Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
de intimidatie heeft nu ook [woonplaats 3] bereikt’.
3.Het geschil
4.De beoordeling
weinig verheffende’ e-mail die hij op 29 september 2020 ‘
zonder enig hoor en wederhoor’ aan mr. Kloosterman heeft gestuurd. De gevorderde verklaring voor recht ziet echter alleen op het incident van 9 oktober 2020. Aangezien deze e-mail voor het incident van 9 oktober 2020 is gestuurd, kan deze e-mail niet geleid hebben tot het vals informeren van mr. Kloosterman over het incident in het trappenhuis op 9 oktober 2020.
de intimidatie heeft nu ook [woonplaats 3] bereikt’. Desgevraagd heeft eisende partij ter zitting niet kunnen uitleggen waarom dit een onrechtmatige gedraging is geweest. Niet valt in te zien waarom [gedaagde 2] de brief die [eiser] aan hem stuurde met daarin beschuldigingen over zijn dochter [gedaagde 1] niet met deze begeleidende tekst aan de advocaat van de verhuurder van het appartement van zijn dochter mocht doorsturen. Dat [gedaagde 2] de brief van [eiser] kennelijk als intimiderend heeft opgevat terwijl [eiser] stelt dat deze brief niet intimiderend was bedoeld, maakt dit niet anders. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat [gedaagde 2] met deze twee gedragingen niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.
Dat die rust in de zeven maanden na het bestreden eindvonnis is teruggekeerd, is het hof geenszins gebleken.” Dat het hof hierbij specifiek op het incident in het trappenhuis van 9 oktober 2020 doelt is niet gebleken, laat staan dat het hof oordeelt dat dit incident de schuld van [eiser] zou zijn en dat dit redengevend voor de arresten van het hof is geweest.