Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6163

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
13/062097-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging en mishandeling met ijzeren staaf na ruzie op werkvloer

Op 28 februari 2026 ontstond een conflict tussen verdachte en zijn opdrachtgever, waarbij verdachte bedreigingen uitte en later terugkeerde met een ijzeren staaf om het slachtoffer te mishandelen. Verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag met een vuurwapen vanwege onvoldoende bewijs. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte het slachtoffer bedreigde met de woorden 'ik vermink je hele gezicht' en mishandeling pleegde met een ijzeren staaf, waarbij het slachtoffer letsel opliep aan hoofd, gezicht en bovenlichaam.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling gericht op agressiebeheersing, contact- en locatieverbod, dagbesteding en aflossing van schulden. De vrijheidsbeperkende maatregel van contact- en gebiedsverbod werd niet opgelegd omdat verdachte zich aan de voorwaarden hield.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €35.852,93. De rechtbank kende €5.385,- toe, bestaande uit €385,- materiële en €5.000,- immateriële schade, gematigd op basis van de Rotterdamse Schaal. De schadevergoeding wordt verhoogd met wettelijke rente vanaf 28 februari 2026. Verdachte is tevens veroordeeld tot betaling van kosten en een schadevergoedingsmaatregel met gijzeling bij niet-betaling.

De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte voor het bezit en gebruik van een vuurwapen door verdachte. Verdachte was 21 jaar en werd volgens advies van de reclassering en Raad voor de Kinderbescherming volgens het volwassenenstrafrecht berecht. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de impact op het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 120 uur taakstraf en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens bedreiging en mishandeling met een ijzeren staaf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/062097-26
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.R. Backers, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. S. Hakkesteeg, die waarnam voor haar collega mr. W.A. Monster, namens de benadeelde partij [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 28 februari 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
Feit 1 primair
poging tot doodslag van [benadeelde partij] door te schieten met een vuurwapen;
Feit 1 subsidiair
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [benadeelde partij] door gebruik van een vuurwapen;
Feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [benadeelde partij] ;
Feit 3
mishandeling van [benadeelde partij]
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de feiten kunnen worden bewezen. Met uitzondering van wat onder 1 primair ten laste is gelegd – de poging doodslag door te schieten met het vuurwapen op [benadeelde partij] . Daarvan moet verdachte worden vrijgesproken. Met betrekking tot feit 2 acht hij alleen voor de woorden
ik vermink je hele gezicht
voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Voor het overige dient verdachte te worden vrijgesproken.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om vast te stellen dat verdachte een vuurwapen in zijn bezit had. Voor feit 2 geldt dat verdachte kan worden veroordeeld voor het uiten van de woorden ‘ik vermink je gezicht’ en dat hij voor het overige dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het derde feit – de mishandeling – heeft de raadsvrouw verzocht haar cliënt partieel vrij te spreken van het onderdeel ‘een vuurwapen
.
3.4.
Oordeel van de rechtbank
3.3.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 28 februari 2026 heeft tussen verdachte en zijn toenmalig opdrachtgever [benadeelde partij] op twee momenten een incident plaatsgevonden. Tijdens het eerste incident zijn verdachte en [benadeelde partij] in een discussie verwikkeld geraakt. Verdachte heeft verklaard daarbij de woorden ‘ik vermink je hele gezicht’ te hebben uitgesproken. Verdachte ging vervolgens weg, waarna hij een paar uur later terugkwam en het tweede incident plaatsvond. Verdachte kwam naar eigen zeggen terug om ‘verhaal te halen’ naar aanleiding van de ruzie eerder die dag. Verdachte en [benadeelde partij] zijn naar de kantoorruimte gelopen en daar is het conflict uit het zicht van de camera’s geëscaleerd. Verdachte heeft verklaard dat hij [benadeelde partij] meerdere keren met een ijzeren staaf heeft geslagen op zijn gezicht, hoofd en bovenlichaam. [benadeelde partij] heeft verklaard dat verdachte met een vuurwapen rakelings langs zijn hoofd heeft geschoten en hem vervolgens met hetzelfde vuurwapen heeft geslagen.
Vrijspraak van feit 1
Zowel aangever als getuige [naam getuige 1] hebben verklaard dat verdachte een vuurwapen bij zich heeft gehad en daarmee eenmaal heeft geschoten. Daartegenover staat de verklaring van verdachte die heeft verklaard dat hij een ijzeren staaf bij zich had, maar heeft ontkend een vuurwapen bij zich te hebben gedragen. Ter terechtzitting is getuige [naam getuige 2] gehoord. Hij was aanwezig tijdens het tweede incident. Hij heeft verklaard geen schot te hebben gehoord en ook geen vuurwapen te hebben gezien. Nu de verklaringen geen eenduidig beeld geven of verdachte een vuurwapen bij zich droeg, zijn de uitkomsten van het forensisch onderzoek zwaarwegend. De politie heeft de bodywarmer die aangever ten tijde van het incident droeg inbeslaggenomen voor onderzoek. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft deze bodywarmer onderzocht op schotresten. Uit dit schotrestenonderzoek volgt dat op de bemonsteringen van de bodywarmer zogeheten categorie B deeltjes zijn aangetroffen. Dit zijn deeltjes die schotresten kunnen zijn, maar ook een andere herkomst kunnen hebben. Uit het rapport volgt dat het
iets waarschijnlijkeris dat het onderzochte materiaal schotresten bevat dan dat het geen schotresten bevat.
De rechtbank is van oordeel dat de uitkomst van het schotrestenonderzoek in samenhang bezien met de andere bewijsmiddelen in het dossier onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat verdachte een vuurwapen heeft gehad en dat daarmee is geschoten. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de primair tenlastegelegde poging doodslag en de subsidiair tenlastegelegde bedreiging met een vuurwapen.
Oordeel ten aanzien van feiten 2 en 3
Feit 2
Met betrekking tot feit 2 komt de rechtbank op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte dat hij de woorden ‘ik vermink je hele gezicht’ heeft geuit tot een bewezenverklaring van bedreiging met zware mishandeling. Van de overige bedreigingen genoemd in de tenlastelegging spreekt de rechtbank verdachte vrij, nu het dossier voor het uiten van deze bewoordingen onvoldoende bewijs bevat.
Feit 3
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend aangever te hebben geslagen op het gezicht, het hoofd en het bovenlichaam. Hij zou bij deze mishandeling geen vuurwapen, maar een ijzeren staaf hebben gebruikt. De rechtbank heeft met betrekking tot feit 1 al geoordeeld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte een vuurwapen voorhanden had ten tijde van het tenlastegelegde. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onderdeel ‘een vuurwapen’. De rechtbank acht de tenlastegelegde mishandeling met een ijzeren staaf bewezen op basis van de aangifte, de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het letselverslag in het dossier.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in
bijlage IIbewezen dat verdachte:
Feit 2
op 28 februari 2026 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen “ik vermink je hele gezicht”.
Feit 3
op 28 februari 2026 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld door met een ijzeren staaf op het gezicht, hoofd en bovenlichaam te slaan.
Voor zover het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is daarvoor strafbaar.

6.Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft verzocht om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie als een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een contact- en gebiedsverbod gevorderd voor de duur van twee jaren met aangever, waarbij op iedere overtreding van deze maatregel twee weken vervangende hechtenis moet worden toegepast, met een maximum van zes maanden. Ook zou deze maatregel dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest met aftrek en daarnaast een taakstraf op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend geacht. Tot slot heeft de verdediging verzocht het verzoek tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr af te wijzen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich na een ruzie op de werkvloer schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling van zijn opdrachtgever. Hierna is verdachte vertrokken, waarna hij op een later tijdstip is teruggekeerd om ‘verhaal te halen’ bij het slachtoffer. Hij bracht toen een ijzeren staaf mee. Met deze ijzeren staaf heeft verdachte het slachtoffer vervolgens mishandeld door te slaan op zijn hoofd, gezicht en bovenlichaam. Hierdoor liep het slachtoffer meerdere letsels op aan zijn hoofd, gezicht en linkerzijde van zijn lichaam. De impact op het slachtoffer blijkt ook uit zijn slachtofferverklaring, waarin hij heeft aangegeven dat hij dacht dat hij het niet zou overleven. Dat het letsel van het slachtoffer relatief beperkt is gebleven, is in ieder geval niet aan het handelen van verdachte te danken. Het wordt verdachte dan ook in het bijzonder aangerekend dat hij, na de eerdere ruzie is teruggekomen met een ijzeren staaf. In plaats van zich aan de situatie te onttrekken en weg te blijven, heeft hij bewust de confrontatie opnieuw opgezocht en daarbij explosief geweld gebruikt. Door op deze agressieve wijze te handelen, heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 27 mei 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van de reclassering van 20 mei 2026 dat over verdachte is opgesteld. Uit het rapport blijkt dat er problemen lijken te zijn bij verdachte op het gebied van de handelings- en cognitieve vaardigheden. Daarnaast lijkt verdachte onvoldoende de gevolgen van zijn handelen te kunnen overzien en kan daarom impulsief handelen. Verdachte is geschorst in deze zaak en staat onder toezicht van de reclassering. Dit schorsingstoezicht verloopt goed. De reclassering concludeert dat het psychosociale functioneren van verdachte de grootste risicofactor is om in herhaling te treden. Zij achten begeleiding en behandeling op dit gebied noodzakelijk. De reclassering adviseert daarom bij een (deels) voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling die is gericht op agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden, een contactverbod met het slachtoffer en een inspanningsplicht tot dagbesteding en aflossing van schulden.
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij bereid is mee te werken aan begeleiding door de reclassering en dat hij akkoord gaat met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Volwassenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 21 jaar oud. Bij de veroordeling van een jongvolwassene tot 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, indien omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven. De reclassering heeft geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen, onder andere omdat de mogelijkheden, noodzaak en vatbaarheid voor pedagogische sturing afwezig zijn. De reclassering heeft hiervoor advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming en zij komen tot dezelfde conclusie. De rechtbank sluit zich daarbij aan, zodat het volwassenenstrafrecht zal worden toegepast.
Straf
De rechtbank is gekomen tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, waardoor zij een minder hoge straf zal opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Bij het bepalen van de straf kijkt de rechtbank naar de oriëntatiepunten die de strafrechters landelijk hebben afgesproken (de LOVS-oriëntatiepunten). In de oriëntatiepunten geldt voor een bedreiging met zware mishandeling een geldboete van €350,-. Voor een mishandeling met behulp van een slagwapen staat een taakstraf van 120 uren.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten de oplegging van een geldboete naast een taakstraf niet passend is. Om verdachte van de ernst van zijn gedrag en deze feiten te doordringen, vindt de rechtbank, naast een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd voor de duur van 120 uren met aftrek van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbindt de rechtbank een proeftijd voor de duur van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een locatieverbod opleggen aan verdachte, zoals in het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis is geformuleerd.
Maatregel
De door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr zal de rechtbank niet opleggen. Niet is gebleken dat verdachte na 28 februari 2026 opnieuw contact met het slachtoffer heeft gezocht. Ook is niet gebleken dat verdachte de werkplaats en/of woning van het slachtoffer heeft bezocht. Hij lijkt er bovendien van doordrongen te zijn dat dit ook niet gewenst is. Voor zover nog gevreesd zou moeten worden dat dit in de toekomst zou veranderen, wordt dat gevaar ondervangen door de oplegging van de bijzondere voorwaarden.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel niet opheffen. Verdachte zal zich zodoende moeten blijven houden aan de bijzondere voorwaarden die in het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgenomen, tot het moment dat het vonnis in deze zaak onherroepelijk wordt.

7.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
- 1 STK Verdovende mid – Lachgas (omschrijving: PL1300-2026050538-6782428).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen voorwerp kan worden onttrokken aan het verkeer.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een bedrag van € 35.852,93 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 28.665,43 aan vergoeding voor materiële schade en € 7.187,50 aan vergoeding voor immateriële schade. Hij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade in zijn geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade kan gedeeltelijk worden toegewezen, waarbij de officier van justitie zich wat betreft
kosten ondersteuning op het werkrefereert aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie vordert daarbij de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de hoogte van de toe te wijzen gevorderde immateriële schade sterk te matigen. De raadsvrouw kan zich wat betreft de schadepost
lichamelijk letselniet vinden in de categorie ‘minder ernstige littekenvorming’ van de Rotterdamse schaal (misvorming aan het gezicht, paragraaf 9.2. onder E). De raadsvrouw heeft hierbij betoogd dat het litteken van [benadeelde partij] zich niet in het gezicht bevindt. Zij heeft daarom verzocht hiervoor hooguit een bedrag van € 500,- toe te wijzen. Wat betreft het
geestelijk letselheeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gestelde PTSS onvoldoende is onderbouwd met stukken en deze schadepost derhalve flink dient te worden gematigd.
Ten aanzien van de materiële schade kan volgens de raadsvrouw enkel de gevorderde schade wat betreft
kosten eigen risicoworden toegewezen, omdat de schadepost
kosten ondersteuning op het werkonvoldoende is onderbouwd. De raadsvrouw heeft daarom verzocht de vordering ten aanzien van de schadepost
kosten ondersteuning op het werkniet-ontvankelijk te verklaren.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op
kosten eigen risicois voldoende onderbouwd en niet betwist. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de mishandeling van de benadeelde partij. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit deel van de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 385,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk, omdat deze voor dat deel onvoldoende is onderbouwd.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door verdachte gepleegde mishandeling. De rechtbank gaat bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade uit van de Rotterdamse Schaal en de informatie die uit het dossier volgt. De benadeelde partij heeft aan de mishandeling een gering litteken overgehouden op zijn hoofd. De rechtbank matigt daarom het gevorderde bedrag met betrekking tot het lichamelijk letsel en zoekt daarbij aansluiting bij de ondergrens van de categorie geringe littekenvorming (misvorming van het gezicht, paragraaf 9.2. onder E). De vordering voor het lichamelijk letsel zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- .
Een benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW Pro ook recht op vergoeding van immateriële schade als hij in de persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde mede op deze grondslag is gebaseerd.
De rechtbank stelt op basis van de vordering vast dat er sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde. Uit de stukken blijkt dat [benadeelde partij] veel angst ervaart en slecht slaapt. Hoewel uit de vordering een vermoeden van PTSS-symptomen naar voren komt, is dit onvoldoende om vast te stellen dat hier daadwerkelijk sprake van is. De rechtbank matigt daarom het gevorderde bedrag met betrekking tot het geestelijk letsel en zoekt daarbij aansluiting bij de Rotterdamse schaal, de ondergrens van de categorie middelzwaar geestelijk letsel (algemeen, categorie C van paragraaf 14.1). De vordering voor het geestelijk letsel zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-.
Ook zijn er verhogingen gevorderd gebaseerd op de
Aanbeveling 5 van de Rotterdamse schaal: meervoudig letselen
Aanbeveling 3 van de Rotterdamse schaal, te weten: € 1.250,- en € 937,50. Gezien het geringe letsel dat bij [benadeelde partij] is ontstaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze verhogingspercentages toe te passen.
De immateriële schade is gelet op het voorgaande toewijsbaar tot een bedrag van in totaal € 5.000,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk
Conclusie
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.385,- bestaande uit € 385,- aan vergoeding voor materiële schade en € 5.000,- aan vergoeding voor immateriële schade.
Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en kosten
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, te weten 28 februari 2026, tot de dag dat verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Daarnaast wordt aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en moet hij de kosten betalen die [benadeelde partij] heeft gemaakt en nog moet maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. Deze kosten zijn tot nu toe begroot op nihil.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 2 en 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 2:
bedreiging met zware mishandeling
Ten aanzien van feit 3:
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf voor de duurvan
120 (honderdtwintig) uren,met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een
voorwaardelijke gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Daarbij gelden de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door Amsta of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden. Veroordeelde werkt mee aan de diagnostiek.
Contactverbod
Veroordeelde zoekt gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met het slachtoffer [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] .
Locatieverbod
Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet op het terrein van het bedrijf [naam bedrijf] , [adres] .
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De politie zal toezicht houden op de naleving van het contact- en locatieverbod.
Beslag
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan:
1 STK Verdovende mid – Lachgas (omschrijving: PL1300-2026050538-6782428).
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5.385,- (vijfduizend driehonderdvijfentachtig euro),bestaande uit
€ 385,- (driehonderdvijfentachtig euro) aan vergoeding voor materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade (28 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 5.385,- (vijfduizend driehonderdvijfentachtig euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 51 (eenenvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Timorason, voorzitter,
mrs. A.M. Grüschke en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Koppelman en B.L. Briejer, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.