ECLI:NL:RBAMS:2026:6169

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/13/788228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 4 lid 5 donorovereenkomstArt. 54 lid 4 RvArt. 66 lid 1 RvArt. 438 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op nietigheid exploit en bevestiging verbeurde dwangsommen wegens niet tijdig doorgeven adreswijziging

Eiseres en gedaagde zijn partijen bij een donorovereenkomst waarbij gedaagde als zaaddonor heeft bijgedragen aan de geboorte van de zoon van eiseres. De rechtbank had eerder bepaald dat eiseres haar nieuwe adres binnen veertien dagen na verhuizing aan gedaagde moest doorgeven, met een dwangsom bij niet-naleving.

Eiseres verkocht haar woning en verhuisde, maar gaf haar nieuwe adres niet tijdig door. Gedaagde liet een exploit uitbrengen wegens niet-naleving van het gebod, waarop loonbeslag werd gelegd. Eiseres stelde dat het exploit nietig was wegens gebrekkige betekening en dat zij geen dwangsommen had verbeurd omdat zij tijdelijk in het buitenland verbleef en haar adres binnen de gestelde termijn had doorgegeven.

De rechtbank oordeelde dat de parketbetekening rechtmatig was omdat eiseres geen bekend verblijfadres had en de deurwaarder voldoende onderzoek had gedaan. Verder stelde de rechtbank vast dat eiseres haar adres niet tijdig had doorgegeven en dat dwangsommen terecht waren verbeurd. De vorderingen van eiseres werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en bevestigt dat zij dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet tijdig doorgeven van haar adreswijziging.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788228 / KG ZA 26-432 SP/GR
Vonnis in kort geding van 18 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. I.P. van Rossen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 1 juni 2026 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: [eiseres] met mr. Van Rossen en [gedaagde] die deelnam via een digitale videoverbinding.
1.3.
Na aanhouding is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn partijen bij een donorovereenkomst, op grond waarvan [gedaagde] als zaaddonor heeft bijgedragen aan de geboorte van de zoon van [eiseres].
2.2.
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2025 [1] (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank in een procedure die [eiseres] tegen [gedaagde] had aangespannen – in reconventie – onder meer het volgende beslist (hierna: het gebod van de rechter):
gebiedt [eiseres] om binnen veertien dagen na haar verhuizing naar haar nieuwe adres en niet eerder dan na veertien dagen na de betekening van dit vonnis, haar nieuwe adres (straat, huisnummer, postcode en woonplaats) aan [gedaagde] te verstrekken en veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van
€ 250,00 per dag dat [eiseres] dit gebod niet naleeft, tot een maximum van € 10.000,00.
2.3.
Het vonnis bevat onder het kopje ‘
adres [eiseres]’ de volgende overweging:
5.19
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiseres] naar [plaats 1] zal gaan verhuizen naar [adres 1]. [eiseres] heeft toegezegd een GBA-uittreksel over te leggen met haar nieuwe adres. In het GBA-uittreksel dat zij na de mondelinge behandeling aan de rechtbank heeft toegestuurd, staat haar (volgens [eiseres] tijdelijke) adres in [plaats 2]. [eiseres] heeft geschreven dat zij wegens haar privacy haar nieuwe adres niet wil doorgeven aan [gedaagde]. In artikel 4 lid 5 van Pro de donorovereenkomst staat dat partijen elkaar op de hoogte zullen houden van wijzigingen in hun woonadres. [gedaagde] vordert nakoming van die bepaling. Nu [eiseres] gaat verhuizen en niet vaststaat dat zij vrijwillig aan die bepaling gevolg zal geven als zij is verhuisd naar haar nieuwe adres in [plaats 1], zal de vordering van [gedaagde] om [eiseres] te gebieden haar adres door te geven, als volgt worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd.
2.4.
Op 28 september 2025 heeft [eiseres] vastgoed aangekocht in Noord-Macedonië.
2.5.
Op 7 november 2025 heeft [eiseres] haar woning aan [adres 2] te [plaats 2] (hierna: [adres 2]) verkocht aan mevrouw [naam 1].
2.6.
Het vonnis is op 17 november 2025 aan [eiseres] betekend. [eiseres] stond ten tijde van de betekening van het vonnis nog ingeschreven op [adres 2]. Dit blijkt uit een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP), afgegeven door de [gemeente] op 20 november 2025.
2.7.
Op 24 november 2025 heeft [eiseres] aan de advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:
[…] de koop woning in [plaats 1] is niet doorgegaan. Helaas meerderen biedingen zijn geweest veel hoger dan ik had verwacht. Ik ben nu verhuisd naar [plaats 2] op [adres 2]. Het BRP uittreksel van donderdag 20 november bewijst dit.
2.8.
In de periode van 11 december 2025 tot 12 mei 2026 zijn de adresgegevens van [eiseres] door de [gemeente] ‘in onderzoek geplaatst’, middels de zogenoemde VOW-status (‘vertrokken onbekend waarheen’).
2.9.
Op 16 januari 2026 heeft [gedaagde] een exploit doen uitbrengen door een gerechtsdeurwaarder, waarin het maximale bedrag aan dwangsommen van € 10.000,00 bij [eiseres] is opgeëist (hierna: het exploit) wegens niet-naleving van het gebod van de rechter. Het exploit is, bij gebrek aan bekende woon- of verblijfplaats van [eiseres] in Nederland, ‘openbaar’ betekend aan het parket van de officier van justitie bij de rechtbank Amsterdam en is op 21 januari 2026 gepubliceerd in de Staatscourant.
2.10.
Op basis van het exploit heeft [gedaagde] executoriaal loonbeslag doen leggen ten laste van [eiseres].
2.11.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 29 mei 2026 de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:
[…] Op 15 december 2025 heeft mevrouw [eiseres] mij per e-mail verzocht om een herberekening van de beslagvrije voet. In het kader van de beoordeling van dit verzoek en voor zover noodzakelijk voor een juiste vaststelling van de beslagvrije voet, heb ik op 24 december 2025 de Basisregistratie Personen
geraadpleegd teneinde de actuele woon- en gezinssituatie van mevrouw [eiseres] te verifiëren. Voor deze verificatie bestond mede aanleiding nu mevrouw [eiseres] in haar e-mail van 15 december 2025 heeft aangegeven onroerend goed in Macedonië te hebben verworven.
Uit de BRP raadpleging van 15 december 2026 kwam dat [eiseres] per 11 december 2025 “in onderzoek” is geplaatst bij gemeente en mitsdien dus zonder woon- of verblijfplaats in Nederland of elders is.
[…]
Uit de BRP raadpleging van 15 januari 2026 (ten behoeve van het exploot opeising dwangsommen 16 januari 2026) bleek nog steeds dat [eiseres] in onderzoek stond. Nu is het zo dat een BRP-inschrijving een vermoeden geeft van iemands woonstede. Daarin is mede keuze voor openbare betekening is gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals deze ten tijde van de betekening bij bekend waren. Daarbij is in aanmerking genomen dat mevrouw [eiseres] niet beschikte over een inschrijfadres, dat haar registratie reeds gedurende geruime tijd door de gemeente in onderzoek is geplaatst, dat de woning aan [adres 2] aan een nieuwe eigenaar was verkocht, [eiseres] vastgoed heeft gekocht in Macedonie en dat door de nieuwe bewoner (mevr. [naam 1]) was medegedeeld dat mevrouw [eiseres] daar niet langer woonachtig is.
Gelet op deze omstandigheden en onderzoek van de gerechtsdeurwaarder kon geen woon- of verblijfplaats van mevrouw [eiseres] worden vastgesteld waarop betekening op “normale wijze” kon plaatsvinden. Onder deze omstandigheden resteerde voor de gerechtsdeurwaarder logischerwijs geen andere wijze dan de openbare betekening. Indien de gerechtsdeurwaarder namelijk wel aan [adres 2] had betekend, dan zou namelijk ieder der partijen het standpunt immers andersom innemen dat er niet, gegeven alle voornoemde omstandigheden, rechtsgeldig kan worden betekend aan [adres 2].
[…]
Mevrouw [eiseres] heeft met mij op 20 mei 2026 telefonisch contact opgenomen, waarbij zij aan mij vroeg waarom het beslag op haar WW-uitkering nog steeds doorliep, waarop ik haar heb aangegeven dat er dwangsommen zijn opgeeeist en dit middels een openbare betekening is gedaan, mede omdat [eiseres] al pakweg een half jaar in onderzoek is geplaatst.
[eiseres] gaf vervolgens in dit telefoongesprek aan nog steeds aan [adres 2] te wonen, waarop ik aangaf dat dit verreweg niet aannemelijk is omdat zij in onderzoek is bij de gemeente geplaatst, de woning reeds is verkocht is en omdat de nieuwe bewoner mevr. [naam 1] zich begin december 2025 zich om mijn kantoor heeft gemeld ([adres 2] is dichtbij mijn kantoor) met de opmerking dat mevrouw [eiseres] daar niet meer zou wonen. Waarop ik mevr. [naam 1] heb aangegeven dat ze wellicht melding moet maken bij de gemeente, waarna vermoedelijk [eiseres] in onderzoek is geplaatst.
Op mijn antwoord verklaarde [eiseres] mij aan dat zij in afspraak met de nieuwe bewoner (“[naam 2] volgens [eiseres]”) ingeschreven (lees: dus niet woonachtig) mocht blijven staan aan [adres 2], waarop ik aangaf dat dit dus al sinds 11 december 2025 niet meer het geval is.
2.12.
Vanaf 11 mei 2026 staat [eiseres] ingeschreven op het adres [adres 3] te [woonplaats 1].
2.13.
Bij brief van haar raadsman van 21 mei 2026 heeft [eiseres] – ter nakoming van het gebod van de rechter – [gedaagde] van haar verhuizing naar [woonplaats 1] op de hoogte gesteld.

3.Het geschil

3.1.
Na wijziging van eis vordert [eiseres] – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair(i) te oordelen dat het exploit nietig is wegens schending van artikel 54 lid Pro 2 (de voorzieningenrechter begrijpt: lid 4) jo. artikel 66 lid 1 Rv Pro;
(ii) het ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslag op te heffen;
subsidiair(iii) te oordelen dat [eiseres] geen dwangsommen is verbeurd, de tenuitvoerlegging te schorsen en het loonbeslag op te heffen;
in alle gevallen[gedaagde] te veroordelen
(iv) om al hetgeen dat via het loonbeslag is geïncasseerd terug te betalen, vermeerderd met rente;
(v) binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een gespecificeerde opgave te verstrekken van de via het loonbeslag geïncasseerde bedragen, op straffe van een dwangsom;
(vi) in kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met rente.
3.2.
[eiseres] legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat het exploit gebrekkig is betekend. Parketbetekening op grond van artikel 54 lid 4 Rv Pro is een laatste redmiddel en slechts toegestaan wanneer zowel de woonplaats als het werkelijk verblijf van de geëxecuteerde onbekend zijn. Niet-naleving van de betekeningsvoorschriften leidt ingevolge artikel 66 lid 1 Rv Pro tot nietigheid, voor zover aannemelijk is dat de betrokkene door het gebrek onredelijk is benadeeld. Op de executant rust in dat verband een actieve onderzoeksplicht; die moet ten minste de BRP raadplegen en, indien daar een (recent) adres uit blijkt, een poging tot betekening op dat adres doen alvorens tot parketbetekening wordt overgegaan. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] daaraan toegevoegd dat de gerechtsdeurwaarder het hem beschikbare e-mailadres van [eiseres] had kunnen benutten om haar werkelijke adres te achterhalen.
3.3.
[eiseres] legt aan haar subsidiaire vordering ten grondslag dat de dwangsommen niet zijn verbeurd. Zij heeft voldaan aan het gebod van de rechter. [eiseres] was verplicht haar nieuwe adres door te geven binnen veertien dagen na een verhuizing en dat heeft zij gedaan. Zij is pas op 12 mei 2026 verhuisd naar een nieuw adres (zie 2.12). In de periode december 2025 tot en met februari 2026 heeft zij bijna drie maanden bij haar ouders in het buitenland verbleven. In die periode beschikte zij niet over een feitelijk woonadres in Nederland en had zij geen toegang tot DigiD voor een digitale BRP-wijziging. Binnen 14 dagen nadat zij was verhuisd naar een nieuw adres (in [woonplaats 1]) heeft zij dit doorgegeven aan [gedaagde]. [gedaagde] – op wie de bewijslast rust – heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat dwangsommen zijn verbeurd.
3.4.
[gedaagde] voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

het exploit is niet nietig
4.1.
Dat het exploit nietig is wordt niet gevolgd. De parketbetekening op grond van artikel 54 lid 4 Rv Pro was de aangewezen weg. Uit de verklaring van de gerechtsdeurwaarder (zie 2.11) blijkt dat hij onderzoek heeft gedaan, dat de inschrijving van [eiseres] op [adres 2] niet actueel was en dat de (nieuwe) bewoner bevestigde dat [eiseres] daar niet meer woonde.
4.2.
[eiseres] neemt in dit verband overigens ook een tegenstrijdig standpunt in. Bij dagvaarding heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de gerechtsdeurwaarder een poging had moeten doen om het exploit op [adres 2] te betekenen, waar ze naar eigen zeggen nog verbleef, terwijl ze ter gelegenheid van de mondelinge behandeling voor het eerst heeft aangevoerd dat zij vanaf medio december 2025 tot medio maart 2026 in het buitenland verbleef en dat haar spullen destijds in een berging stonden opgeslagen. Uit dit laatste standpunt volgt dat [eiseres] op het moment van betekening van het exploit geen bekende woon- of verblijfplaats had, zodat een openbare betekening op grond van artikel 54 Rv Pro in de rede lag.
4.3.
[eiseres] stelt dat de gerechtsdeurwaarder – en daarmee [gedaagde] – niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. De verklaring van de gerechtsdeurwaarder geeft evenwel blijk van voldoende onderzoeksactiviteiten. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld waarin het onderzoek van de gerechtsdeurwaarder tekortschiet. Dat de gerechtsdeurwaarder in de gegeven omstandigheden ook had moeten betekenen op [adres 2] of daar een aangetekend schrijven naartoe had moeten sturen of navraag had behoren te doen bij ‘bekende instanties’ valt niet in te zien. Waar [eiseres] zelf steeds onduidelijk is geweest over haar werkelijke verblijfplaats kan zij ook niet aan de deurwaarder tegenwerpen dat hij niet via haar e-mailadres heeft geprobeerd die te achterhalen.
4.4.
Dat de gerechtsdeurwaarder – zoals uit zijn verklaring volgt – begin december 2025 aan de nieuwe bewoner van [adres 2] heeft gesuggereerd om bij de gemeente te melden dat [eiseres] niet langer op [adres 2] woonachtig was, betekent verder niet dat de wijziging van [eiseres]’s gegevens in het BRP naar een VOW-status aan hem kan worden toegerekend, laat staan dat hij om die reden niet tot openbare betekening mocht overgaan.
dwangsommen zijn verbeurd
4.5.
Het gaat hier kort gezegd om de vraag of [gedaagde] terecht aanspraak maakt op door [eiseres] verbeurde dwangsommen, wegens het niet nakomen van het gebod van de rechter.
4.6.
Het uitgangspunt hierbij is dat de rechter in een dergelijk executiegeschil (op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro), waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel niet of onvoldoende is nageleefd, de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen dient te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, rusten in de executiefase op de executant. In kort geding zijn de wettelijke regels van bewijsrecht niet van toepassing, in die zin dat er in beginsel geen plaats is voor nadere bewijslevering. Voldoende is dat de aangevoerde feiten aannemelijk zijn.
4.7.
[gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiseres] het gebod van de rechter niet is nagekomen en dwangsommen heeft verbeurd. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.8.
Het gebod van de rechter is tot stand gekomen omdat op de mondelinge behandeling in de desbetreffende procedure op 17 september 2025 duidelijk was geworden dat [eiseres] op korte termijn naar [plaats 1] zou gaan verhuizen en dat zij niet vrijwillig haar nieuwe adres aan [gedaagde] bekend wilde maken. Na de betekening van het vonnis heeft [eiseres] op 24 november 2025 (zie 2.7) aan [gedaagde] doorgegeven dat zij was verhuisd naar [adres 2]. [gedaagde] heeft daarna (tot 21 mei 2026) geen adreswijziging van [eiseres] doorgekregen, terwijl vaststaat dat [eiseres] haar woning aan [adres 2] op 7 november 2025 heeft verkocht en – naar inmiddels mag worden aangenomen – daar sedertdien ook niet meer woonde. In dat verband hecht de voorzieningenrechter waarde aan de verklaring van de gerechtsdeurwaarder, die de nieuwe eigenaar begin december 2025 heeft gesproken, die hem bevestigde dat [eiseres] daar niet meer woonde. [eiseres] heeft bovendien zelf op de mondelinge behandeling verklaard – zonder dit verder concreet te onderbouwen – dat zij [adres 2] als postadres mocht blijven aanhouden van de nieuwe bewoner en na de verkoop heeft verbleven bij haar partner en bij haar ouders in het buitenland. De stelling in de dagvaarding dat [eiseres] gewoon op haar adres aan [adres 2] verbleef verhoudt zich dan ook niet goed met artikel 21 Rv Pro. Hetzelfde geldt voor de stelling ‘dat er geen nieuw adres was om door te geven’. Het doel en de strekking van het gebod van de rechter is immers dat [gedaagde] de woonplaats van [eiseres] kent binnen 14 dagen na haar feitelijke verhuizing. Dat kan ook worden afgeleid uit artikel 4, lid 5 van het donorcontract: “
Ontvanger en Donor zullen elkaar op de hoogte houden van eventuele wijzigingen in hun woonadres”, waarnaar in het vonnis (zie 2.3) uitdrukkelijk wordt verwezen. Dat [eiseres]’s woonadres na de verkoop van [adres 2] was gewijzigd en dat [eiseres] haar nieuwe adres niet tijdig heeft doorgegeven heeft [gedaagde] al met al voldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover al juist is dat zij (tijdelijk) bij haar haar partner of haar ouders heeft verbleven had het op haar weg gelegen dit aan [gedaagde] bekend te maken.
slotsom
4.9.
Gelet op het voorgaande zullen de primaire en subsidiaire vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
proceskosten
4.10.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 1.414,00 aan griffierecht.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.414,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.