Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
€ 250,00 per dag dat [eiseres] dit gebod niet naleeft, tot een maximum van € 10.000,00.
adres [eiseres]’ de volgende overweging:
Uit de BRP raadpleging van 15 december 2026 kwam dat [eiseres] per 11 december 2025 “in onderzoek” is geplaatst bij gemeente en mitsdien dus zonder woon- of verblijfplaats in Nederland of elders is.
[…]
Uit de BRP raadpleging van 15 januari 2026 (ten behoeve van het exploot opeising dwangsommen 16 januari 2026) bleek nog steeds dat [eiseres] in onderzoek stond. Nu is het zo dat een BRP-inschrijving een vermoeden geeft van iemands woonstede. Daarin is mede keuze voor openbare betekening is gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals deze ten tijde van de betekening bij bekend waren. Daarbij is in aanmerking genomen dat mevrouw [eiseres] niet beschikte over een inschrijfadres, dat haar registratie reeds gedurende geruime tijd door de gemeente in onderzoek is geplaatst, dat de woning aan [adres 2] aan een nieuwe eigenaar was verkocht, [eiseres] vastgoed heeft gekocht in Macedonie en dat door de nieuwe bewoner (mevr. [naam 1]) was medegedeeld dat mevrouw [eiseres] daar niet langer woonachtig is.
Gelet op deze omstandigheden en onderzoek van de gerechtsdeurwaarder kon geen woon- of verblijfplaats van mevrouw [eiseres] worden vastgesteld waarop betekening op “normale wijze” kon plaatsvinden. Onder deze omstandigheden resteerde voor de gerechtsdeurwaarder logischerwijs geen andere wijze dan de openbare betekening. Indien de gerechtsdeurwaarder namelijk wel aan [adres 2] had betekend, dan zou namelijk ieder der partijen het standpunt immers andersom innemen dat er niet, gegeven alle voornoemde omstandigheden, rechtsgeldig kan worden betekend aan [adres 2].
[…]
Mevrouw [eiseres] heeft met mij op 20 mei 2026 telefonisch contact opgenomen, waarbij zij aan mij vroeg waarom het beslag op haar WW-uitkering nog steeds doorliep, waarop ik haar heb aangegeven dat er dwangsommen zijn opgeeeist en dit middels een openbare betekening is gedaan, mede omdat [eiseres] al pakweg een half jaar in onderzoek is geplaatst.
3.Het geschil
primair(i) te oordelen dat het exploit nietig is wegens schending van artikel 54 lid Pro 2 (de voorzieningenrechter begrijpt: lid 4) jo. artikel 66 lid 1 Rv Pro;
(ii) het ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslag op te heffen;
subsidiair(iii) te oordelen dat [eiseres] geen dwangsommen is verbeurd, de tenuitvoerlegging te schorsen en het loonbeslag op te heffen;
in alle gevallen[gedaagde] te veroordelen
(iv) om al hetgeen dat via het loonbeslag is geïncasseerd terug te betalen, vermeerderd met rente;
(vi) in kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met rente.
4.De beoordeling
Ontvanger en Donor zullen elkaar op de hoogte houden van eventuele wijzigingen in hun woonadres”, waarnaar in het vonnis (zie 2.3) uitdrukkelijk wordt verwezen. Dat [eiseres]’s woonadres na de verkoop van [adres 2] was gewijzigd en dat [eiseres] haar nieuwe adres niet tijdig heeft doorgegeven heeft [gedaagde] al met al voldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover al juist is dat zij (tijdelijk) bij haar haar partner of haar ouders heeft verbleven had het op haar weg gelegen dit aan [gedaagde] bekend te maken.
5.De beslissing
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.