Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6152

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/13/777859 / HA ZA 25-1652
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 6:265 BWArt. 6:271 BWArt. 6:277 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aandelenkoopovereenkomsten en terugbetaling koopsommen met schadevergoeding en leningterugvordering

Eisers investeerden via aandelenparticipaties en een lening in twee restaurants, waarbij winstgaranties werden overeengekomen. Na het uitblijven van levering van aandelen ontbond eiser 1 de koopovereenkomsten en vorderde terugbetaling van de koopsommen en vergoeding van ontbindingsschade. Eiser 2 vorderde terugbetaling van de lening.

De rechtbank oordeelde dat de koopovereenkomsten rechtsgeldig waren ontbonden omdat gedaagden tekortschoten in hun leveringsverplichting. De opschortende voorwaarden en de Bibob-toets konden de leveringsplicht niet opschorten. Gedaagden moesten de koopsommen terugbetalen met wettelijke rente vanaf de ontbindingsdatum.

Verder werd vastgesteld dat gedaagde 1 een deel van de ontbindingsschade moest vergoeden, namelijk het positieve contractsbelang van €120.000, maar niet voor de aandelen van bedrijf 2. De lening moest door gedaagde 1 en 3 worden terugbetaald aan eiser 2 met contractuele vertragingsrente. Ook werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontbinding van de koopovereenkomsten rechtsgeldig en veroordeelt gedaagden tot terugbetaling van koopsommen, vergoeding van ontbindingsschade en terugbetaling van de lening met rente.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/777859 / HA ZA 25-1652
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
1.
CAPITAL WATERS BEHEER LTD.,
gevestigd te Birkirkara (Malta),
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats 1] (Malta),
eisers,
hierna te noemen: afzonderlijk CWB en [eiser 2] en samen (in vrouwelijk enkelvoud) CWB c.s.,
advocaat: mr. E.H. Boucher,
tegen
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1.
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagden,
hierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en samen (in mannelijk enkelvoud) [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.J. van Weeren.

1.De kern van de zaak

CWB c.s. heeft geïnvesteerd in twee restaurants van [gedaagde] via een aandelenparticipatie in de vennootschappen die deze restaurants houden. Daarbij zijn zij ook bepaalde winstgaranties en een geldlening overeengekomen. Tussen partijen is een geschil ontstaan en op een gegeven moment heeft CWB c.s. de twee aandelenkoopovereenkomsten met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontbonden. CWB eist in deze procedure onder meer terugbetaling van de koopsommen van de aandelen en een vergoeding voor de geleden ontbindingsschade. Verder eist [eiser 2] de openstaande bedragen onder de lening terug. [gedaagde] erkent dat hij de koopsommen moet terugbetalen, maar meent dat er geen grondslag is voor ontbinding of schadevergoeding. Ook is hij van mening dat [eiser 2] niet de gehele lening mocht opeisen.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat CWB de koopovereenkomsten rechtsgeldig heeft ontbonden en recht heeft op terugbetaling van de koopsommen. [gedaagde 1] moet een deel van de door CWB geleden ontbindingsschade vergoeden, maar een ander deel niet. Tot slot moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 3] de resterende lening met rente terugbetalen aan [eiser 2] . Dat wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 16 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 4 februari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 april 2026 en de daarin genoemde stukken,
- het bericht van [gedaagde] van 23 april 2026, inhoudende een verbetering van het verkort proces-verbaal, dat aan het verkort proces-verbaal is gehecht.
2.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

3.De feiten

3.1.
CWB houdt zich bezig met het investeren in diverse ondernemingen. [eiser 2] is [functie 1] van CWB.
3.2.
[gedaagde 1] is actief in de horecabranche en is de holdingvennootschap van meerdere restaurants in [plaats] , waaronder [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [gedaagde 3] is [functie 1] van [gedaagde 1] en de heer [naam] is [functie 2] (hierna: [naam] ).
3.3.
[gedaagde 2] is enig aandeelhouder van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), een vennootschap die een restaurant exploiteert in [plaats] .
3.4.
Op 5 januari 2024 hebben [eiser 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , [naam] onder meer afspraken vastgelegd over een investering van [eiser 2] in [bedrijf 2] en [bedrijf 1] van in totaal € 240.000. Daarbij hebben zij ook afspraken gemaakt over bepaalde gegarandeerde dividenduitkeringen.
3.5.
Op 25 april 2024 zijn partijen zes overeenkomsten aangegaan:
  • twee (vrijwel) gelijkluidende aandelenkoopovereenkomsten inzake de koop van aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] tussen CWB en respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (hierna: de koopovereenkomsten);
  • een addendum bij de koopovereenkomsten tussen CWB, [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (hierna: het addendum);
  • twee (vrijwel) gelijkluidende aandeelhoudersovereenkomsten tussen de (toekomstig) aandeelhouders van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , waarbij onder meer CWB partij is (hierna: de aandeelhoudersovereenkomsten);
  • een geldleningsovereenkomst tussen [eiser 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (hierna: de leningsovereenkomst).
3.6.
Op grond van de ene koopovereenkomst heeft CWB van [gedaagde 1] 150 van de 1000 aandelen in [bedrijf 1] gekocht voor een bedrag van € 62.746,13. Op grond van de andere koopovereenkomst heeft CWB van [gedaagde 2] 200 van de 1000 aandelen in [bedrijf 2] gekocht voor een bedrag van € 59.160. Beide koopovereenkomsten, waarin CWB wordt aangeduid als ‘Koper’ en de ‘Effectieve Datum’ is gedefinieerd als 1 januari 2024, bepalen verder voor zover relevant het volgende:

Artikel 2. KOOP EN VERKOOP
(…)
2.3.
Onder de opschortende voorwaarde dat de Akte van Levering ten overstaan van de Notaris is gepasseerd, komen de Verkochte Aandelen met economisch effect vanaf de Effectieve Datum voor rekening en risico van Koper.
(…)
Artikel 10. TOEPASSELIJK RECHT; GESCHILLEN
10.1.
Op deze Overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
10.2.
Alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige Overeenkomst zullen worden beslecht overeenkomstig een arbitrageprocedure en het arbitragereglement van EVE ( [internetsite] ).
(…)
10.5.
Indien EVE niet in staat is de arbitrage te doen verzorgen, is de Rechtbank in Amsterdam exclusief bevoegd.”
3.7.
In aanvulling op de koopovereenkomsten zijn CWB, [gedaagde 1] en [gedaagde 3] in het addendum bepaalde winstgaranties ten aanzien van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] overeengekomen. Het addendum, waarin CWB wordt aangeduid als ‘CW’ en [gedaagde 3] als ‘ [gedaagde 3] ’, bepaalt voor zover relevant het volgende:

NEMEN HET VOLGENDE IN OVERWEGING:
(…)
C. Dat CW en [gedaagde 2] B.V. enerzijds en CW en [gedaagde 1] anderzijds per heden een aandelenkoopovereenkomst zijn aangegaan inzake de (ver)koop van respectievelijk 200 aandelen in [bedrijf 2] en 150 aandelen in [bedrijf 1] (de “Aandelenkoopovereenkomsten”);
D. Dat CW bereid was om deze Aandelenkoopovereenkomsten aan te gaan doordat [gedaagde 1] daar bepaalde omzet-, winst- en verkoopgaranties voor zou verschaffen;
E. Dat partijen de onderlinge afspraken schriftelijk wensen vast te leggen in dit addendum (…) vanwege het feit dat de andere (in)directe aandeelhouders hier geen rol in
spelen;
(…)
Artikel 2. WINST- EN OMZETGARANTIE [bedrijf 2]
2.1.
[gedaagde 1] garandeert hierbij jegens CW dat [bedrijf 2] een jaarlijkse nettowinst na belasting zal realiseren van minimaal EUR 100.000 (…), gedurende zes (…) jaar na de Effectieve Datum van 1 januari 2024. De vaststelling van de nettowinst na belasting geschiedt jaarlijks op basis van de door de Algemene Vergadering vastgestelde jaarrekening.
2.2.
In het geval dat de winstgarantie van dit Artikel 2.1 in enig boekjaar niet wordt gerealiseerd, dan vergoedt [gedaagde 1] op eerste verzoek van CW het tekort aan CW naar rato van de door CW gehouden Aandelen in [bedrijf 2] minus eventueel aan CW betaalde management fees in dat boekjaar door [bedrijf 2] . Ten behoeve van deze winstgarantie zal de jaarrekening van [bedrijf 2] niet later dan zes maanden na afloop van het boekjaar worden vastgesteld. indien de jaarrekening niet tijdig wordt vastgesteld, kan door CW na zes maanden een beroep worden gedaan op de winstgarantie als ware de winst nihil. (…)
(…)
Artikel 4. WINST- EN OMZETGARANTIE [bedrijf 1]
4.1.
[gedaagde 1] garandeert hierbij jegens CW dat [bedrijf 1] een jaarlijkse nettowinst na belasting zal realiseren van minimaal EUR 133.333,33 (…), gedurende zes (…) jaar na de Effectieve Datum van 1 januari 2024. De vaststelling van de nettowinst na belasting geschiedt jaarlijks op basis van de door de Algemene Vergadering vastgestelde jaarrekening.
4.2.
In het geval dat de winstgarantie van dit Artikel 2.1 [de rechtbank begrijpt: Artikel 4.1] in enig boekjaar niet wordt gerealiseerd, dan vergoedt [gedaagde 1] op eerste verzoek van CW het tekort aan CW naar rato van de door CW gehouden Aandelen in [bedrijf 1] minus eventueel aan CW betaalde management fees in dat boekjaar door [bedrijf 1] . Ten behoeve van deze winstgarantie zal de jaarrekening van [bedrijf 1] niet later dan zes maanden na afloop van het boekjaar worden vastgesteld. Indien de jaarrekening niet tijdig wordt vastgesteld, kan door CW na zes maanden een beroep worden gedaan op de winstgarantie als ware de winst nihil.
(…)
Artikel 6. HOOFDELIJKE AANSPRAKELIJKHEID
6.1.
[gedaagde 3] verklaart zich hierbij onherroepelijk en onvoorwaardelijk als hoofdelijk medeschuldenaar verbonden als bedoeld in artikel 7 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek jegens CW ter zake van al hetgeen zij nu of te eniger tijd op grond van deze Overeenkomst te vorderen mochten hebben van [gedaagde 1] .
3.8.
In het addendum staat dezelfde rechtskeuze en forumkeuze opgenomen als in de koopovereenkomsten (zie onder 3.6).
3.9.
In de aandeelhoudersovereenkomsten, waarin CWB wordt aangeduid als ‘Toetredende Aandeelhouder’, staat voor zover relevant het volgende:
“Artikel 2. OPSCHORTENDE VOORWAARDE
2.1.
Deze Overeenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde van het plaatsvinden van de levering van de Verkochte Aandelen aan de Toetredende Aandeelhouder.
2.2.
Ingeval de opschortende voorwaarde van Artikel 2.1 niet uiterlijk op 1 juni 2024 is uitgewerkt, zal elke verstrekking van gelden, uit welke hoofde dan ook, door de Toetredende Aandeelhouder aan een andere Partij op eerste afroep terstond moeten worden terugbetaald.”
3.10.
In beide aandeelhoudersovereenkomsten staat dezelfde rechtskeuze en forumkeuze opgenomen als in de koopovereenkomsten (zie onder 3.6).
3.11.
Op grond van de leningsovereenkomst heeft [eiser 2] een lening verstrekt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] van € 120.000. De lening had een looptijd van zes jaar en de jaarlijkse rente bedroeg 4%. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] waren verplicht om – overeenkomstig een bijgevoegd betalingsschema – jaarlijks € 20.000 af te lossen en maandelijks rentebetalingen te doen aan [eiser 2] . Uit het betalingsschema volgt dat de eerste aflossing van € 20.000 moest plaatsvinden op 15 april 2025 en de tweede op 15 april 2026.
3.12.
In de leningsovereenkomst wordt [eiser 2] aangeduid als ‘Schuldeiser’, [gedaagde 1] en [gedaagde 3] als ‘Schuldenaar’ en [gedaagde 3] afzonderlijk als ‘ [gedaagde 3] ’. De leningsovereenkomst
bepaalt voor zover relevant het volgende:

Artikel 2 - rechtskeuze en forumkeuze
1. Op deze Overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
2. Geschillen tussen partijen over de uitvoering van deze Overeenkomst worden aanhangig gemaakt bij de daartoe bevoegde Nederlandse rechter in Amsterdam.
(…)
Artikel 7 - Rente, aflossingen, looptijd, boeterente
(…)
6. De in dit artikel voor de Schuldenaar geldende termijnen zijn fatale termijnen in de zin van artikel 6:83 onder Pro a BW. Niet tijdige of niet volledige nakoming lijdt derhalve tot onmiddellijk verzuim zonder dat een ingebrekestelling is vereist. (…)
Artikel 8 - Vertragingsrente
1. Als de Schuldenaar een bedrag dat zij op grond van deze Overeenkomst moet betalen niet op tijd betaalt, moet zij naast de vaste rente als bedoeld in het Betalingsschema, een vertragingsrente betalen over het achterstallige bedrag.
2. De vertragingsrente is Schuldenaar verschuldigd vanaf 20 dagen na de datum waarop verzuim is ingetreden.
3. De vertragingsrente is gelijk aan het rentepercentage dat verschuldigd is over de geldlening, als bedoeld in het Betalingsschema en is gedurende de tijd dat de Schuldenaar niet nakomt dagelijks opeisbaar. Deze dagrente is gelijk aan het driehonderd zestigste deel van de jaarrente over het bedrag dat op een dag of op een deel van een dag verschuldigd was.
Artikel 9 - Situaties waarin de lening vervroegd kan worden opgeëist
1. Indien één of meer van volgende situaties zich voordoet kan de Schuldeiser de hele lening en de verschuldigde rente onmiddellijk en zonder voorafgaande aankondiging of ingebrekestelling volledig opeisen:
Situaties afhankelijk van de Schuldenaar:
- De Schuldenaar is in verzuim;
(…)
Artikel 11 - Hoofdelijke verbondenheid
1. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verklaren zich hierbij onherroepelijk en onvoorwaardelijk als hoofdelijk medeschuldenaar verbonden als bedoeld in artikel 7 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek jegens de Schuldeiser ter zake van al hetgeen Schuldeiser nu of te enigertijd op grond van deze Overeenkomst te vorderen mocht hebben van de Schuldenaar.
(…)”
3.13.
Op 26 april 2024 heeft CWB c.s. de overeengekomen koopsommen en leensom betaald.
3.14.
Ten tijde van de koop liep een aanvraag voor een (herziene) horecavergunning voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bij de gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente). [gedaagde] heeft CWB verzocht om uitstel van de levering van de aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] totdat de lopende vergunningstrajecten afgerond waren.
3.15.
Tussen 8 mei 2024 en 2 augustus 2024 hebben [eiser 2] en [naam] via Whatsapp contact gehad over de levering van de aandelen in [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . In de berichten staat voor zover relevant:
[eiser 2] op 8 mei 2024:“Begreep dat vergunning voor [gedaagde 2] al binnen was? Dus zouden daar de levering van de aandelen nu kunnen laten plaatsvinden? Bij [bedrijf 1] nog even wachten op de vergunning toch?”
(…)
[naam] op 8 mei 2024:“Dat is correct!”
(…)
[naam] op 14 juni 2024:“(...)
We moeten nog kort inrichting van [gedaagde 2] aandelen met haar kortsluiten (ivm mogelijke verwatering of A/B aandelen) dus ik heb een terugbel verzoek voor begin volgende week achtergelaten. Wordt zsm vervolgd!
[eiser 2] op 14 juni 2024:“(…)
Wat is status bij [bedrijf 1] ?
(…)
[naam] op 19 juli 2024:“(…)
de aangepaste vergunning van [bedrijf 1] is tijdens mijn vakantie binnen gekomen. Als we verder compleet zijn qua papierwerk kunnen we nu dan bij notaris jouw toetreding laten passeren en kan ik dit vervolgens bij de gemeente melden
[naam] op 2 augustus 2024:“(…)
Ik hoop in de loop van volgende week de aandelentransacties van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] verder uit te werken
3.16.
Tussen 31 augustus en 8 oktober 2024 hebben [eiser 2] en [gedaagde 3] meerdere keren persoonlijk overleg gehad. In die gesprekken heeft [gedaagde 3] zijn zorgen geuit over het feit dat CWB een Maltese entiteit is en dat dit negatief zou kunnen uitpakken bij de zogeheten Bibob-toets [1] die door de gemeente wordt uitgevoerd in het kader van horecavergunningen. [gedaagde 3] heeft tijdens een gesprek van 8 oktober 2024 gezegd dat de aandelenparticipatie in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] wat hem betreft met een Nederlandse entiteit moest gebeuren.
3.17.
Eind 2024 heeft de gemeente een horecavergunning afgegeven voor Maxsand B.V. (hierna: Maxsand), een andere vennootschap die een horecazaak in [plaats] exploiteert en waarvan onder meer CWB en [gedaagde 1] ook aandeelhouder zijn.
3.18.
Op 1 mei 2025 heeft [eiser 2] brieven aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gestuurd waarin staat dat hij de lening volledig opeist.
3.19.
Op 5 mei 2025 heeft [gedaagde 1] de eerste jaarlijkse aflossing van de lening betaald aan [eiser 2] .
3.20.
Op 31 juli 2025 heeft CWB c.s. aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] een e-mail gestuurd waarin zij hen verzoekt om te kiezen tussen twee opties. Eén daarvan is de integrale nakoming van de koopovereenkomsten, waaronder de levering van de aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , de betaling van de gegarandeerde dividenduitkering over 2024 van € 40.000 en de verstrekking van de jaarrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over 2024. Verder staat onder meer in de e-mail:
“Indien u op 20 augustus 2025 niet een van de beide opties volledig tot uitvoer heeft gebracht, stel ik u hierbij voor alsdan en voor zover nog noodzakelijk in gebreke ten aanzien van de nalevering van de hiervoor genoemde koopovereenkomsten en alle daaraan verbonden verplichten, waardoor de door u gegarandeerde dividendverplichtingen. Dit brengt mee dat indien u geen keuze maakt, of de gemaakt keuze niet onmiddellijk nakomt, u op 21 augustus 2025 in verzuim zult zijn ten aanzien van de koopovereenkomst. (…)”
3.21.
In een brief van 21 augustus 2025 heeft CWB c.s. geschreven dat zij de koopovereenkomsten ontbindt en terugbetaling van de koopsommen wil.
3.22.
In een brief van 22 september 2025 heeft CWB een brief aan [gedaagde 2] gestuurd, waarin zij [gedaagde 2] ten aanzien verplichting tot levering van de aandelen in gebreke stelt en sommeert om uiterlijk 29 september 2025 de aandelen in [bedrijf 2] te leveren.
3.23.
In een brief van 30 september 2025 heeft CWB geschreven dat zij de koopovereenkomst inzake de aandelen in [bedrijf 2] ontbindt en dat [gedaagde 2] de koopsom moet terugbetalen.
3.24.
Rond 15 april 2026 heeft [gedaagde 1] de tweede aflossing van de lening betaald aan [eiser 2] .

4.Het geschil

4.1.
CWB c.s. vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
ten aanzien van de koopovereenkomst van aandelen in [bedrijf 1] :
1. primair voor recht verklaart dat de Aandelenkoopovereenkomst ten aanzien van de aandelen in [bedrijf 1] inclusief het Addendum rechtsgeldig is ontbonden dan wel subsidiair deze bij het in deze te wijzen vonnis ontbindt,
2. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk, dan wel [gedaagde 1] veroordeelt tot terugbetaling aan CWB van de koopsom van de aandelen in [bedrijf 1] ter hoogte van € 62.746,13 te vermeerderen met de ten tijde van deze betaling verschenen en nog niet betaalde wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente,
ten aanzien van de koopovereenkomst van aandelen in [bedrijf 2] :
3. primair voor recht verklaart dat de Aandelenkoopovereenkomst ten aanzien van de aandelen in [bedrijf 2] inclusief het Addendum rechtsgeldig is ontbonden dan wel subsidiair deze overeenkomst bij het in deze te wijzen vonnis ontbindt,
4. [gedaagde 2] veroordeelt tot terugbetaling aan CWB van de koopsom van de aandelen in [bedrijf 2] ter hoogte van € 59.160,-,
ten aanzien van de winst- en omzetgarantie in [bedrijf 1] :
5. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk, althans [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan CWB van de door haar geleden ontbindingsschade in verband met de ontbinding van de koopovereenkomst van de aandelen in [bedrijf 1] te begroten op € 120.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de ten tijde van deze betaling verschenen en nog niet betaalde wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente over de over 2024 verschenen garantieverplichting,
ten aanzien van de winst- en omzetgarantie in [bedrijf 2] :
6. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk, althans [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan CWB van de door haar geleden ontbindingsschade in verband met de ontbinding van de koopovereenkomst van de aandelen in [bedrijf 2] te begroten op € 120.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de ten tijde van deze betaling verschenen en nog niet betaalde wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente over de over 2024 verschenen garantieverplichting,
ten aanzien van de leningovereenkomst
7. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt tot terugbetaling aan [eiser 2] van de uitgeleende som ter hoogte van € 120.000,-,
8. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan [eiser 2] van de contractuele vertragingsrente vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening,
en
9. [gedaagde] elk individueel veroordeelt tot vergoeding aan CWB respectievelijk [eiser 2] van de buitengerechtelijke incassokosten,
10. [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CWB c.s., met veroordeling van CWB c.s. in de proceskosten met rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank beoordeelt eerst haar internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht. Vervolgens gaat de rechtbank in op de vraag of CWB c.s. de koopovereenkomsten rechtsgeldig heeft ontbonden, of CWB recht heeft op schadevergoeding en of [eiser 2] de lening in zijn geheel mocht opeisen.
internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.2.
Dit is een internationale zaak, omdat CWB c.s. op Malta is gevestigd en [gedaagde] in Nederland. De rechtbank moet daarom eerst ambtshalve haar internationale bevoegdheid vaststellen. De internationale bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I-bis-Verordening (hierna: Brussel I-bis). [2] Partijen zijn in de koopovereenkomsten, het addendum en de aandeelhoudersovereenkomsten overeengekomen om geschillen te laten beslechten door arbitrageorganisatie EVE Law, en als EVE Law daartoe niet in staat is, door de rechtbank Amsterdam. Tussen partijen in niet in geschil dat EVE kennelijk niet langer actief is, en zij daarom een uitdrukkelijke forumkeuze hebben gemaakt voor de rechtbank Amsterdam in de zin van artikel 25 Brussel Pro I-bis. Ook in de leningsovereenkomst hebben partijen gekozen voor de rechtbank Amsterdam. De rechtbank Amsterdam is dus bevoegd om kennis te nemen van dit geschil.
5.3.
Vervolgens moet het toepasselijk recht worden vastgesteld. De vorderingen van CWB c.s. zijn gebaseerd op een contractuele verbintenis. Welk recht op die vorderingen van toepassing is, moet worden beoordeeld aan de hand van de Rome I-Verordening. [3] Omdat partijen in alle zes de overeenkomsten een rechtskeuze voor Nederlands recht zijn overeengekomen, is op grond van artikel 3 van Pro de Rome I-Verordening Nederlands recht van toepassing. Voor zover de vorderingen niet zijn gebaseerd op de genoemde overeenkomsten, hebben partijen ter zitting een rechtskeuze voor Nederlands recht gemaakt.
CWB heeft de koopovereenkomsten rechtsgeldig ontbonden
5.4.
Partijen zijn het erover eens dat zij met de koopovereenkomsten, de aandeelhoudersovereenkomsten en het addendum afspraken hebben gemaakt over de investering van CWB in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . CWB c.s. stelt dat zij de koopovereenkomsten buitengerechtelijk mocht ontbinden omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tekortgeschoten zijn in hun verplichting om de aandelen in respectievelijk [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan haar te leveren. CWB heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke gesteld en hen gesommeerd om de aandelen uiterlijk 20 augustus 2025 en 29 september 2025 te leveren, maar de levering is uitgebleven, aldus steeds CWB c.s.
5.5.
[gedaagde] erkent dat de aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet geleverd zijn, maar voert aan dat (i) de koopovereenkomsten nooit in werking zijn getreden vanwege het niet vervullen van de opschortende voorwaarden, (ii) de levering afhankelijk was van een positieve Bibob-toets, (iii) levering aan een Maltese vennootschap niet mogelijk was vanwege de Bibob-toets en (iv) CWB de aandelen niet meer wilde. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze verweren niet slagen en dat CWB de koopovereenkomsten rechtsgeldig heeft ontbonden. Dat wordt hierna toegelicht.
(i) de koopovereenkomsten zijn in werking getreden
5.6.
[gedaagde] voert aan dat CWB de koopovereenkomsten niet kon ontbinden, omdat deze nooit in werking zijn getreden. De koopovereenkomsten zijn namelijk aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat de levering van de aandelen heeft plaatsgevonden. Dat blijkt uit artikel 2.3 van de koopovereenkomsten en artikel 2.1-2.2 van de aandeelhoudersovereenkomsten. Nu die levering niet heeft plaatsgevonden valt er niets te ontbinden, aldus steeds [gedaagde] CWB c.s. bestrijdt dat deze opschortende voorwaarde is overeengekomen en betoogt dat deze ook niet met zoveel woorden in de genoemde contractuele bepalingen staat.
5.7.
Voor de beoordeling van dit geschilpunt moet de rechtbank vaststellen wat partijen zijn overeengekomen. Dit is een kwestie van uitleg. Bij de uitleg van een overeenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de relevante bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [4]
5.8.
[gedaagde] wijst op de tekst van de overeenkomst om zijn uitleg te bepleiten. Anders dan [gedaagde] betoogt, blijkt hieruit echter niet dat de koopovereenkomsten zijn aangegaan onder de opschortende voorwaarde van levering van de aandelen. De rechtbank stelt met CWB c.s. vast dat uit de tekst van artikel 2.3 van de koopovereenkomsten niet volgt dat de koop(overeenkomst) als zodanig voorwaardelijk is gesteld aan de levering van de aandelen. Uit de bepaling kan alleen worden afgeleid dat de overdracht van de aandelen, en dus niet de titel voor die overdracht, voorwaardelijk is aan de notariële levering van de aandelen.
5.9.
Ook de tekst van artikelen 2.1 en 2.2 van de aandeelhoudersovereenkomsten bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de koopovereenkomsten niet in werking zijn getreden. CWB c.s. heeft er terecht op gewezen dat de opschortende voorwaarde uit artikel 2.1 blijkens de tekst van die bepaling alleen geldt voor de aandeelhoudersovereenkomsten zelf, en niet ook voor de koopovereenkomsten. Een en ander blijkt ook uit de definitie van het woord ‘Overeenkomst’ in dat artikel, dat in beide aandeelhoudersovereenkomsten wordt gedefinieerd als ‘betekent deze aandeelhoudersovereenkomst’.
5.10.
CWB c.s. heeft verder terecht aangevoerd dat artikel 2.2 alleen met zoveel woorden bepaalt dat indien de aandelen nog niet geleverd zouden zijn op 1 juni 2024, CWB het recht heeft om terugbetaling te vragen van gelden die zij aan andere aandeelhouders of de vennootschap heeft betaald. CWB c.s. heeft verklaard dat deze bepaling bedoeld is ter bescherming van CWB, omdat zij de koopsommen rechtstreeks zou overmaken aan [gedaagde] in plaats van via de derdengeldenrekening van de notaris. Wat daar ook van zij, de rechtbank leest in de bepaling – net als CWB c.s. – niet dat de koopovereenkomsten pas aanvangen als de aandelen vóór 1 juni 2024 geleverd zouden zijn.
5.11.
[gedaagde] heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarop hij erop mocht vertrouwen dat koopovereenkomsten zelf voorwaardelijk waren aan de levering van de aandelen. Dat betekent dat de koopovereenkomsten in werking zijn getreden en er een leveringsverplichting rustte op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
(ii) de levering was niet afhankelijk van een positieve Bibob-toets
5.12.
Niet in geschil is dat de koopovereenkomsten zelf geen leveringsdatum bevatten. [gedaagde] voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de leveringsverplichting voorwaardelijk was aan een positieve Bibob-toets van de gemeente. Na het ondertekenen van de koopovereenkomsten bleek uit het vergunningstraject van Maxsand dat een Maltese vennootschap als aandeelhouder tot problemen zou leiden bij de Bibob-toets. Daarom heeft CWB c.s. ermee ingestemd om te wachten met levering totdat er uitsluitsel was over de vergunning van Maxsand, aldus steeds [gedaagde]
5.13.
CWB c.s. voert aan dat zij weliswaar tijdelijk heeft ingestemd met het verzoek van [gedaagde] om de levering uit te stellen vanwege de lopende vergunningsaanvragen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , maar dat het de bedoeling was om de aandelen zo snel mogelijk (daarna) te leveren aan CWB. In dat verband wijst CWB c.s. op de Whatsappberichten tussen [eiser 2] en [naam] (zie onder 3.15), waaruit volgt dat die vergunningen in de zomer van 2024 waren afgegeven en waarin [naam] schrijft dat hij de leveringen zal gaan uitwerken.
5.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan [gedaagde] aanvoert, volgt niet uit de koopovereenkomst of de correspondentie tussen partijen dat de levering afhankelijk was van een positieve Bibob-toets van de vennootschappen zelf of van Maxsand. Partijen hebben alleen afgesproken om te wachten op de lopende vergunningsaanvragen, welke blijkens de berichten van [naam] in ieder geval in juli 2024 waren afgerond. Verder bepaalt artikel 6.12 van de koopovereenkomsten slechts dat indien de gemeente ten aanzien van CWB geen goedkeuring verleent in het kader van de wet Bibob, elke partij de koopovereenkomst kan ontbinden zonder dat er een recht op schadevergoeding ontstaat. Dat is hier echter niet aan de orde, want niet in geschil is dat nooit om dergelijke goedkeuring is verzocht voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , en deze dus ook niet is geweigerd door de gemeente.
(iii) niet gebleken dat levering aan een Maltese vennootschap niet mogelijk was
5.15.
[gedaagde] voert verder aan dat de levering aan CWB niet mogelijk was, omdat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] geen horecavergunning zouden krijgen van de gemeente als CWB aandeelhouder werd. Met een Maltese vennootschap als aandeelhouder zouden de restaurants namelijk de Bibob-toets niet doorkomen volgens [gedaagde] CWB c.s. heeft gemotiveerd weersproken dat de Maltese vennootschap tot problemen zou leiden bij een Bibob-toets. Zij heeft erop gewezen dat Maxsand uiteindelijk in november 2024 een positieve Bibob-uitslag heeft gekregen, waarbij ook CWB als aandeelhouder was toegetreden. Daar heeft [gedaagde] op zijn beurt slechts tegenin gebracht dat de gemeente extra voorwaarden heeft verbonden aan die vergunning. Niet gebleken is dat de gestelde voorwaarden zo ingrijpend waren dat de toetreding van een Maltese vennootschap als aandeelhouder feitelijk onmogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] bij deze stand van zaken onvoldoende onderbouwd dat de levering aan CBW niet mogelijk was. De omstandigheid dat de gemeente wellicht extra voorwaarden heeft verbonden aan de vergunning van Maxsand, betekent namelijk niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de aandelen dan niet meer konden (en hoefden) te leveren aan CWB.
(iv) [gedaagde] mocht er niet op vertrouwen dat CWB de aandelen niet meer wilde
5.16.
[gedaagde] voert tot slot aan dat hij uit telefoongesprekken mocht afleiden dat CWB de levering van de aandelen niet meer wilde. CWB c.s. heeft dat gemotiveerd betwist en gewezen op de twee ingebrekestellingen, waarin zij (onder meer) heeft gevraagd om levering van de aandelen binnen een bepaalde termijn (zie overwegingen 3.20 en 3.22). Tegenover die gemotiveerde betwisting heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd waarop hij er desondanks vanuit mocht gaan dat CWB de aandelen niet meer wilde. Het feit dat partijen (schikkings)gesprekken hebben gehad over een oplossing zonder levering van de aandelen, betekent niet dat op [gedaagde] geen leveringsverplichting meer rustte. Met CWB c.s. is de rechtbank van oordeel dat – nu die gesprekken op niets uit waren gelopen – partijen terugvielen op hun oorspronkelijke afspraak, de levering van de aandelen.
tussenconclusie
5.17.
Uit het voorgaande volgt dat op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onverkort een verplichting rustte om de aandelen te leveren aan CWB. Hoewel een contractuele datum voor die leveringsverplichting ontbrak, heeft CWB c.s. er terecht op gewezen dat zij in ieder geval na de mededelingen van [gedaagde] (zie onder 3.15) erop mocht vertrouwen dat die levering medio 2024 zou plaatsvinden. Ook na de verdere aanschrijvingen hiertoe vanaf augustus 2025 (zie 3.20 en 3.23), is de levering uitgebleven. Het niet-nakomen van deze verplichting levert een tekortkoming op in de zin van art. 6:265 BW Pro. De rechtbank stelt met CWB c.s. vast dat de aandelen ook na de in de ingebrekestellingen genoemde termijnen niet zijn geleverd, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in ieder geval toen in verzuim verkeerden met hun leveringsverplichting. CWB was daarom bevoegd om beide koopovereenkomsten te ontbinden, zodat de gevorderde verklaringen voor recht onder 1 en 3 in zoverre worden toegewezen.
5.18.
CWB c.s. stelt dat de ontbinding van beide koopovereenkomsten óók de ontbinding van het addendum heeft meegebracht, omdat deze overeenkomsten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. [gedaagde] is het hiermee oneens. De rechtbank ziet aanleiding om in het midden te laten of ook het addendum is ontbonden. Zij overweegt dat CWB c.s. enkel voornoemde tekortkomingen van [gedaagde] onder de koopovereenkomsten ten grondslag heeft gelegd aan de door haar gevorderde schadevergoeding voor ontbinding (zie vanaf 5.21 hierna). Omdat partijen het verder eens zijn dat het addendum in ieder geval is geëindigd, heeft CWB c.s. bij gebreke aan een nadere toelichting geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht dat het addendum is ontbonden.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de koopsommen terugbetalen met de wettelijke rente
5.19.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de ontvangen koopsommen terugbetalen aan CWB op grond van de wederzijdse ongedaanmakingsverbintenissen die zijn ontstaan na de ontbinding (art. 6:271 BW Pro). De vorderingen onder 2 en 4 zijn in zoverre toewijsbaar. Anders dan primair gevorderd wordt de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 3] onder 2 afgewezen. CWB c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ook op [gedaagde 3] in privé de verplichting rust om de koopsom voor de aandelen van [bedrijf 1] terug te betalen. Verder is niet gebleken dat [gedaagde 3] in privé bij de koopovereenkomst is betrokken, want hij heeft deze niet in die hoedanigheid getekend en heeft zich ook niet als hoofdelijk schuldenaar verbonden naast [gedaagde 1] . Voor dat gedeelte wordt de vordering dus afgewezen.
5.20.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de koopsommen is niet toewijsbaar. De wettelijke handelsrente niet van toepassing is op een vordering tot ongedaanmaking na de ontbinding van een overeenkomst. De regeling van de wettelijke handelsrente is namelijk alleen van toepassing op de
primairebetalingsverbintenis uit een handelsovereenkomst. Daarom wordt in plaats van de wettelijke handelsrente de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van ontbinding, te weten 21 augustus 2025 ( [gedaagde 1] ) en 30 september 2025 ( [gedaagde 2] ). [gedaagde] heeft de verschuldigdheid hiervan niet weersproken.
[gedaagde 1] moet een deel van de ontbindingsschade vergoeden aan CWB
5.21.
CWB c.s. stelt dat zij door de ontbinding schade heeft geleden. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (als hoofdelijk medeschuldenaar) zijn ten aanzien van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bepaalde winstgaranties overeengekomen met CWB in het addendum. Doordat de koopovereenkomsten zijn ontbonden, loopt CWB deze gegarandeerde inkomsten mis. Daarom moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk het positief contractsbelang van € 240.000 vergoeden aan CWB, aldus steeds CWB c.s.
5.22.
Volgens [gedaagde] heeft CWB geen recht op vergoeding van de misgelopen winstgaranties. De winstgaranties zijn alleen bedoeld voor de situatie waarin CWB aandeelhouder was geworden van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , maar dat is nooit gebeurd. Bovendien kan CWB geen aanspraak maken op toekomstige winstuitkeringen en zijn de jaarrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] op grond waarvan die winstgaranties berekend moeten worden nog niet beschikbaar, aldus steeds [gedaagde]
5.23.
De rechtbank stelt voorop dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, op grond van art. 6:277 lid 1 BW Pro verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die de wederpartij lijdt, doordat in plaats van wederzijdse nakoming ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. Onder 5.17 is overwogen dat het niet-nakomen van de leveringsverplichting van de aandelen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de grond opleverde voor ontbinding van beide koopovereenkomsten. Dat betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in beginsel de ontbindingsschade moeten vergoeden aan CWB.
5.24.
Tot de ontbindingsschade kan ook het zogenaamde positieve contractsbelang behoren. Het positief contractsbelang wordt gevonden door een vergelijking van de vermogenssituatie zoals deze zou zijn als de overeenkomsten correct zouden zijn nagekomen met de vermogenssituatie na ontbinding (na afwikkeling van de ongedaanmakingsverbintenissen). Niet in geschil is dat als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de koopovereenkomsten correct waren nagekomen, CWB aandeelhouder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] was geworden en zodoende aanspraak had kunnen maken op de winstgaranties uit het addendum.
5.25.
Partijen zijn het erover eens dat deze winstgaranties neerkwamen op een toegezegde dividenduitkering aan CWB van € 20.000 per jaar per vennootschap gedurende zes jaar. Verder volgt uit artikelen 2.2 en 4.2 van het addendum dat indien de behaalde winst in het desbetreffende jaar niet toereikend zou zijn en deze dividenduitkeringen daardoor niet (volledig) zouden plaatsvinden, [gedaagde 1] het tekort zou vergoeden aan CWB. De rechtbank is dan ook van oordeel dat CWB bij correcte nakoming van de koopovereenkomsten zes jaar lang in ieder geval € 20.000 per vennootschap zou hebben ontvangen. Het maakt voor de schade niet uit of CWB dat bedrag via een dividenduitkering van de vennootschappen zelf, via de garantie van [gedaagde 1] of via de hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde 3] zou hebben gekregen: CWB had de gevorderde bedragen immers hoe dan ook gekregen. Bovendien kan niet aan CWB worden tegengeworpen dat het deels gaat om bedragen die betrekking hebben op toekomstige jaren. De verplichtingen om in die jaren de gevorderde bedragen uit te keren staat vast en is onvoorwaardelijk, gelet op de garantie van [gedaagde 1] en de hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde 3] . Dat de winstgaranties nu in één betaling en niet verspreid over zes jaar moeten worden voldaan aan CWB, is te wijten aan de tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf die aan de ontbinding ten grondslag ligt: het niet leveren van de aandelen.
5.26.
Het voorgaande betekent dat het positieve contractsbelang uitkomt op 6 x € 20.000 = € 120.000 per vennootschap. Anders dan waar CWB c.s. vanuit lijkt te gaan, rust de schadevergoedingsplicht echter niet bij de partijen die CWB op grond van het addendum had kunnen aanspreken bij correcte nakoming ( [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ), maar bij de partij wier tekortkoming de grond voor ontbinding heeft opgeleverd. CWB c.s. heeft zich in deze zaak enkel beroepen op tekortkomingen ten aanzien van de nakoming van beide koopovereenkomsten. Dat gaat om [gedaagde 1] voor de koopovereenkomst inzake de aandelen in [bedrijf 1] en om [gedaagde 2] voor de koopovereenkomst inzake de aandelen in [bedrijf 2] . Nu CWB c.s. alleen ontbindingsschade heeft gevorderd van [gedaagde 1] , moeten de gevorderde bedragen van [bedrijf 2] onder 6 worden afgewezen. Het is immers de tekortkoming van [gedaagde 2] op grond waarvan de koopovereenkomst ontbonden is en waardoor CWB de winstgaranties van [bedrijf 2] misloopt.
5.27.
De onder 5 gevorderde schadevergoeding voor het mislopen van de winstgarantie ten aanzien van [bedrijf 1] kan wel worden toegewezen. De hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 3] wordt afgewezen, omdat hij vanwege de hiervoor genoemde reden niet de partij is die de ontbindingsschade moet vergoeden. Als het gaat om de door [gedaagde] gevraagde matiging van het schadevergoedingsbedrag, heeft hij niet meer aangevoerd dan deze moet worden gematigd. Dat is onvoldoende. Nu verder geen omstandigheden zijn gebleken die ertoe zouden moeten leiden dat zijn schadevergoedingsplicht zou moeten worden verminderd, wordt hieraan voorbij gegaan. Verder vordert CWB c.s. de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2025 over het gegarandeerd dividend van 2024 dat al betaald had moeten zijn, omdat de jaarstukken over 2024 niet beschikbaar waren. De vordering wordt als onbetwist toegewezen, behalve dat CWB slechts aanspraak kan maken op de wettelijke rente omdat het een vordering uit hoofde van schadevergoeding betreft.
[gedaagde 1] en [gedaagde 3] moeten het restant van de lening terugbetalen aan [eiser 2] met vertragingsrente
5.28.
[eiser 2] vordert betaling van de lening die hij aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] heeft verstrekt. Daaraan legt hij kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] de eerste aflossing van € 20.000 niet op tijd betaald hebben, waarna zij in verzuim kwamen en hij de lening in haar geheel mocht opeisen.
5.29.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 7 van Pro de leningsovereenkomst volgt dat het niet tijdig voldoen van de betalingsverplichtingen van de lening leidt tot onmiddellijk verzuim zonder dat een ingebrekestelling is vereist. Wanneer de schuldenaar in verzuim is, kan de schuldeiser volgens artikel 9 van Pro de leningsovereenkomst de hele lening onmiddellijk en volledig opeisen. Er staat vast dat de eerste aflossing volgens het betalingsschema op 15 april 2025 had moeten plaatsvinden, maar heeft plaatsgevonden op 5 mei 2025. Dit alles is tussen partijen niet in geschil. Die betaling is daarmee na de overeengekomen termijn verricht, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zowel op grond van de leningsovereenkomst als op grond van de wet in verzuim verkeerde en [eiser 2] dus in beginsel gerechtigd was de gehele lening op te eisen, zoals hij heeft gedaan op 1 mei 2025.
5.30.
[gedaagde] voert aan dat [eiser 2] in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet de gehele lening mocht opeisen. Daarbij wijst hij erop dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] de maandelijkse rentetermijnen steeds tijdig en volledig hebben betaald en alleen de eerste aflossing enkele dagen te laat voldaan. Ook is inmiddels de tweede aflossing wel op tijd betaald.
5.31.
[eiser 2] heeft daartegenover gezet dat de eerste aflossing 20 dagen te laat is betaald. Bovendien had hij mede gezien andere geschillen met [gedaagde] al twijfels over de financiële gezondheid van [gedaagde] en is hij juist de directe opeisbaarheid van de lening overeengekomen voor de situatie die zich nu voordoet.
5.32.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat de betaling slechts enkele dagen te laat was, is niet gebleken. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd weersproken dat het om een termijnoverschrijding van 20 dagen gaat. Ook staat vast dat het bedrag pas is voldaan, nadat de lening in zijn volledigheid al was opgeëist door [eiser 2] . Dat geldt overigens ook voor het tweede aflossingsbedrag. De rechtbank volgt daarom [eiser 2] in zijn betoog. Het gaat in deze zaak om commerciële partijen, die kennelijk hebben willen afspreken dat als betaling om welke reden dan ook uitblijft, de schuldeiser de lening direct mag opeisen. [eiser 2] heeft daar in dit geval gebruik van willen maken, omdat hij blijkbaar twijfels had over de financiële toestand van [gedaagde] Gelet op dit alles, maakt de stelling van [gedaagde] dat de rentetermijnen wel steeds tijdig zijn betaald niet dat het in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is om een beroep te doen op de contractueel overeengekomen directe opeisbaarheid van de lening bij te late betaling. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] moeten daarom de lening aan [eiser 2] terugbetalen.
5.33.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de onder 8 gevorderde contractuele vertragingsrente, zodat die toewijsbaar is. Op grond van artikel 8.2 van de leningsovereenkomst is de vertragingsrente opeisbaar vanaf 20 dagen na het intreden van het verzuim, dus vanaf 5 mei 2025. De hoogte van de rente wordt berekend conform artikel 8.3 van de leningsovereenkomst.
5.34.
[eiser 2] vordert onder 7 en 8 terugbetaling van de volledige lening van € 120.000 plus de contractuele vertragingsrente. [eiser 2] heeft echter erkend dat [gedaagde 3] en [gedaagde 1] de rentetermijnen – in ieder geval tot aan de zittingsdatum – zijn blijven voldoen en heeft niet betwist dat er ook twee aflossingen van € 20.000 zijn gedaan. Die bedragen moeten dus in mindering worden gebracht op hetgeen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] nog moeten betalen aan [eiser 2] aan contractuele rente en hoofdsom. Dit betekent dat de rechtbank € 40.000 (de twee aflossingen) en 12 x € 333 = € 3.996 (rentetermijnen tot 16 april 2026) in mindering brengt op de vorderingen.
buitengerechtelijke incassokosten
5.35.
CWB c.s. vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van de individuele gedaagden. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). CWB c.s. heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en [gedaagde] heeft dit niet betwist. CWB c.s. heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Aangezien gedaagden voor verschillende bedragen worden veroordeeld en tegenover verschillende partijen, zal per rechtsverhouding het volgende worde toegewezen:
  • de toegewezen vorderingen van CWB op [gedaagde 1] bedragen in totaal € 182.746,13 (€ 62.746,13 + € 120.000), zodat op grond van het Besluit een bedrag van € 2.602,46 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen;
  • de toegewezen vordering van CWB op [gedaagde 2] bedraagt € 59.160, zodat op grond van het Besluit een bedrag van € 1.366,60 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen;
  • de toegewezen vordering van [eiser 2] op [gedaagde 1] en [gedaagde 3] bedraagt – na aftrek van de voldane betalingen - € 76.004, zodat op grond van het Besluit een bedrag van € 1.535,04 wordt toegewezen.
proceskosten
5.36.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van CWB c.s. betalen. De proceskosten van CWB c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
607,17
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
15.103,17
5.37.
De kosten van de dagvaarding van [eiser 2] aan [gedaagde 2] van € 122,25 wordt als nodeloos veroorzaakt of aangewend afgewezen, omdat zij niets te vorderen had van [gedaagde 2] .
hoofdelijkheid
5.38.
De proceskostenveroordelingen worden zoals gevorderd (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat de koopovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan CWB te betalen een bedrag van € 62.746,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 21 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan CWB te betalen een bedrag van € 59.160, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 30 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan CWB te betalen een bedrag van € 120.000, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 20.000 met ingang van 1 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 76.004, te vermeerderen met de contractuele vertragingsrente vanaf 5 mei 2025,
6.6.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan CWB te betalen een bedrag van € 2.602,46 aan buitengerechtelijke kosten,
6.7.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan CWB te betalen een bedrag van € 1.366,60 aan buitengerechtelijke kosten,
6.8.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 1.535,04 aan buitengerechtelijke kosten,
6.9.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 15.103,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
6.10.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.Het onderzoek dat plaatsvindt op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
2.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis).
3.Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, 17 juni 2008 (Rome-I).
4.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (