Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6136

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13/022552-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging met discriminatoir oogmerk

Op 27-28 november 2025 heeft verdachte tijdens een borrel in Bar Boele te Amsterdam een medestudent van Egyptische afkomst aangevallen en mishandeld, waarbij ook discriminatoire uitlatingen zijn gedaan. De mishandeling bestond uit meerdere vuistslagen en het met kracht tegen de grond slaan van het hoofd van het slachtoffer. Medeverdachte hielp door omstanders te beletten in te grijpen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging, beide met een discriminatoir oogmerk. Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen, camerabeelden en een forensisch medisch rapport. De verdediging voerde onder meer aan dat het letsel beperkt was en dat er geen sprake was van discriminatie, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank benadrukte het ernstige karakter van de feiten, mede door het discriminatieaspect, en legde een taakstraf van 240 uren op, gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. De straf is lager dan de eis vanwege het beperkte letsel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging met discriminatoir oogmerk.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/022552-26
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D.F. Jironet-Loewe, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Th.U. Hiddema, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 27 tot en met 28 november 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1 primair:poging tot zware mishandeling van [naam aangever] met een discriminatoir oogmerk/met discriminatoire uitlatingen/gedragingen;
subsidiair:mishandeling met een discriminatoir oogmerk/met discriminatoire uitlatingen/gedragingen;
Feit 2:openlijke geweldpleging in vereniging tegen [naam aangever] met een discriminatoir oogmerk/met discriminatoire uitlatingen/gedragingen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De raadsman heeft ter terechtzitting een preliminair verweer gevoerd en bepleit dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat het onder feit 1 ten laste gelegde namelijk geen opgave behelst van de omstandigheden waaruit het discriminatoire oogmerk of de discriminatoire uitlatingen/gedragingen zouden hebben bestaan. Om die reden is het voor de verdediging niet mogelijk om zich adequaat tegen de verdenking te verdedigen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Het onder feit 2 ten laste gelegde behelst wel een opgave van de hierboven genoemde omstandigheden. Dat, in combinatie met het procesdossier, maakt dat het voor de verdediging voldoende duidelijk is waar de verdenking uit bestaat zodat zij niet in haar verdedigingsbelangen is geschaad.
De rechtbank heeft ter zitting beslist dat de dagvaarding geldig is en heeft daartoe het volgende overwogen. De vraag die moet worden beantwoord, is of de verdediging in haar belang om zich adequaat te kunnen verdedigen, is geschaad. Hoewel de tenlastelegging uit twee feiten bestaat, gaat het om één feitencomplex. Onder feit 2 is een opgave gegeven van de omstandigheden waaruit het discriminatoire karakter en/of de discriminatoire uitlatingen/gedragingen die verdachte worden verweten, zouden bestaan. De opgave van deze omstandigheden, in samenhang bezien met het procesdossier, brengt de rechtbank tot het oordeel dat het voor de verdediging voldoende duidelijk moet zijn geweest wat de verdachte zowel onder feit 1 als onder feit 2 verweten wordt. De verdediging is dan ook niet in relevante mate geschonden in haar verdedigingsbelang door de manier waarop deze tenlastelegging is geformuleerd. Het verweer slaagt daarom niet.
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Inleiding
Op 28 november 2025 omstreeks 00:09 uur is bij de politie een melding binnengekomen van een vechtpartij die gaande zou zijn in Bar Boele op het terrein van de VU campus te Amsterdam. Toen de politie ter plaatse kwam, zag zij een man met een opgezwollen en bloedende neus (de aangever [naam aangever] ). Aangever verklaarde dat hij een discussie had gevoerd met een medestudent, verdachte, omdat die eerder op de avond bij een andere borrel het (beladen) Duitse ‘Erika’ lied zou hebben gezongen. Tijdens deze discussie zou verdachte aangever naar de grond hebben gewerkt en hem hebben geslagen. Omstanders hebben aan de politie verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] hierbij anderen heeft belet het geweld te stoppen. Beide verdachten zouden tijdens dit incident discriminerende uitlatingen hebben gedaan naar verschillende personen. Op het moment dat de politie ter plaatse verscheen, waren verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet meer aanwezig in de bar noch in de omgeving. Zij zijn allebei eind december 2025 op bevel van de officier van justitie aangehouden.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of bewezen kan worden dat verdachte heeft geprobeerd aan aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook is de vraag of bewezen kan worden dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Ten slotte moet de rechtbank ten aanzien van beide feiten beoordelen of daarbij sprake was van discriminatie.
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling (feit 1 primair) kan worden bewezen dat verdachte, terwijl hij bovenop aangever zat, zijn hoofd vier keer van de grond heeft getild en telkens met kracht tegen de grond sloeg. Nu verdachte dit met volle kracht deed en hij een fysiek overwicht had op aangever, bestond onder deze omstandigheden een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Door zo te handelen heeft verdachte bewust deze aanmerkelijke kans aanvaard.
Ten aanzien van de openlijke geweldpleging (feit 2) blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide verdachten geweld hebben gebruikt, zowel tegen aangever als tegen getuige [naam getuige 1] . Zij hebben allebei een voldoende significante bijdrage geleverd aan dat geweld. Beiden zijn opgesprongen van de tafel, hebben aangever vastgepakt en hem geslagen. Terwijl verdachte bovenop aangever zat en hem sloeg, heeft medeverdachte [medeverdachte] omstanders zowel verbaal als fysiek belet aangever te helpen. Vervolgens liepen ze samen lachend weg.
Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van beide feiten kan worden bewezen dat er sprake was van discriminatie. Uit het dossier blijkt dat verdachte tegen één van de omstanders ‘facking neger’ heeft gezegd en dat medeverdachte [medeverdachte] ‘je zult ook gedeporteerd worden’ tegen aangever heeft gezegd. Door deze uitspraken te doen in een vol café, kan het niet anders dan dat verdachte heeft beseft dat het noodzakelijk gevolg van zijn handelen was dat haat of discriminatie tot uitdrukking werd gebracht. Er is dan ook sprake van een discriminatoir oogmerk als bedoeld in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Als de rechtbank dit oogmerk niet bewezen acht, dan kan subsidiair wel worden bewezen dat de strafbare feiten zijn voorafgegaan en vergezeld door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Kort samengevat heeft hij het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling (feit 1 primair) geldt dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangever meermaals met veel kracht heeft geslagen of zijn hoofd tegen de grond heeft geslagen. Het enige dat kan worden bewezen, is dat verdachte aangever eenmalig met de vlakke hand heeft geslagen. Onder die omstandigheden bestond er geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Dat blijkt ook uit het feit dat aangever slechts een bloedneus heeft opgelopen. Voor zover deze kans wel bestond, heeft verdachte deze niet bewust aanvaard. Daarom kan alleen eenvoudige mishandeling bewezen worden.
Ten aanzien van de tenlastegelegde openlijke geweldpleging (feit 2) heeft te gelden dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte is, nadat hij heel de avond door aangever getreiterd zou zijn, ‘ontploft’ en heeft in zijn eentje aangever proberen te stoppen hem verder lastig te vallen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft daar niet alleen geen aandeel in gehad; hij heeft juist geprobeerd de-escalerend op te treden door aangever naar de uitgang te duwen.
Voor beide feiten geldt dat het discriminatieaspect niet kan worden bewezen. De enkele omstandigheid dat iemand ‘jij zult ook gedeporteerd worden’ heeft gezegd, is onvoldoende om te kunnen spreken van discriminatie. Verdachte ontkent ‘facking neger’ te hebben gezegd. Zelfs als deze uitlatingen wel zouden zijn gedaan, is er geen sprake van discriminatie omdat deze uitlatingen dan onder hoge emoties zouden zijn gedaan, aldus de raadsman. Daarmee valt niets te zeggen over de intenties van verdachte op dat moment.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Tussen verdachte en aangever is op enig moment een conflict ontstaan in Bar Boele. Verdachte stond op van de tafel en heeft aangever vastgegrepen bij zijn kraag. Ook medeverdachte [medeverdachte] stond op van de tafel. Verdachte en aangever hebben elkaar over en weer geduwd. Op enig moment kwamen verdachte en aangever door een duw van verdachte op de grond terecht. Aangever belandde daarbij op zijn buik. Verdachte heeft aangever meerdere vuistslagen gegeven tegen zijn hoofd. Verdachte ging bovenop aangever zitten en greep hem bij zijn haren vast. Verdachte heeft toen drie keer met kracht het hoofd van aangever van de grond getild en weer op de grond geslagen. Dat het hierbij slechts om een duwende beweging ging, zoals aangever ter terechtzitting heeft verklaard en gedemonstreerd, wordt gelet op de getuigenverklaringen en de beschrijving van de beelden niet gevolgd. Eén van de omstanders, getuige [naam getuige 1] , probeerde verdachte van aangever af te halen. Medeverdachte [medeverdachte] hield [naam getuige 1] tegen waarbij hij tegen hem zei: “Laat ze gewoon, je moet er niet tussenkomen anders ga ik jou pakken”. Op enig moment is verdachte van aangever afgegaan en is hij samen met [medeverdachte] vertrokken.
Aangever heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] , enkele ogenblikken voorafgaand aan het geweld dat werd toegepast door verdachte, tegen hem, aangever, zei dat hij ook gedeporteerd zou worden. Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij hoorde dat verdachte ‘facking neger’ tegen getuige [naam getuige 3] zei. Ook getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat verdachte ‘neger’ tegen hem zei.
Meerdere getuigen en verbalisanten hebben gezien dat aangever een opgezwollen en bloedende neus had, direct na het geweld. Ook door de GGD is later vastgesteld dat bij aangever sprake was van een opgezwollen neus en wat verwondingen bij de mond en de gestelde toedracht mogelijk past bij het letsel.
Poging tot zware mishandeling (feit 1 primair)
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Voorop wordt gesteld dat verdachte een fysiek overwicht had op aangever aangezien hij duidelijk zichtbaar veel langer en breder was. Door met dat fysieke overwicht bovenop aangever te zitten, hem vuistslagen te geven en hem meerdere keren met zijn gezicht tegen de grond te slaan, bestond de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Kwetsbare onderdelen aan gezicht en hoofd, zoals de ogen, de neus, het gebit en de hersenen, hadden hierdoor ernstig en permanent beschadigd kunnen raken. Door op deze manier geweld uit te oefenen - en daarmee zelfs door te gaan nadat omstanders hadden geprobeerd in te grijpen - is het de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Dat het uiteindelijke gevolg ‘slechts’ een opgezwollen en bloedende neus is geweest, is een geluk geweest, maar doet niets af aan die aanmerkelijke kans dat het ook zeker anders had kunnen aflopen.
Openlijke geweldpleging (feit 2)
De rechtbank acht ook bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] getuige [naam getuige 1] heeft weggeduwd toen deze probeerde in te grijpen. [medeverdachte] heeft het hierdoor mogelijk gemaakt dat verdachte door is gegaan met het mishandelen van aangever. Dat [medeverdachte] hier op uit was, blijkt uit zijn gedrag aan het begin van de geweldplegingen, tijdens, en na afloop daarvan, toen hij samen met verdachte is vertrokken. Zowel verdachte als [medeverdachte] hebben discriminatoire uitlatingen gedaan, zoals hierna wordt gemotiveerd. Het handelen van [medeverdachte] is relatief beperkt geweest in vergelijking met verdachte. Maar door anderen fysiek en verbaal te beletten in te grijpen was er een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] met betrekking tot het geweld tegen aangever, waaraan beiden een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd. Dat [medeverdachte] juist zou hebben geprobeerd om de ruzie te de-escaleren, zoals hij zelf telkens heeft verklaard, vindt naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier steun in het dossier.
Discriminatie (feit 1 primair en feit 2)
Artikel 44bis Sr, dat in 2025 als strafverhogend wetsartikel is ingevoerd, bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de A-variant) of terwijl deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de B-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.
Artikel 90quater, eerste lid, Sr bepaalt over discriminatie het volgende:
‘Onder discriminatie of discrimineren wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast.’
Het tweede lid van deze bepaling beschrijft wanneer er sprake is van een discriminatoir oogmerk: het oogmerk om haat tegen of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid of hun handicap tot uitdrukking te brengen. Over dit discriminatoire oogmerk heeft de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis het volgende gezegd:
‘Naar aanleiding van de adviezen wordt door de initiatiefnemers opgemerkt dat oogmerk in de Nederlandse rechtspraak weliswaar als bijzondere vorm van opzet wordt behandeld, maar dat betekent niet dat oogmerk gelijk kan worden gesteld met de diepste bedoeling of de eigenlijke beweegreden van de verdachte. Blijkens de rechtspraak is niet vereist dat het betreffende gevolg (in dit geval het tot uitdrukking brengen van haat tegen of discriminatie van een bepaalde groep) de enige bedoeling van de verdachte is geweest en evenmin hoeft dit de primaire beweegreden van de verdachte te zijn geweest om het feit te plegen (vgl. HR 21 februari 1938, NJ 1938/929, m.nt. Pompe (Hohner Muziekinstrumenten). Een noodzakelijkheidsbewustzijn is in het kader van een oogmerk voldoende, zo kan worden afgeleid uit HR 5 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB8977, NJ 1982/232, m.nt. [naam] (Gevangenis voedsel II) en HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1031, NJ 1998/610. Gelet daarop is ook sprake van het begaan van een strafbaar feit met een discriminatoir oogmerkwanneer het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijk gevolg van zijn handelen is dat haat tegen of discriminatie van een groep tot uitdrukking wordt gebracht. [1]
Voor het bestaan van een discriminatoir oogmerk is dus voldoende als kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft beseft dat hij – door ‘facking neger’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen of discriminatie van een groep – in dit geval zwarte mensen – tot uitdrukking heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is hier evident sprake van. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘neger’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘facking’ aan toe te voegen – een erg beledigende, denigrerende en dehumaniserende term is die voor zwarte mensen extreem kwetsend is. Het is een term die afkomstig is uit de tijd van kolonisatie en slavernij, waarin zwarte mensen niet als volwaardige burgers werden behandeld en waarvan zij vandaag de dag nog steeds de gevolgen ondervinden.
Ook ten aanzien van de uitlating ‘jij zult ook gedeporteerd worden’ tegen aangever, gedaan door medeverdachte [medeverdachte] , geldt dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte] heeft beseft dat hij noodzakelijkerwijs haat tegen of discriminatie van een groep – te weten immigranten – tot uitdrukking heeft gebracht. Zowel verdachte als medeverdachte wisten dat aangever een buitenlandse student was, zo hebben zij allebei verklaard. Door tegen een persoon van kleur te zeggen dat hij gedeporteerd zal worden, heeft [medeverdachte] tot uitdrukking gebracht dat aangever niet het recht heeft om in Nederland te zijn. Dat is bij uitstek een uitspraak die erop gericht is om de gelijkwaardigheid van de ander te ontkennen en de uitoefening van zijn gelijke rechten aan te tasten. Nu het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen bewezen is verklaard, kan deze uitspraak van [medeverdachte] ook aan verdachte worden toegerekend.
De stelling van de raadsman dat het enkele doen van deze uitlating onvoldoende zou zijn en dat daarvoor bijkomende omstandigheden nodig zijn, vindt geen steun in het recht. Ook het feit dat deze uitlatingen onder hoge emoties zouden zijn gedaan, doet niet af aan het discriminerende karakter ervan. De verweren slagen niet.
De rechtbank acht dan ook zowel ten aanzien van feit 1 als van feit 2 bewezen dat sprake was van een discriminatoir oogmerk in de zin van artikel 44bis Sr.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1:
op 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [naam aangever] heeft vastgepakt en vastgehouden en die [naam aangever] met kracht op de grond heeft geduwd, en
- met het eigen lichaam bovenop die [naam aangever] is gaan zitten, en
- meermalen het gezicht van die [naam aangever] met kracht tegen de grond heeft geslagen, en het gezicht van die [naam aangever] tegen de grond heeft gedrukt en in die positie vast heeft gehouden, en
- meermalen met de vuist tegen het hoofd van die [naam aangever] heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk;
Feit 2:
op 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, openlijk, te weten in Bar Boele te Amsterdam, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, waaronder [naam aangever] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het:
- vastpakken en vasthouden en het met kracht op de grond duwen van die [naam aangever] , en
- met het eigen lichaam bovenop die [naam aangever] te gaan zitten, en
- meermalen het hoofd van die [naam aangever] vast te pakken en met kracht het gezicht van die [naam aangever] tegen de grond te slaan, en het gezicht van die [naam aangever] tegen de grond te drukken en in die positie vast te houden, en
- meermalen met de vuist tegen het hoofd van die [naam aangever] te slaan, en
- eenmaal afhouden van omstanders die trachtten het geweld tegen die [naam aangever] te stoppen terwijl die [naam aangever] op de grond lag, en
- doen van de uiting 'je zult ook gedeporteerd worden' naar die [naam aangever] , en
- doen van de uiting 'facking neger' naar een van de omstanders,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had,
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie disproportioneel hoog is ten opzichte van de ernst van het door hem bewezen geachte feit, te weten feit 1 subsidiair. Volgens de raadsman was sprake van een kroegopstootje, en is een (al dan niet voorwaardelijke) taakstraf een meer passende modaliteit.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging. Hij heeft na afloop van een constitutieborrel van de studentenraad in het OZW-gebouw van de VU, tijdens een borrel in Bar Boele een medestudent van Egyptische afkomst aangevallen, mishandeld en gediscrimineerd, daarbij geholpen door medeverdachte, een partijgenoot in de raad.
De ernst van deze feiten wordt benadrukt door eerder genoemd artikel 44bis Sr waarin is opgenomen dat de op deze feiten gestelde gevangenisstraffen met een derde kunnen worden verhoogd. Hiermee is het verwerpelijke karakter van discriminatoire uitlatingen in strafrechtelijke zin tot uitdrukking gebracht. De rechtbank zal dan ook in deze zaak de door beide verdachten gedane discriminerende uitlatingen in strafverzwarende zin meewegen. In Nederland moet iedereen, ongeacht zijn ras of etniciteit, zich veilig kunnen bewegen. Delicten als de onderhavige leiden niet alleen bij de direct betrokkenen tot gevoelens van angst en onveiligheid, maar ook in de studentengemeenschap waar zowel verdachte als aangever deel van uitmaken. Ten slotte kan niet onderschat worden hoezeer geweldshandelingen waarbij discriminatie in het spel is, bijdragen aan onrust en onbehagen in de Nederlandse samenleving. Dit wordt verdachte aangerekend.
Wel houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop tussen de bewezenverklaarde feiten, nu het gaat om één feitencomplex dat in twee strafbare feiten is tenlastegelegd.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies betreffende verdachte van 1 juni 2026. De reclassering adviseert de rechtbank om bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat interventies of toezicht onnodig worden geacht.
De rechtbank houdt rekening met de impact die deze zaak op verdachte heeft gehad, waaronder de grote (negatieve) media-aandacht, het verliezen van zijn baan als taxichauffeur en problemen bij het vinden van een nieuwe baan.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Hoewel het gaat om ernstige feiten, is het letsel dat bij het slachtoffer is veroorzaakt beperkt gebleven en heeft verdachte al grote gevolgen ondervonden door zijn handelen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De ernst van de feiten – met name het discriminatieaspect – rechtvaardigt wel een onvoorwaardelijke taakstraf van aanzienlijke duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straffen. Aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 240 uren. Daarnaast wordt aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een proeftijd van twee jaren opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 44bis, 45, 55, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
poging tot zware mishandeling, gepleegd met discriminatoir oogmerk;
Ten aanzien van feit 2:
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, gepleegd met discriminatoir oogmerk.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mr. A.M. Loots en mr. E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Feit 1:
hij op of omstreeks 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te
weten [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermalen, althans eenmaal die [naam aangever] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en
die [naam aangever] (met kracht) op de grond heeft geduwd, en/of
- meermalen, althans eenmaal met het eigen lichaam bovenop die [naam aangever] is gaan
zitten, en/of
- meermalen, althans eenmaal het haar/hoofd van die [naam aangever] heeft vastgepakt en
het hoofd/gezicht van die [naam aangever] met kracht tegen de grond heeft geslagen, en/of
het hoofd/gezicht van die [naam aangever] naar/tegen de grond heeft gedrukt en in die
positie vast heeft gehouden, en/of
- meermalen, althans eenmaal (met vlakke hand en/of met vuist) op/tegen het
hoofd en/of het lichaam van die [naam aangever] heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond
uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer
gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun
ras tot uitdrukking brachten.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
[naam aangever] heeft mishandeld, door:
- meermalen, althans eenmaal vastpakken en/of vasthouden en het (met kracht) op
de grond duwen van die [naam aangever] , en/of
- meermalen, althans eenmaal met het eigen lichaam bovenop die [naam aangever] te gaan
zitten, en/of
- meermalen, althans eenmaal het haar/hoofd van die [naam aangever] vast te pakken en
met kracht het hoofd/gezicht van die [naam aangever] tegen de grond te slaan, en/of het
hoofd/gezicht van die [naam aangever] naar/tegen de grond drukken en in die positie vast
te houden, en/of
- meermalen, althans eenmaal (met vlakke hand en/of met vuist) op/tegen het
hoofd en/of het lichaam van die [naam aangever] te stompen en/of te slaan,
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond
uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer
gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun
ras tot uitdrukking brachten.
Feit 2:
hij op of omstreeks 27 t/m 28 november 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
openlijk, te weten in Bar Boele te Amsterdam, in elk geval op een voor het publiek
toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer
perso(o)n(en), waaronder [naam aangever] , welk in vereniging gepleegde geweld
bestond uit het:
- meermalen, althans eenmaal vastpakken en/of vasthouden en het (met kracht) op
de grond duwen van die [naam aangever] , en/of
- meermalen, althans eenmaal met het eigen lichaam bovenop die [naam aangever] te gaan
zitten, en/of
- meermalen, althans eenmaal het haar/hoofd van die [naam aangever] vast te pakken en
met kracht het hoofd/gezicht van die [naam aangever] tegen de grond te slaan, en/of het
hoofd/gezicht van die [naam aangever] naar/tegen de grond te drukken en in die positie
vast te houden, en/of
- meermalen, althans eenmaal (met vlakke hand en/of met vuist) op/tegen het
hoofd en/of het lichaam van die [naam aangever] te stompen en/of te slaan, en/of
- meermalen, althans eenmaal afhouden/wegduwen van omstanders die trachtten
het geweld tegen die [naam aangever] te stoppen (terwijl die [naam aangever] op de grond lag),
en/of
- doen van de uiting 'je zult ook gedeporteerd worden' naar die [naam aangever] , en/of
- doen van de uiting 'facking neger' naar een van de omstanders,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had,
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond
uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer
gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun
ras tot uitdrukking brachten.
Bijlage 2: de bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen gelden ten aanzien van de feiten zoals hieronder is aangegeven.
1.
De verklaring van verdachte, zoals hij die ter terechtzitting van 3 juni 2026 heeft afgelegd, zakelijk weergegeven:
Ik ben degene op de camerabeelden met een lichtbruin jasje aan. We kwamen op de grond terecht. Ik heb zijn gezicht tegen de grond aangedrukt. Hij lag op zijn buik.
Noot griffier: verdachte laat een beweging zien waarbij hij met twee handen drie tot vier keer op en neer gaat.
2.
Een proces-verbaal aangifte met nummer 251128-30-713 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pagina’s 09-11).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam aangever] , zakelijk weergegeven:
Pleegdatum: vrijdag 28 november 2025 tussen 00:09 uur en 00:12 uur
Ik doe aangifte van zware mishandeling. Er was een afsluitborrel in Café De Boele, welke is gelegen op de [adres] . Aan het einde van deze borrel, omstreeks 00:05 uur, ging het café sluiten. Ik kwam een medestudent tegen genaamd [verdachte] . [verdachte] was met nog een student, welke bekend staat met de naam [medeverdachte]
(de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ). Ik hoorde [medeverdachte] de volgende opmerkingen maken naar mij: ‘je zult ook gedeporteerd worden’.
Noot verbalisant: gezicht van slachtoffer vertoont verse verwondingen met name rondom zijn neus en rondom zijn lippen en kin.
3.
Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-20252899945-8 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pagina’s 12-14).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam aangever] , zakelijk weergegeven:
De mishandeling begon toen [verdachte] een drankje in mijn gezicht gooide, toen ik dit ook terug deed escaleerde de situatie. [verdachte] en [medeverdachte] renden allebei naar mij toe en
vielen mij aan. Uiteindelijk weet ik wel dat [verdachte] degene was die mij aan mijn haren naar de grond trok, ik voelde dit toen ik zag dat [verdachte] mijn haren vastpakte. Toen ik op de grond lag voelde ik dat [verdachte] met zijn hand hard tegen mijn hoofd duwde. Hierdoor werd mijn gezicht tegen de grond aangeduwd. Dit heeft [verdachte] in ieder geval drie of vier keren bij mij gedaan, hierdoor heb ik waarschijnlijk het letsel op mijn gezicht. Toen hij dit deed voelde ik iedere keer een hevige pijn op mijn neus en de rest van mijn gezicht. Ik denk dat [verdachte] mij ook in mijn gezicht heeft geslagen terwijl ik al op de grond lag.
Sinds het incident ben ik naar het ziekenhuis gegaan. Het vermoeden is nu dat mijn
neus niet gebroken is, maar dit kan nog niet uitgesloten worden door de zwelling op
mijn neus, hierdoor moet ik nog een paar dagen wachten tot ik hierover antwoord heb.
Verder heb ik nog een wond aan de binnenzijde van mijn bovenlip.
4.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] met nummer 21893874 van 9 januari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pagina’s 37-38).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam getuige 1] , zakelijk weergegeven:
Ik ging proberen ze uit elkaar te halen. Toen kwam een lange jongen met blond haar. Hij duwde mij weg en zei: ‘Laat ze gewoon, je moet er niet tussenkomen anders ga ik jou pakken’. Ik zag dat die grote jongen bovenop die kleine jongen, die internationale student zat. Ik zag dat de grote jongen uithaalde en toen zag ik bloed op zijn gezicht.
5.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 4] met nummer 251128-30-673 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 4] (doorgenummerde pagina’s 31-32).
Ik was in Bar Boele en zag [verdachte] en [naam aangever] die ik allebei ken. Op een paar meter afstand zag ik dat [verdachte] zijn bier over [naam aangever] heen gooide, daarna zag ik dat [verdachte] in een hoekse beweging [naam aangever] met een vuistslag sloeg. Ik zag dat deze slag gericht en geraakt werd op [naam aangever] zijn neus. Ik weet niet precies meer welke hand dit was. Hierna duwde [naam aangever] [verdachte] terug. Waarna ik zag dat [verdachte] [naam aangever] op de grond duwde nabij de uitgang van de bar. Ik zag dat [naam aangever] belandde op de grond. Ik zag dat [verdachte] [naam aangever] met meerdere directe vuistslagen op zijn gezicht raakte. Ik zag dat meerdere mensen [naam aangever] probeerde te helpen door [verdachte] weg te duwen. Maar dat hielp niet omdat [verdachte] een grote gast is die iedereen van zich afsloeg. Hierna zag ik dat [verdachte]
[naam aangever] bij zijn hoofd pakte en meerdere keren op de grond neersloeg. Tegelijkertijd zag ik dat er meer mensen die hen uit elkaar probeerde te halen. Waarna het uiteindelijk lukte om [verdachte] van [naam aangever] af te halen. Later toen ik zelf ook weer buiten stond schold [verdachte] mij uit voor "Kanker hoer" dit deed hij meerdere malen.
6.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 2] met nummer 251128-30-148 van 28 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 5] (doorgenummerde pagina’s 29-30).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam getuige 2] , zakelijk weergegeven:
Ik was in Bar Boele. Toen het slachtoffer niet keek probeerde de verdachten bier over zijn hoofd te gieten. Een ander meisje die aan die tafel zat zei dat hij dat niet moest doen en gooide zelf de inhoud van haar eigen drankje over de verdachten heen. De verdachte gooide zijn drankje over het meisje. En toen het slachtoffer dat zag zei hij iets tegen de verdachte. Ik weet niet wat hij heeft gezegd. Op dat moment sprong de verdachte op het slachtoffer. En begon hem meerdere keren te slaan. Het slachtoffer lag op de grond en de verdachte zat boven op hem. De verdachte pakte het slachtoffer bij zijn haar vast en sloeg hem met zijn linker vuist op zijn gezicht meerdere keren. Mensen sprongen er tussen waardoor het slachtoffer kon weg komen en naar buiten liep. De verdachte volgde het slachtoffer naar de uitgang en voor dat ze buiten waren pakte de verdachte het slachtoffer weer vast en sloeg hem weer meerdere keren met zijn vuist op zijn gezicht. Buiten wilden de verdachten weer het slachtoffer aanvallen maar dit werd tegen gehouden door meerdere mensen. De verdachte schold een van de mensen die hem tegen hield uit voor "Facking neger" deze jongen is donker van kleur.
7.
Een proces-verbaal van bevindingen inclusief fotobijlagen met nummer PL1300-2025299945-7 van 2 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 6] (doorgenummerde pagina’s 48-65).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat er drie mensen zichtbaar waren die aan deze tafel zaten. Ik zag dat er twee mannen en een vrouw aan deze tafel zaten. Ik zag dat een man met zijn rug naar de camera toe gekeerd zat. Mij is bekend dat deze persoon het slachtoffer betreft. Het slachtoffer is [naam aangever] . Ik zag dat tegenover het slachtoffer een man zat (NN1).
Ik zag vervolgens dat een persoon links van [naam aangever] , de richting waar vanuit de vloeistof kwam, in beeld kwam. De omschrijving van deze persoon komt overeen met het signalement van de verdachte dat is gegeven in de aangifte en de getuigenverklaring van [naam getuige 4] . Daarnaast komt de persoon overeen met de foto van de verdachte [verdachte] .
Ik zag dat [verdachte] met zijn linkervoet een grote stap naar voren zette en vervolgens [naam aangever] met kracht op de grond gooide (zie Foto 5 en Foto 6). Ik zag dat de
omstander [naam aangever] ook vast had en hem tevergeefs rechtop probeerde te houden. Ik zag dat NNl de omstander tweemaal hard een duw gaf. Ik zag dat [verdachte] bovenop [naam aangever] ging zitten en met kracht meermaals het hoofd van [naam aangever] met zijn gezicht richting de grond toe duwde met zijn rechterhand (zie Foto 7). Ik zag dat hij dit in totaal drie maal achtereenvolgens deed en dat hij vervolgens het hoofd van [naam aangever] richting de grond drukte en in deze positie bleef houden.
Ik zag dat [verdachte] vervolgens vrijwel met zijn hele lichaam over [naam aangever] heen boog, waardoor [naam aangever] uit het zicht van de camera was. Ik zag dat [naam aangever] tevergeefs onder [verdachte] vandaan probeerde te komen. Ik zag dat [verdachte] zijn linkerarm naar links toe bewoog en dat hij vervolgens met kracht zijn vlakke hand in de richting van het gezicht van [naam aangever] bewoog, waarbij [verdachte] contact maakte met het gezicht van [naam aangever] (zie Foto 8). Ik zag dat [verdachte] vervolgens het gezicht van [naam aangever] vastpakte met zijn linkerhand (zie Foto 9).
Ik zag dat omstanders [verdachte] bij zijn jas vastpakten en hem van [naam aangever] af trokken. [verdachte] bleef gelijktijdig [naam aangever] vasthouden aan zijn jas, waardoor deze met [verdachte] meebewoog. Ik zag dat NNl tussen een omstander met gele jas die [verdachte] vasthad bij zijn jas en [verdachte] probeerde te komen en dat hij een woordenwisseling had met deze omstander (zie Foto 10).
Ik zag dat een omstander met okergele jas een woordenwisseling had met NNl en dat NNl met zijn linkervinger naar hem toe wees. Ik zag dat een persoon met donkere huidskleur en gele jas langs [verdachte] en NNl wilde gaan en kort NNl bij zijn schouder aanraakte om te passeren en vervolgens doorliep richting de uitgang. Ik zag dat [verdachte] zijn lichaam in de richting van deze persoon draaide en iets achter deze persoon aan riep.
8.
Een proces-verbaal van aanvullende bevindingen camerabeelden met nummer 22086015 van 20 februari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 7] .
Zakelijk weergegeven inhoudende:
Uit het proces-verbaal van camerabeelden is tevens te lezen dat de betreffende opsporingsambtenaar heeft beschreven dat [verdachte] bovenop [naam aangever] zat en met kracht het hoofd van [naam aangever] richting de grond duwde. Echter kan er, na het bekijken van de camerabeelden, gesteld worden dat verdachte [verdachte] slachtoffer [naam aangever] bij zijn hoofd vastpakte en met meer dan geringe kracht het hoofd richting de grond sloeg. Dit deed [verdachte] tot driemaal aan toe waarna hij het hoofd van [naam aangever] met kracht op de grond geduwd hield. Het vermoeden dat dit met kracht is gegaan bestaat uit het camerabeeld dat [verdachte] met zijn gehele lichaam over het gezicht van [naam aangever] staat
gebogen en zijn armen hierbij gestrekt hield.
9.
Een geschrift, te weten een letselonderzoek en -verslag van 1 december 2025, opgesteld door P.S. den Brave, forensisch arts KNMG van GGD Amsterdam (doorgenummerde pagina’s 25-28).
Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Lichaamsdeel: hoofd
Beschrijving letsel:
1. De neusrug is mogelijk gezwollen, er is geen duidelijk letsel zichtbaar.
2. Links naast de neusrug is een lijnvormige rode huidverkleuring zichtbaar van ca. 1cm. Het betreft krasletsel.
3. Midden aan de rechteroorschelp is een onscherp begrensde blauwe huidverkleuring zichtbaar van ca. 1cm bij 1,5 cm. Het betreft een bloeduitstorting.
Lippen:
4. Rechts aan de binnenzijde van de bovenlip is een onregelmatig begrensde horizontaal verlopende streepvormige deels genezen slijmvliesdoorbreking zichtbaar van ca 1,5cm.
5. Links aan de binnenzijde van de onderlip is onregelmatig begrensde horizontaal verlopende streepvormige deels genezen slijmvliesdoorbreking zichtbaar van ca 0,7cm.
6. Links aan de buitenzijde van de onderlip is een streepvormige huiddoorbreking met korstvorming zichtbaar van ca. 0,5cm.
De gemelde toedracht past mogelijk bij het letsel.
10.
Een proces-verbaal van verhoor getuige, [naam getuige 5] , proces-verbaal nummer PL1300-2025327810-27, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 3] op 9 januari 2026 (doorgenummerd 39-41).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam getuige 5] , zakelijk weergegeven:
Na de mishandeling ging ik naar buiten en daar stond bijna iedereen. Ik zag toen ook [naam aangever] . Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] in versnelde pas richting de Zuid As aan het lopen waren. Ik rende hen achterna omdat ik wilde dat zij bleven om de verantwoordelijkheid op zich te nemen en de consequenties te aanvaarden voor wat ze hadden gedaan. Zij stopten met lopen en draaiden zich naar mij. Ik zag dat er veel bloed op de broek van [verdachte] zat. Toen [verdachte] zag dat er veel bloed op zijn licht beige broek zat, hoorde ik hem zeggen, ‘Oh my god, that piece of shit, he bled all over my pants, i’m going to beat him up again.’