Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6098

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
81/259098-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 262 SvArt. 238 SvArt. 167 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ongegrond verklaring bezwaarschrift tegen dagvaarding in fraudezaak

In deze strafzaak heeft de verdediging een bezwaarschrift ingediend tegen de dagvaarding, stellende dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schendingen van het recht op een eerlijk proces en beginselen van een behoorlijke procesorde.

De verdediging voerde onder meer aan dat verklaringen onder dwang zijn afgelegd, het nemo tenetur-beginsel is geschonden, onjuiste getuigenverklaringen zijn gebruikt, en dat de verdediging onvoldoende gelegenheid heeft gehad tot onderzoek voorafgaand aan de zitting. Tevens werd gesteld dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig informatie aan de media heeft verstrekt.

De officieren van justitie betwistten deze stellingen en benadrukten dat de bezwaarschriftprocedure slechts in evidente gevallen leidt tot niet-ontvankelijkheid. De rechtbank oordeelde dat de aangevoerde bezwaren onvoldoende concreet en aannemelijk zijn om de hoge drempel voor niet-ontvankelijkheid te halen.

De rechtbank overwoog dat het recht op een eerlijk proces pas na sluiting van het onderzoek kan worden beoordeeld en dat de verdediging ook na aanvang van het strafproces onderzoekswensen kan indienen. Het verzoek om een andere rechter-commissaris aan te wijzen en informatie aan het dossier toe te voegen, viel buiten de procedure.

Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond en wees het verzoek tot niet-ontvankelijkheid af.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt ongegrond verklaard en het Openbaar Ministerie blijft ontvankelijk.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Raadkamernummer: 25-031880
Parketnummer: 81/259098-21
Beslissing op het bezwaarschrift tegen de dagvaarding van:
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
domicilie kiezende ten kantore van [naam kantoor] ,
[adres] , [plaats] ,
Raadslieden: mrs. M. Velthuis en R. Koopman.

1.Procesgang

Het dossier met bovengenoemd parketnummer bevat een dagvaarding die op 3 december 2025 is betekend. De verdediging heeft op 10 december 2025 een bezwaarschrift tegen de dagvaarding ingediend. Het bezwaarschrift is overeenkomstig het bepaalde in artikel 262, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding bij de rechtbank ingediend. Verdachte is daarom ontvankelijk in haar bezwaar. De rechtbank is bevoegd het bezwaar te behandelen.
De rechtbank heeft op 16 februari 2026 van de verdediging een inperking op de gronden van het bezwaarschrift ontvangen. De officieren van justitie, mrs. M. Lambregts en S. Leeman, hebben voorafgaand aan de zitting een schriftelijke reactie op het bezwaarschrift aan de rechtbank en de raadslieden toegezonden. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de stukken in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer. Op de zitting van 21 mei 2026 hebben de raadslieden mede onder overlegging van pleitaantekeningen hun standpunt nader toegelicht. De officieren van justitie hebben daarop gereageerd.

2.Standpunt van de verdediging

Het bezwaarschrift houdt, zakelijk weergegeven, in dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard en verdachte (hierna ook wel: [verdachte] ) buiten vervolging moet worden gesteld. Subsidiair moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard, maar kan de buitenvervolginstelling achterwege blijven, omdat de niet-ontvankelijkheid herstelbaar is. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.

1. Het Openbaar Ministerie is (onherstelbaar) niet-ontvankelijk, wegens ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde en schending van artikel 6 EVRM Pro.

[verdachte] heeft onder dwang verklaringen afgelegd in de fiscale procedure. Deze verklaringen zijn in het strafdossier opgenomen en de informatie daaruit is verweven geraakt met allerlei andere stukken in het dossier waardoor sprake is van schending van het nemo tenetur-beginsel. Daarnaast bevat het strafdossier evident onjuiste getuigenverklaringen, waarop de beslissing tot vervolging ten onrechte is gebaseerd. Verder is de verdediging misleid, omdat zij door het Openbaar Ministerie was uitgenodigd voor een schikkingsoverleg en toen informatie heeft gegeven, terwijl het Openbaar Ministerie niet de intentie had om te schikken. Daarnaast is aan de verdediging niet de mogelijkheid gegeven om bij het verhoor van medeverdachte [medeverdachte] aanwezig te zijn. Ook zijn internationale regels inzake rechtshulp omzeild door een verklaring van [verdachte] via haar fiscale advocaat te krijgen om het strafrechtelijk onderzoek af te ronden. Verder heeft het Openbaar Ministerie nagelaten om ontlastend bewijsmateriaal in het strafdossier op te nemen. Ook heeft het Openbaar Ministerie op 1 juli 2025 tijdens het schikkingsoverleg kenbaar gemaakt [verdachte] te gaan dagvaarden en een kennisgeving ex artikel 238, tweede lid Sv aan de rechter-commissaris gestuurd. Het Openbaar Ministerie heeft op die manier de route voor de verdediging naar de rechter-commissaris en het indienen van onderzoekswensen in de voorfase voorafgaand aan een openbare zitting afgesloten en daarmee de verdediging benadeeld. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie zich zonder dat er een zaaksrechter-commissaris aan de zaak was toegewezen, gewend tot een rechter-commissaris die eerder een voor het Openbaar Ministerie gunstige beslissing had genomen in een soortgelijke zaak. [verdachte] twijfelt niet aan de onafhankelijkheid van de rechter-commissaris, maar hekelt deze handelwijze van het Openbaar Ministerie. Tot slot heeft het Openbaar Ministerie in strijd met de afspraken de naam van [verdachte] aan de media doorgegeven in plaats van het te laten bij een “buitenlands pensioenfonds”, zoals overeengekomen.
De verdediging meent dat het handelen van het Openbaar Ministerie zeer ernstige schendingen betreffen van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] , haar recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. Het zijn onherstelbare inbreuken, aangezien het Openbaar Ministerie belangrijke informatie heeft gekregen die gedurende de gehele strafprocedure tegen [verdachte] kan worden gebruikt. Het is niet mogelijk om deze kennis weg te nemen. Dat maakt dat het proces ‘as a whole’ niet eerlijk is en in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Het Openbaar Ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en [verdachte] moet buiten vervolging worden gesteld.

2. Het Openbaar Ministerie is (herstelbaar) niet-ontvankelijk, omdat de verdediging nog gelegenheid moet krijgen tot het laten verrichten van onderzoek voorafgaand aan een openbare zitting.

De verdediging stelt zich subsidiair op het volgende standpunt. In deze zaak, waarin voorlopige hechtenis niet aan de orde is, had het Openbaar Ministerie toepassing van artikel 238, tweede lid Sv achterwege moeten laten en de verdediging de mogelijkheid moeten bieden om – voorafgaand aan een openbare terechtzitting – onderzoekswensen in te dienen en onderzoek te laten verrichten door de rechter-commissaris. Het blokkeren van de verdediging om adequaat onderzoek uit te voeren voordat de zaak op een openbare zitting komt, levert een schending op van het recht op een eerlijk proces als opgenomen in artikel 6 EVRM Pro, meer specifiek het recht op
equality of armsen het recht om niet lichtvaardig vervolgd te worden. Door de vroege kennisgeving van het Openbaar Ministerie wordt [verdachte] ernstig benadeeld, omdat na een openbare zitting een buitengerechtelijke afdoening niet meer mogelijk is en [verdachte] zo wordt gedwongen haar onderzoekswensen in het openbaar – in het bijzijn van media – naar voren te brengen. Om deze redenen moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard, waarna de onderzoeksfase bij de rechter-commissaris alsnog kan aanvangen. De verdediging verzoekt de rechtbank een andere rechter-commissaris aan te wijzen en de informatie die eerder tussen het Openbaar Ministerie en de rechter-commissaris is gewisseld aan het dossier te laten toevoegen.

3.Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben, zakelijk weergegeven, betoogd dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.
Aan de regeling van de bezwaarschriftprocedure ligt de opvatting ten grondslag dat de raadkamer tot buitenvervolgingstelling besluit in evidente gevallen van ongerechtvaardigde en/of lichtvaardige vervolging, die al op het eerste gezicht duidelijk moeten zijn. Daar is in deze zaak geen sprake van. Het nemo tenetur-beginsel en het verschoningsrecht zijn niet geschonden. De verdediging heeft onvoldoende concreet en aannemelijk gemaakt dat wilsafhankelijk materiaal is verkregen zonder inachtneming van de strafrechtelijke waarborgen die iedere verdachte toekomen. Het standpunt ten aanzien van de evident onjuiste getuigenverklaringen vergt een beoordeling die het smalle karakter van de bezwaarschriftprocedure te buiten gaat. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie nimmer de verwachting gewekt dat verdachte ervan uit zou mogen gaan dat de zaak zou worden geschikt. Ten aanzien van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte] is geen sprake van enig vormverzuim. De verklaring van de fiscale advocaat van [verdachte] is op vrijwillige basis afgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft verder geen ontlastend bewijsmateriaal achtergehouden en heeft de naam van [verdachte] niet aan de media doorgegeven. De gestelde schendingen van een behoorlijke procesorde zijn niet aan de orde.
Ten aanzien van het op 1 juli 2025 kenbaar gemaakte voornemen over te gaan tot dagvaarden en de kennisgeving daarvan aan de rechter-commissaris hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat artikel 238, tweede lid Sv zich niet beperkt tot gedetineerde verdachten. Artikel 167, eerste lid Sv verplicht het Openbaar Ministerie zo spoedig mogelijk over te gaan tot dagvaarden en daarom is geen sprake van schending van een behoorlijke procesorde. Ook het subsidiaire verzoek om het Openbaar Ministerie (herstelbaar) niet-ontvankelijk te verklaren en de zaak terug te brengen in de voorfase voor nader onderzoek door de rechter-commissaris, moet dan ook worden afgewezen.

4.Beoordeling

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de verweren van de verdediging slechts getoetst kunnen worden binnen het kader van deze bezwaarschriftprocedure die een summier karakter draagt. De toetsing door de rechtbank van een vervolgingsbeslissing van de officier van justitie bij een bezwaarschrift tegen de dagvaarding is beperkt tot de haalbaarheid van de vervolging. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het Openbaar Ministerie een grote mate van vrijheid heeft om te bepalen of iemand wordt vervolgd. De rechtbank moet beoordelen of ‘het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten’. Slechts dan kan een bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond worden verklaard. Deze hoge drempel komt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Het door de verdediging ingediende bezwaarschrift haalt die drempel niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Ten aanzien van de aangevoerde schendingen van het recht op een eerlijk proces als vastgelegd in artikel 6 EVRM Pro geldt dat pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting beoordeeld kan worden of sprake is van een ‘over all’ eerlijk proces. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken van een zodanige schending waardoor op dit moment al tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet worden geconcludeerd. Ook kan niet geoordeeld worden dat het door een of meer gestelde schending(en) hoogst onwaarschijnlijk is dat het in deze zaak tot een veroordeling zal komen. Over de feiten en de juridische gronden moet nog een debat worden gevoerd tijdens de inhoudelijke behandeling.
Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat de beslissing tot dagvaarden en het uitsturen van de kennisgeving daarvan aan de rechter-commissaris op de voet van artikel 238, tweede lid Sv in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde geldt het volgende. De rechtbank kan niet vaststellen dat de officier van justitie concrete toezeggingen heeft gedaan over de verdere vervolging van [verdachte] , waaruit [verdachte] gerechtvaardigd zou mogen vertrouwen dat zij niet zou worden vervolgd. De rechtbank is daarom van oordeel dat voorshands geen sprake is geweest van een zodanige schending van het vertrouwensbeginsel dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging van [verdachte] heeft verspeeld. Ten aanzien van het standpunt dat de verdediging – als gevolg van de kennisgeving aan de rechter-commissaris – het recht is ontnomen om in de voorfase van het strafproces aanvullend onderzoek te laten doen, overweegt de rechtbank als volgt. Ook na aanvang van het strafproces houdt de verdediging het recht om onderzoekswensen in te dienen. Van een schending van de behoorlijke procesorde die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet leiden is dan ook geen sprake. Dat een buitengerechtelijke afdoening dan niet meer mogelijk is en dat de zaak in de openbaarheid komt, terwijl [verdachte] dat (zo lang mogelijk) had willen voorkomen, levert voorts ook geen schending op van een behoorlijke procesorde die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet leiden.
De verzoeken om een andere rechter-commissaris aan te wijzen en informatie aan het dossier te laten toevoegen vallen buiten het bestek van deze raadkamerprocedure en kunnen daarom niet worden behandeld.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het ten laste gelegde geheel of ten dele bewezen zal achten. Evenmin is het op dit moment evident dat sprake is van een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en/of het recht op een eerlijk proces als vastgelegd in artikel 6 EVRM Pro, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank zal daarom het bezwaarschrift ongegrond verklaren.

5.Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beschikking is mondeling gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 21 mei 2025 door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier.