Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6235

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/13/785683 / HA ZA 26-301
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 225 RvArt. 10:3 BWArt. 15 lid 1 Haags BetekeningsverdragArt. 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen curator na faillissement stichting

De rechtbank Amsterdam behandelde een incident in een bodemprocedure waarin eisers, een stichting en haar bestuurder, een voorlopige voorziening vorderden tegen de curator van de stichting. De stichting was failliet verklaard in de Russische Federatie, en de curator wilde overgaan tot uitwinning van het vermogen, waaronder een vordering op een voormalig zakenpartner.

Eisers stelden dat het faillissement niet rechtsgeldig was en dat de curator onrechtmatig handelde door de vordering te willen veilen. Zij vorderden een verbod op uitwinning en een dwangsom. De curator was echter niet verschenen in de procedure, en de rechtbank stelde vast dat de rechtsopvolger van de curator niet automatisch partij werd zonder de juiste procedure te volgen.

De rechtbank oordeelde dat de voorlopige voorziening niet toewijsbaar was omdat de vordering zich richtte tegen de rechtsopvolger, terwijl de procedure nog tegen de oorspronkelijke curator liep. Ook was nog geen verstek verleend tegen de curator vanwege onduidelijkheden over betekening volgens het Haags Betekeningsverdrag. De vordering werd afgewezen en eisers werden veroordeeld in de kosten van het incident.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening af wegens procedurele bezwaren en onduidelijkheid over rechtsopvolging van de curator.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/785683 / HA ZA 26-301
Vonnis in incident van 17 juni 2026
in de zaak van

1.STICHTING [eiser 1],

te [vestigingsplaats 1],
2.
[eiser 2],
te [woonplaats] (Cyprus),
eisende partijen in de hoofdzaak en in het incident,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. N. Overeem,
tegen
[gedaagde] Q.Q., in haar hoedanigheid van curator van [eiser 1], dan wel haar rechtsopvolger,
te [vestigingsplaats 2] (Russische Federatie),
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 december 2025, met producties,
- bij het aanbrengen van de dagvaarding door [eiser 1] en [eiser 2] overgelegde stukken, getiteld “Correspondentie en stukken met betrekking tot de oproeping van de curator qq in de onderhavige procedure”,
- het bericht van de rechtbank van 22 april 2026 dat nog geen verstek kan worden verleend tegen [gedaagde],
- de akte van [eiser 1] en [eiser 2] van 22 april 2026, met één bijlage,
- de incidentele vordering voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro van [eiser 1] en [eiser 2] van 6 mei 2026, met producties,
- het bericht van de rechtbank van 20 mei 2026,
- het bericht van mr. Overeem van 21 mei 2026,
- het bericht van de rechtbank van 27 mei 2026,
- het bericht van mr. Overeem van 1 juni 2026,
- het bericht van de rechtbank van 9 juni 2026.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten voor zover van belang in het incident

2.1.
[eiser 1] is een stichting naar Nederlands recht. [eiser 2] is de enig bestuurder van [eiser 1].
2.2.
[naam 1] (hierna: [naam 1]) is een voormalig zakenpartner van [eiser 2].
2.3.
Bij vonnis van 28 juni 2017 heeft deze rechtbank [naam 1] veroordeeld om een bedrag van ruim 2,4 miljoen Amerikaanse dollar (USD) aan [eiser 1] te betalen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. [naam 1] heeft niet vrijwillig aan deze veroordeling voldaan. Na executiemaatregelen heeft [eiser 1] € 401.000,- en USD 115.000,- ontvangen. Voor het overige is de vordering onbetaald gebleven.
2.4.
Op 12 december 2024 heeft [naam 1] een aanvraag gedaan bij de arbitragerechtbank in Moskou om [eiser 1] failliet te laten verklaren. De arbitragerechtbank in Moskou heeft op 17 juni 2025 het faillissement van [eiser 1] uitgesproken en [gedaagde] benoemd als curator. [gedaagde] heeft aangekondigd tot uitwinning van het vermogen van [eiser 1] over te gaan door het verkopen van de vordering van [eiser 1] op [naam 1] op een executieveiling.
[eiser 1] heeft in de Russische Federatie tevergeefs hoger beroep ingesteld tegen het faillissementsvonnis. Daarna heeft [eiser 1] cassatie ingesteld bij het Hof van Cassatie in de Russische Federatie.
2.5.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben in november 2025 een kort geding aanhangig gemaakt bij deze rechtbank tegen [gedaagde]. Bij vonnis van 4 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verstek verleend tegen [gedaagde] en haar verboden over te gaan tot het uitwinnen van enig vermogensbestanddeel van [eiser 1] in de ruimste zin, waar deze zich ook bevindt, totdat in een door [eiser 1] te entameren bodemprocedure binnen vier weken na dit vonnis onherroepelijk over de rechtmatigheid en rechtsgeldigheid van het in de Russische Federatie gewezen faillissement van [eiser 1] zal zijn beslist en totdat [eiser 1] geen rechtsmiddelen meer ten dienste staan in de Russische Federatie tegen de faillietverklaring van [eiser 1].

3.De vordering in de hoofdzaak

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat het in de Russische Federatie uitgesproken faillissement van [eiser 1] niet rechtsgeldig is en dat het in het kader van de afwikkeling van dat Russische faillissement uitwinnen van enig vermogensbestanddeel van [eiser 1] in de ruimste zin, waar dit vermogensbestanddeel zich ook bevindt, een onrechtmatige daad oplevert jegens [eiser 1];
II. de curator van [eiser 1] verbiedt om over te gaan tot het uitwinnen van enig vermogensbestanddeel, waar dit zich ook bevindt, van [eiser 1] in de ruimste zin, waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend de vordering van [eiser 1] op [naam 1], vastgesteld bij vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 28 juni 2017, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,000,-- per overtreding;
III. de curator veroordeelt tot vergoeding van alle schade die [eiser 1] lijdt of zal lijden indien en voorzover de curator zal overgaan tot het uitwinnen van enig vermogensbestanddeel van [eiser 1], nader op te maken bij staat en te vereffen volgens de wet;
IV. voor recht verklaart dat [eiser 2] niet aansprakelijk is voor de schuld van [eiser 1] aan de faillissementsboedel van [naam 1] en de curator verbiedt om over te gaan tot het uitwinnen van enig vermogensbestanddeel van [eiser 2] in de ruimste zin, waar dit vermogensbestanddeel zich ook bevindt, eveneens op straffe van een dwangsom van € 1.000,000,-- per gebeurtenis;
V. de curator veroordeelt tot vergoeding van alle schade die [eiser 2] lijdt of zal lijden indien en voorzover de curator zal overgaan tot het uitwinnen van enig vermogensbestanddeel van [eiser 2], nader op te maken bij staat en te vereffen volgens de wet;
VI. de curator veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de betekening van het te dezer zake te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
Aan de vorderingen leggen [eiser 1] en [eiser 2] ten grondslag, kort samengevat, dat het in de Russische Federatie uitgesproken faillissement van [eiser 1] niet rechtsgeldig is. [eiser 1] is een stichting naar Nederlands recht en daarmee onderworpen aan Nederlands faillissementsrecht. Het is niet mogelijk om vermogensbestanddelen van [eiser 1] uit te winnen uit hoofde van een onbevoegd uitgesproken faillissement in de Russische Federatie.
3.3.
In de akte van 22 april 2026 hebben [eiser 1] en [eiser 2] meegedeeld dat het Hof van Arbitrage te Moskou bij beschikking van 13 februari 2026 [gedaagde] heeft ontheven van haar taken als curator van [eiser 1] en dat [naam 2] is benoemd tot nieuwe curator. [eiser 1] en [eiser 2] verzoeken de rechtbank om in het te wijzen vonnis als gedaagde aan te merken: “[naam 2] QQ in zijn hoedanigheid van curator van [eiser 1]”. [eiser 1] en [eiser 2] stellen hierbij belang te hebben in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis in de Russische Federatie.

4.De vordering in het incident

4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat de rechtbank bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro voor de duur van de bodemprocedure bij vonnis in incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de curator van [eiser 1], [naam 2] , rechtsopvolger van [gedaagde] in haar hoedanigheid van voormalig curator van [eiser 1], dan wel zijn rechtsopvolger(s), verbiedt om over te gaan tot het uitwinnen van enig vermogensbestanddeel van [eiser 1] in de ruimste zin, waar dit vermogensbestanddeel zich ook bevindt, waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend de vordering van [eiser 1] op [naam 1], vastgesteld bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2017, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,-- voor iedere overtreding van dit verbod dan wel voor iedere dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, zulks naar keuze van [eiser 1] en [eiser 2];
II. de curator van [eiser 1] veroordeelt in de kosten van het incident.
4.2.
Aan deze vordering leggen [eiser 1] en [eiser 2] onder meer het volgende ten grondslag.
4.2.1.
[eiser 1] heeft een vordering op [naam 1] van circa zes miljoen USD. Die vordering is het enige relevante vermogensbestanddeel van [eiser 1]. In weerwil van het kort geding vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2025 heeft de huidige curator, [naam 2], de veiling van de vordering van [eiser 1] op [naam 1] opnieuw geagendeerd. De aangekondigde veiling vormt een overtreding van het verbod dat aan de curator is opgelegd in het kort geding vonnis van 4 december 2025.
4.2.2.
Aangezien een (verstek)vonnis in de hoofdzaak mogelijk pas na de veiling zal worden gewezen, hebben [eiser 1] en [eiser 2] er belang bij het gevraagde verbod in de hoofdzaak bij wege van voorlopige voorziening te verkrijgen. Indien de veiling doorgang zal vinden, zal de vordering van [eiser 1] op [naam 1] waarschijnlijk worden opgekocht door relaties van [naam 1] voor een minimaal bedrag, waardoor [eiser 1] definitief en onomkeerbaar haar vermogen wordt ontnomen.
4.2.3.
Met het in kort geding gewezen vonnis kan de veiling niet worden voorkomen, omdat daarin staat dat het verbod [gedaagde] treft maar niet dat het verbod ook een eventuele opvolgend curator treft. De advocaten van [eiser 1] en [eiser 2] in de Russische Federatie hebben laten weten dat het van cruciaal belang is dat in een eventueel vonnis de naam van de huidige curator uitdrukkelijk is opgenomen.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
In het kader van dit incident zal de rechtbank er voorlopig van uitgaan dat zij bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, zodat die veronderstelde bevoegdheid er eveneens is ten aanzien van de incidentele vordering.
5.2.
Op grond van artikel 10:3 BW Pro is Nederlands procesrecht van toepassing op de voor het incident van belang zijnde procesrechtelijke kwesties, behalve daar waar die procesrechtelijke kwesties worden beheerst door verdragen.
De bevoegdheid om voorlopige maatregelen te treffen
5.3.
Ingevolge artikel 223 Rv Pro kan de rechter tijdens een aanhangig geding desgevorderd een voorlopige voorziening treffen voor de duur van het geding. De daartoe strekkende vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak.
5.4.
Uitgangspunt is dat het treffen van een voorlopige voorziening tegen een gedaagde partij pas mogelijk is, nadat die partij in het geding is verschenen of tegen haar verstek is verleend. In de hoofdzaak is [gedaagde] niet verschenen. De beslissing tot verstekverlening is aangehouden, omdat [eiser 1] en [eiser 2] nog geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat voor de betekening of kennisgeving van het exploot van dagvaarding is voldaan aan de voorschriften van artikel 15 lid 1 van Pro het hier toepasselijke Haags Betekeningsverdrag 1965 (hierna: het Betekeningsverdrag).
5.5.
Op grond van artikel 15 lid 3 van Pro het Betekeningsverdrag belet het bepaalde in artikel 15 niet Pro dat door de rechter in spoedeisende gevallen voorlopige of conservatoire maatregelen kunnen worden genomen. Blijkens de wordingsgeschiedenis van deze uitzonderingsbepaling kan het spoedeisende karakter van een procedure eraan in de weg staan dat de rechter, zoals voorgeschreven in artikel 15 lid Pro 1, zijn beslissing aanhoudt totdat is gebleken dat aan de in die bepaling gestelde vereisten is voldaan. Op grond van artikel 15 lid 3 van Pro het Betekeningsverdrag kan de voorzieningenrechter dan ook in een kort geding verstek tegen een in het buitenland woonachtige gedaagde verlenen zonder dat "in spoedeisende gevallen" behoeft te blijken dat aan de voorwaarden van artikel 15 is Pro voldaan (Hoge Raad 14 december 2007 [1] ). Naar de rechtbank aanneemt, geldt dit ook indien de voorlopige maatregelen niet in kort geding bij de voorzieningenrechter maar bij wijze van voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro in een bodemprocedure worden gevorderd.
5.6.
In zijn uitspraak van 14 december 2007 heeft de Hoge Raad over de toepassing van artikel 15 lid 3 geoordeeld Pro dat wel zoveel mogelijk zal moeten zijn gewaarborgd dat een uitgebracht exploot degene voor wie het is bestemd daadwerkelijk bereikt en - indien het om een dagvaarding gaat - zo tijdig dat deze nog de mogelijkheid heeft verweer te voeren.
5.7.
In dit geval is de door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderde voorlopige voorziening niet opgenomen in de dagvaarding maar in de nadien genomen afzonderlijke akte van 6 mei 2026. De vraag is of in dat geval de hiervoor geschetste bevoegdheid van artikel 15 lid 3 van Pro het Betekeningsverdrag ook van toepassing is. Het antwoord op die vraag kan in het midden blijven, omdat ook als die bevestigend zou worden beantwoord, de gevorderde voorlopige voorziening niet toewijsbaar is. Daarvoor is het volgende redengevend.
Hoofdzaak tegen [gedaagde], incidentele vordering tegen [naam 2]
5.8.
Gedaagde in de hoofdzaak is [gedaagde], terwijl de incidentele vordering zich richt tegen [naam 2]. Hierover hebben [eiser 1] en [eiser 2] toegelicht dat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de hoofdzaak bekend was dat [gedaagde] om haar ontslag als curator had gevraagd, maar dat toen nog niet bekend was wie als opvolgend curator zou worden benoemd. Dat in de dagvaarding als gedaagde is aangeduid “[gedaagde] qq, dan wel haar rechtsopvolger” kan er echter niet toe leiden dat zonder de door Rv voorgeschreven procedure te volgen een rechtsopvolger van [gedaagde] gedaagde partij in deze procedure wordt.
5.9.
Op grond van artikel 225 lid 1 onder Pro c Rv is grond voor schorsing van het geding: het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak.
Onder deze schorsingsgrond valt ook het geval waarin een curator wordt ontslagen. [2] Een curator verliest zijn (proces)vertegenwoordigingsbevoegdheid door ontslag. Daarmee is bij opvolging van de faillissementscurator sprake van een (mogelijke) partijwisseling.
5.10.
Schorsing op grond van artikel 225 lid 1 Rv Pro gebeurt niet van rechtswege maar moet worden ingeroepen bij akte. Uit het bericht van 1 juni 2026 van de advocaat van [eiser 1] en [eiser 2] blijkt dat zij niet hebben bedoeld de schorsing in te roepen en dat ook niet alsnog wensen te doen. Dat betekent dat het geding in de hoofdzaak wordt voortgezet tegen de oorspronkelijke gedaagde partij: [gedaagde]. Met het eerder bij akte van 22 april 2026 gedane verzoek om eenvoudigweg [naam 2] in plaats van [gedaagde] aan te merken als de gedaagde partij kan, gelet op het voorgaande, niet worden bewerkstelligd dat een andere partij dan de gedagvaarde partij als gedaagde wordt aangemerkt.
5.11.
Nu [gedaagde] (nog steeds) de gedaagde partij in de hoofdzaak is, maar de vordering in het incident zich niet tegen haar maar tegen [naam 2] richt, is reeds hierom die vordering niet toewijsbaar. Daarmee wordt niet toegekomen aan de vraag of voldoende mate van zekerheid bestaat dat [naam 2] daadwerkelijk en tijdig heeft kunnen kennisnemen van zowel de (aan [gedaagde]) uitgebrachte dagvaarding als de akte van 6 mei 2026 waarin de incidentele vordering is vervat.
Conclusie
5.12.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen. [eiser 1] en [eiser 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de vordering af,
6.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,
in de hoofdzaak
6.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
1 juli 2026voor de overlegging van betekeningsstukken,
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.