat de gebruikte identiteitsbewijzen niet vrijwillig zijn afgegeven, maar door misdrijf zijn verkregen. Verdachte heeft niet verklaard hoe hij aan de identiteitsbewijzen is gekomen. De rechtbank stelt vast dat verdachte een deel van de identiteitsbewijzen door eigen misdrijf heeft verkregen, te weten door oplichting. Hij heeft zich immers op Marktplaats voorgedaan als bonafide verhuurder van een woning aan de Spiegelstraat in Amsterdam en heeft potentiële huurders gevraagd om hun identiteitsbewijs. Deze identiteitsbewijzen heeft hij gebruikt bij het openen van rekeningen. Voor de overige identiteitsbewijzen en niet-openbare gegevens geldt dat niet kan worden vastgesteld hoe verdachte deze heeft verworven, zodat de rechtbank niet kan uitsluiten dat verdachte ook deze gegevens door eigen misdrijf heeft verkregen. De rechtbank heeft onder rubriek 3.3 immers geoordeeld dat verdachte alleen handelde. De bewezen verklaarde handeling onder feit 4 kan daarom niet worden gekwalificeerd onder artikel 139g Sr en levert dus geen strafbaar feit op, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 4.
De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn beperkte rol en dat het gaat om een beperkte periode. Daarnaast heeft de verdediging aangegeven dat uit het rapport van de reclassering blijkt dat verdachte een open en meewerkende houding heeft en dat hij zijn fouten inziet.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het op frauduleuze wijze openen van bankrekeningen op naam van anderen. Verdachte gebruikte hiervoor gemanipuleerde foto’s (deepfake) van zichzelf of van een ander, met biometrische kenmerken zodat zij door het systeem als juist beoordeeld werden. Hierdoor zijn verschillende mensen het slachtoffer geworden van identiteitsfraude. Met gebruik van de valselijk geopende bankrekeningen zijn andere strafbare feiten mogelijk gemaakt, zoals bankhelpdeskfraude waardoor een aantal personen geld zijn verloren Verder heeft verdachte door zo te handelen het vertrouwen geschonden dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in het zorgvuldig gebruik van bankrekeningen en de tenaamstelling daarvan. Uit de wisselende verklaringen die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte het laakbare van zijn gedrag niet inziet. De rechtbank is van oordeel dat door de ernst van deze feiten enkel een gevangenisstraf passend is.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook heeft de rechtbank in strafverzwarende zin rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van 4 maart 2026 van verdachte, waaruit volgt dat verdachte in 2022 en 2023 is veroordeeld voor vermogensdelicten, waardoor sprake is van recidive.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 6 maart 2026. De reclassering rapporteert dat voorafgaand aan en ten tijde van de verdenkingen sprake was van instabiliteit op verschillende leefgebieden. Verdachte had naar eigen zeggen geen identiteitsbewijs, bankrekening, werk, inkomen en er waren schulden. Op het psychosociaal functioneren is beperkt zicht. Deze zaak en het plegen van eerdere heimelijke delicten roept bij de reclassering vragen op over de gewetensontwikkeling. De reclassering adviseert om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen om stabiliteit te creëren op verschillende leefgebieden.
Alles afwegend zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren, zoals door de officier van justitie is geëist. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals is geadviseerd door de reclassering.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij ABN AMRO vordert € 6.700 aan vergoeding van materiële schade, alsmede € 6.240 aan onderzoekskosten
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van ABN AMRO toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat ABN AMRO rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. Zij heeft haar rekeninghouder die slachtoffer is van bankhelpdeskfraude een vergoeding betaald voor het geld dat van de bankrekening is verkregen. Dat geld is overgeboekt naar een rekening die door verdachte frauduleus is geopend. Daarmee heeft verdachte bijgedragen aan de schade. De rechtbank is verder van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd. De vordering zal daarom voor dit deel worden toegewezen. Daarnaast heeft de ABN AMRO vergoeding gevraagd voor de kosten die zij heeft gemaakt voor het onderzoek naar de fraude door verdachte. Ook deze schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De kosten zijn redelijk en de verrichtte werkzaamheden waren redelijkerwijs noodzakelijk. De gevorderde onderzoekskosten zullen daarom eveneens worden toegewezen. De wettelijke rente wordt ook toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet tevens, ter waarborg van betaling, aanleiding om aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, maakt de omstandigheid dat de bank een professionele financiële instelling is, niet dat moet worden afgezien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. In deze zaak heeft ABN AMRO de schade door bankhelpdeskfraude aan haar klanten vergoed. Ook heeft zij kosten moeten maken om de fraude van verdachte te onderzoeken. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het aangewezen dat ABN AMRO de door haar geleden schade op relatief eenvoudige wijze op verdachte kan verhalen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 231, 234 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in rubriek 4 onder 4 bewezene niet strafbaar en
ontslaat verdachte van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
oplichting;
en
de eendaadse samenloop van
Feit 2:
een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, vervalsen;
en
Feit 3:
gegevens verschaffen en voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 226 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 in Amsterdam;
  • veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op een delictanalyse en eventuele delictgerelateerde problematiek;
  • veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • veroordeelde meewerkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. toe tot een bedrag van € 13.100 (zegge: dertienduizend honderd euro) aan vergoeding van materiële schade en onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (dat de rechtbank vaststelt op 1 december 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan ABN AMRO Bank N.V. voornoemd.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van ABN AMRO Bank N.V. aan de Staat
€ 13.100 (zegge: dertienduizend honderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 december 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 90 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.

Voetnoten

1.In de voetnoten wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar de bewijsmiddelen in het dossier, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld gaat het hierbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een geschrift, te weten een aangifteformulier van de ABN AMRO d.d. 23 oktober 2025, opgemaakt door [naam 8] , p. 26 t/m 82 en een geschrift, te weten een aanvullend aangifteformulier van de ABN AMRO d.d. 23 oktober 2025, opgemaakt door [naam 8] , p. 83 t/m 94 en een geschrift, te weten een aangifteformulier van de ABN AMRO d.d. 5 december 2025, opgemaakt door [naam 8] , p. 95 t/m 129.
3.Een geschrift, te weten een aangifteformulier van de ABN AMRO d.d. 23 oktober 2025, opgemaakt door [naam 8] , p. 32.
4.Een geschrift, te weten een aangifteformulier van de ABN AMRO d.d. 23 oktober 2025, opgemaakt door [naam 8] , p. 33.
5.een geschrift, te weten een aanvullend aangifteformulier van de ABN AMRO d.d. 23 oktober 2025, opgemaakt door [naam 8] , p. 86.
6.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025286417-20 d.d. 1 december 2025, p. 174.
7.De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 17 maart 2026 heeft afgelegd.
8.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025286417-31 d.d. 10 december 2025, p. 268 t/m 270.
9.Een geschrift, te weten een aangifteformulier van de ABN AMRO d.d. 23 oktober 2025, opgemaakt door [naam 8] , p. 42, 44, 45 en 46.
10.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025286417-32 d.d. 10 december 2025, p. 186.
11.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21773975, d.d. 10 december 2025, p. 255 t/m 257.
12.De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 17 maart 2026 heeft afgelegd.
13.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 22421945 d.d. 21 mei 2026, p. 2 t/m 4.
14.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 22421945 d.d. 21 mei 2026, p.6.
15.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 22421945 d.d. 21 mei 2026, p.8.
16.De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 3 juni 2026 heeft afgelegd.
17.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 22421945 d.d. 21 mei 2026, p.9.
18.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 22421945 d.d. 21 mei 2026, p.12.
19.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21773975, d.d. 10 december 2025, p. 261.
20.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21773975, d.d. 10 december 2025, p. 261 en 262.
21.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21773975, d.d. 10 december 2025, p. 262.
22.Kamerstukken II 2015-2016, 34372, nr. 3, par. 4.1 en 4.2.