ECLI:NL:RBAMS:2026:6356

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12007662 \ CV EXPL 25-17077
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling niet-verjaarde facturen voor boekhoudkundige werkzaamheden

Eiser heeft tussen april 2019 en oktober 2021 boekhoudkundige werkzaamheden verricht voor de onderneming van gedaagde en daarvoor facturen gestuurd. Gedaagde betaalde deze facturen niet en stelde dat de facturen uit 2019 en 2020 verjaard zijn en dat de factuur uit 2021 onterecht is omdat de onderneming per eind 2020 is opgeheven.

De rechtbank oordeelt dat tussen partijen een overeenkomst bestond en dat de facturen uit 2019 en 2020 verjaard zijn omdat de aanmaningen naar een niet-bestaand adres zijn gestuurd en onvoldoende bewijs is geleverd van ontvangst via e-mail. De facturen uit 2020 en 2021 zijn niet verjaard vanwege een stuitingshandeling via WhatsApp in februari 2025 waarop gedaagde reageerde.

De stelling van gedaagde dat de factuur uit 2021 onterecht is wegens opheffing van de onderneming wordt verworpen, omdat boekhoudkundige werkzaamheden ook na opheffing kunnen plaatsvinden. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de niet-verjaarde facturen, wettelijke handelsrente vanaf 24 februari 2025, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van niet-verjaarde facturen, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12007662 \ CV EXPL 25-17077
991
Vonnis van 22 mei 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam eiser] ( [handelsnaam eiser] ),
wonende en zaakdoende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 december 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het instructievonnis van 15 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling.
1.2.
[eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een aanvullende productie overgelegd.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. [eiser] is verschenen, met [naam] namens de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.4.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in de periode van 1 april 2019 tot en met oktober 2021 boekhoudkundige werkzaamheden verricht ten behoeve van (de inmiddels opgeheven onderneming van) [gedaagde] .
2.2.
Voor de boekhoudkundige werkzaamheden heeft [eiser] facturen opgemaakt. De facturen dateren van 12 juli 2019, 13 februari 2020, 1 augustus 2020 en 3 november 2021 en bedragen respectievelijk € 258,46, € 33,40, € 1.512,50 en € 221,79. De facturen zijn als volgt geadresseerd: [adres] , [postcode] , [woonplaats] .
2.3.
[gedaagde] heeft voornoemde facturen niet betaald. [eiser] heeft meerdere aanmaningen gestuurd, die gelijk zijn geadresseerd als de facturen (zie 2.2).
2.4.
Op 24 februari 2025 heeft [eiser] via WhatsApp een bericht aan [gedaagde] gestuurd, waarbij hij reclameert over de facturen. Als bijlage zat een overzicht met de openstaande vordering. Op dit bericht heeft [gedaagde] gereageerd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
€ 2.026,15 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 3 december 2025 tot de dag van betaling,
€ 1.253,13 aan vervallen wettelijke handelsrente tot 3 december 2025,
€ 303,92 aan invorderingskosten (buitengerechtelijke kosten),
e proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt dat hij in opdracht en voor rekening van (de eenmanszaak van) [gedaagde] boekhoudkundige werkzaamheden heeft verricht, hij daarvoor de onder 2.2 genoemde facturen heeft gestuurd en dat [gedaagde] deze facturen onbetaald heeft gelaten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Volgens [gedaagde] zijn de vorderingen uit 2019 en 2020 verjaard. Er heeft geen geldige stuiting plaatsgevonden. Alle brieven zijn gestuurd naar een niet bestaand fysiek adres en een latere e-mail heeft [gedaagde] niet bereikt. De factuur uit 2021 is onterecht, omdat de onderneming van [gedaagde] per 31 december 2020 is opgeheven, [gedaagde] in 2021 geen opdracht aan [eiser] heeft verstrekt en ook geen werkzaamheden zijn afgenomen. Bij gebrek van verzuim en een correcte 14-dagenbrief zijn de gevorderde rente en kosten niet verschuldigd.
3.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter heeft ter zitting beslist dat de aanvullende productie van [eiser] (zie 1.2) buiten beschouwing blijft vanwege strijd met de goede procesorde, nu deze minder dan 24 uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling is ingediend en [gedaagde] daar niet adequaat op heeft kunnen reageren.
4.2.
[gedaagde] heeft niet betwist dat tussen partijen een overeenkomst heeft bestaan, op grond waarvan [eiser] ten behoeve van haar (inmiddels opgeheven) onderneming boekhoudkundige werkzaamheden heeft verricht. Het betreft een zakelijke overeenkomst, zodat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde is.
4.3.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de facturen uit 2019 en 2020 zijn verjaard. In dat kader is de adressering van de facturen en de betalingsherinneringen van belang. Deze adressering is niet bestaand. De combinatie van de postcode en de plaatsnaam maakt dat het onaannemelijk is dat deze [gedaagde] (via de post) hebben bereikt. [eiser] heeft in dat kader ter zitting aangevoerd dat de facturen per e-mail zijn verstuurd, maar dat standpunt heeft hij, tegenover de gemotiveerde betwisting van ontvangst door [gedaagde] en bij gebreke van stukken waaruit dat blijkt, onvoldoende onderbouwd. Ter zitting heeft [eiser] verder aangevoerd dat hij op 24 februari 2025 een WhatsApp bericht met een overzicht van de openstaande facturen aan [gedaagde] heeft gestuurd (zie 2.4), waarop [gedaagde] heeft gereageerd. In haar reactie heeft [gedaagde] volgens [eiser] onder meer te kennen gegeven dat zij betalingsproblemen ondervindt en dat waarschijnlijk een betalingsregeling noodzakelijk is. [gedaagde] heeft dit ter zitting erkend. Dat maakt dat op dat moment een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, die [gedaagde] heeft bereikt, zodat van verjaring van de facturen van 1 augustus 2020 en 3 november 2021 geen sprake kan zijn. De facturen van 12 juli 2019 en 13 februari 2020 zijn, gelet op het voorgaande, wel verjaard.
4.4.
Het verweer van [gedaagde] dat zij de factuur van 3 november 2021 niet is verschuldigd omdat haar onderneming per 31 december 2020 is opgeheven wordt verworpen, nu dit verweer door [eiser] voldoende gemotiveerd is weersproken. Bovendien betreft het boekhoudkundige werkzaamheden, die naar hun aard vaak achteraf plaatsvinden, zodat de omstandigheid dat na opheffing van de onderneming werkzaamheden hebben plaatsgevonden niet direct hoeft te leiden dat deze niet zijn verricht ten behoeve van de onderneming. Dat [gedaagde] geen opdracht zou hebben gegeven voor de werkzaamheden is door [eiser] , mede onder verwijzing naar de reactie van [gedaagde] op het hiervoor besproken WhatsApp bericht, voldoende gemotiveerd weersproken. Het overige verweer van [gedaagde] , waaronder dat zij geen weet had van de facturen omdat haar man haar altijd uit de wind hield bij dit soort kwesties en haar moeilijke (financiële) situatie, kan niet leiden tot het oordeel dat de niet verjaarde facturen niet verschuldigd zijn.
4.5.
Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de facturen van 1 augustus 2020 en 3 november 2021 moet betalen. Deze bedragen in totaal € 1.734,29.
4.6.
Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] eerder dan 24 februari 2025 kennis heeft genomen van de facturen, wordt de wettelijke handelsrente vanaf die datum toegewezen over het hiervoor genoemde bedrag. Dat betekent, nu twee van de vier facturen zijn verjaard, dat het gevorderde bedrag van € 1.253,12 aan vervallen wettelijke handelsrente wordt afgewezen.
4.7.
De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar, nu [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Een brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is in dit geval niet vereist, nu het gaat om een zakelijke overeenkomst. Het gevorderde bedrag wordt gematigd naar het bedrag dat voortvloeit uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten bij de toegewezen hoofdsom. Dat vertaalt zich naar een bedrag van € 260,14.
4.8.
[gedaagde] is bij deze uitkomst grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
886,16

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.734,29 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van 24 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 260,14 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 886,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
991