ECLI:NL:RBAMS:2026:6375

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/13/783609
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzagevordering inzake correspondentie over schadevergoeding arbeidsongeval 1997 gedeeltelijk toegewezen

Eiser, voormalig uitzendkracht bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente, liep in 1997 ernstig letsel op door een arbeidsongeval. De gemeente erkende destijds aansprakelijkheid voor een deel van de schade en vergoedde diverse posten. De zaak werd jarenlang door advocaat gedaagde behandeld, die door eiser aansprakelijk wordt gesteld voor het laten verjaren van vorderingen.

In een incident verzocht gedaagde inzage in correspondentie tussen eiser, de gemeente en diens accountant over de schadeafwikkeling. De rechtbank oordeelde dat gedaagde slechts gedeeltelijk belang had bij inzage. Inzage werd toegestaan in correspondentie tussen de gemeente en eiser zelf vanaf 15 december 2003, relevant voor de verjaringsvraag. Inzage in correspondentie tussen eiser en gedaagde werd afgewezen omdat gedaagde al toegang had tot het dossier.

De rechtbank wees ook het beroep van de gemeente af dat er geen rechtsbetrekking zou zijn met gedaagde, omdat eiser zijn vordering op de gemeente aan gedaagde had gecedeerd. De proceskosten werden gecompenseerd en verdere beslissingen in de hoofdzaak werden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de inzagevordering gedeeltelijk toe en bepaalt termijnen voor verstrekking van inzage en afschriften, met kostencompensatie en aanhouding van verdere beslissingen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/783609 / HA ZA 26-151
Vonnis in incident van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.A. van Veen,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.
en
GEMEENTE AMSTELVEEN,
gevestigd in Amstelveen,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. T. Jaspers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties,
- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,
- de incidentele conclusie voor alle weren ex artikel 194 en Pro 195 Rv van [gedaagde] ,
- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] , met producties,
- de conclusie van antwoord in het incident van de gemeente.
1.2.
Het vonnis in incident is bepaald op vandaag.

2.De feiten, voor zover van belang in incident

2.1.
[eiser] heeft bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente gewerkt. Hij werd door de gemeente als uitzendkracht ingehuurd. Op 26 september 1997 is hij beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden.
2.2.
Op 21 december 1998 heeft de gemeente aan de toenmalige advocaat van [eiser] laten weten dat het college van B&W van de gemeente op 6 januari 1998 de aansprakelijkheid voor de letselschade van [eiser] heeft erkend. De gemeente heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van [eiser] aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris.
2.3.
In april 2006 heeft advocaat [gedaagde] de zaak overgenomen van zijn voorganger. De toenmalige kantoorgenoot van [gedaagde] heeft tussen 18 augustus 2006 tot en met 11 november 2008 met de gemeente contact gehad over vergoeding van andere schadeposten als gevolg van het ongeval van [eiser] . [gedaagde] heeft [eiser] tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van [eiser] .
2.4.
Op 13 maart 2024 hebben de nieuwe advocaten van [eiser] de gemeente laten weten dat de schade van [eiser] nog niet volledig is vergoed en dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft.
2.5.
Op 7 april 2025 heeft de gemeente [eiser] laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade van [eiser] , maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004.
2.6.
In april en mei 2025 hebben de advocaten van [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van [gedaagde] van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eiser] per 11 november 2013.
2.7.
Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door [eiser] gestarte kort gedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat [gedaagde] € 55.500,00 aan [eiser] betaalt onder de voorwaarde dat [eiser] de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan [gedaagde] cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een bodemprocedure betrokken.

3.De vordering in de hoofdzaak

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
1) bij tussenvonnis bepaalt dat de vordering van [eiser] op de gemeente vanwege het arbeidsongeval van 26 september 1997 is verjaard of niet is verjaard,
2) voor recht verklaart dat:
- als de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard, [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval in 1997 en tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999,
- als de vordering van [eiser] op de gemeente niet is verjaard, de gemeente, die de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] heeft erkend, gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden en een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999 te betalen,
- in beide gevallen met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schade,
3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn onvoldoende inspanning in de 17 jaar dat hij de zaak van [eiser] onder zich heeft gehad, met verwijzing voor de bepaling van de schade naar de schadestaatprocedure,
4) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

4.Het geschil in incident

4.1.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
1) [eiser] primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997, waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [eiser] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident,
2) de gemeente primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997,
waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de
gemeente dit niet doet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident.
4.2.
[eiser] en de gemeente verweren zich tegen de incidentele vorderingen van [gedaagde] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.
4.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

5.De beoordeling in incident

De vordering tot inzage op grond van artikel 194 en Pro 195 Rv

5.1.
Een partij heeft via artikel 194 in Pro samenhang met artikel 195 Rv Pro de mogelijkheid om via de rechter inzage van bepaalde gegevens te vorderen. Het recht op inzage daarvan komt toe aan a) een partij bij een rechtsbetrekking, als die partij b) daarbij voldoende belang heeft. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde] in beide gevallen beperkt kunnen worden toegewezen, omdat hij daarbij slechts gedeeltelijk belang heeft.
[eiser] : inzage wordt toegestaan met betrekking tot correspondentie tussen de gemeente en [eiser] zelf
5.3.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen belang bij zijn vordering omdat [eiser] [gedaagde] op 19 juni 2025 een kopie van de relevante stukken uit het dossier heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiser] aan de vordering tot inzage voldaan. Ook heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om het volledige dossier in te zien op het kantoor van zijn advocaat. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en doet dat nog steeds niet. [eiser] is bereid [gedaagde] nog een keer een digitale kopie van het dossier te sturen, als [gedaagde] daarvan de kosten betaalt. Voor zover [gedaagde] wel belang zou hebben bij inzage geldt dit volgens [eiser] alleen voor de correspondentie tussen hem en de gemeente vanaf 15 december 2003. De gemeente stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de datum is waarop de verjaringstermijn is gaan lopen.
5.4.
De rechtbank volgt [eiser] in zijn verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zijn inzagevordering van het dossier als geheel. [eiser] heeft hem al een digitale kopie verstrekt van de relevante correspondentie en voor zover [gedaagde] meent dat dit niet compleet is, kan hij het dossier dat aanwezig is bij de advocaat van [eiser] inzien.
Daarvoor heeft [gedaagde] dus geen gerechtelijk bevel nodig. [gedaagde] heeft wel voldoende belang bij de halfjaarlijkse correspondentie tussen [eiser] zelf en de gemeente over de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen die de gemeente hem periodiek uitkeerde. Hij heeft onderbouwd dat die relevant kan zijn voor de verjaringsvraag. [gedaagde] is weliswaar bekend met de inhoud van deze correspondentie, maar beschikt daar kennelijk niet over en deze bevindt zich kennelijk ook niet in de reeds verstrekte digitale kopie. Of deze brieven, die aan [eiser] zelf gestuurd zijn, zich in het dossier bevinden is onzeker. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] het dossier kan inzien om vast te stellen of deze brieven zich in het dossier bevinden en dat, als dat het geval is, hem daarvan afschrift moet worden verstrekt.
5.5.
Voor zover de inzagevordering van [gedaagde] gaat om de correspondentie tussen de accountant en de gemeente geldt daarvoor dat het belang van [gedaagde] ontbreekt. De accountant heeft namelijk verklaard dat er eenmaal is gecorrespondeerd tussen hem en de gemeente en dat dit ging over de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en de belastingdienst. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat over de door de gemeente uit te betalen schadeposten geen loonbelasting moet worden geheven. Voor de in dit geding te beantwoorden vraag of de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard is deze kwestie niet van belang.
5.6.
De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door [eiser] wordt toegewezen in die zin dat [gedaagde] inzage moet worden verschaft in het dossier en dat hem afschrift moet worden verstrekt van de onder 5.4 genoemde halfjaarlijkse brieven van de gemeente aan [eiser] zelf, als deze in het dossier worden aangetroffen en van eventuele andere stukken die [gedaagde] relevant acht en die niet reeds elektronisch zijn verstrekt. De rechtbank ziet gezien de bereidheid die [eiser] tot op heden heeft getoond om het dossier ter beschikking te stellen geen aanleiding voor een dwangsom. Wel geldt dat de rechter aan een eventueel gebrek aan medewerking gevolgen kan verbinden. De termijn om inzage en zo nodig afschrift te verstrekken zal worden bepaald op twee weken. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro moeten dragen.
Gemeente moet [gedaagde] beperkt inzage geven in correspondentie vanaf 15 december 2003
5.7.
De gemeente heeft aangevoerd dat het belang bij inzage voor [gedaagde] ontbreekt, dat de door [gedaagde] gevraagde informatie onvoldoende is bepaald en dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Het is [gedaagde] bekend dat de gemeente de andere schadeposten waarop [eiser] aanspraak maakt nooit heeft betaald en dat de gemeente ook geen verdere aansprakelijkheid heeft erkend. Correspondentie over de betalingen die wel zijn gedaan, zijn dan ook voor [gedaagde] niet relevant voor zijn verweer tegen de verjaring in de hoofdzaak. Ook kan de gemeente niet worden belast met het terugvinden van alle correspondentie die over een periode van bijna 30 jaar is gevoerd. [gedaagde] had de gevraagde correspondentie moeten concretiseren. Daarnaast kan [gedaagde] de gevraagde correspondentie ook opvragen bij [eiser] en is onduidelijk waarom [gedaagde] correspondentie wil hebben die hij zelf met de gemeente heeft gevoerd. Hij had de correspondentie zelf moeten bewaren en heeft dat niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] zijn vordering tot inzage niet tot de gemeente kan richten, omdat de gemeente in de hoofdzaak als derde is opgeroepen. Er is daarmee geen rechtsbetrekking. Voor zover de rechtbank de vordering alsnog toewijst, vraagt de gemeente de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100 per dag met een maximum van € 1000.
5.8.
De rechtbank volgt de gemeente niet in haar verweer dat [gedaagde] geen heeft belang bij inzage of dat hij met de gemeente geen rechtsbetrekking heeft. [gedaagde] heeft immers een vordering van [eiser] op de gemeente gecedeerd gekregen. Hij heeft daarom ook belang bij correspondentie voor zover deze relevant kan zijn voor de vraag of de (aan hem gecedeerde) vordering van [eiser] op de gemeente verjaard is. Of de door de gemeente wel vergoede schadeposten de verjaring wel of niet heeft gestuit zal in de hoofdzaak moeten worden bepaald. Dit staat daarmee inzage door [gedaagde] van de correspondentie daarover niet in de weg. [gedaagde] beschikt niet (meer) over de betreffende correspondentie. De gemeente stelt terecht dat [gedaagde] als advocaat in ieder geval de beschikking zou moeten hebben over de correspondentie die hij zelf namens [eiser] met de gemeente heeft gevoerd. Aannemelijk is dat [gedaagde] begin 2024 geen kopie heeft gemaakt van het dossier en dat toen in zijn geheel heeft overgedragen aan de accountant van [eiser] en dat dit dossier inmiddels wordt beheerd door de nieuwe advocaat van [eiser] . Omdat hij zich tot [eiser] kan richten om daar (via zijn advocaat) inzage in te krijgen ontbreekt in zoverre belang om diezelfde correspondentie van de gemeente ter inzage te krijgen. Dat is anders voor zover het gaat om correspondentie van de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf. Die kan van belang kan zijn voor het verweer in de door [eiser] tegen hem gestarte hoofdzaak. Of die correspondentie zich in het dossier van [eiser] bevindt is onzeker, terwijl er wel een gerede kans is dat de gemeente daar nog over beschikt. Dit is grond om te bepalen dat [gedaagde] afschrift dient te worden verstrekt van alle correspondentie die door de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf is verzonden, zonder afschrift aan zijn advocaat, vanaf 15 december 2003, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat vanaf die datum de verjaring is gaan lopen. Voor de correspondentie van voor die datum geldt dat [gedaagde] daar geen belang bij heeft.
5.9.
Het verweer van de gemeente dat er geen rechtsbetrekking is omdat zij als derde in de hoofdzaak is opgeroepen gaat niet op. De rechtsbetrekking met de gemeente volgt uit het gegeven dat het hier gaat om de aanspraak op aanvullende vergoeding van schadeposten door de gemeente aan [eiser] en dat [eiser] zijn vordering op de gemeente voor € 55.000 heeft gecedeerd aan [gedaagde] . Bovendien volgt uit artikel 118 Rv Pro dat een partij, in dit geval de gemeente, die als derde is opgeroepen, partij is in het geding, zodat er een rechtsbetrekking is.
5.10.
Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door de gemeente wordt toegewezen zoals vermeld onder 5.8. De rechtbank stelt de termijn hiervoor vast op vier weken na de datum van dit vonnis, omdat het hier gaat om een lange periode en de gemeente tijd nodig zal hebben om de correspondentie te achterhalen. De rechtbank ziet geen aanleiding de gemeente een dwangsom op te leggen. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro moeten dragen.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.11.
Omdat de vorderingen van [gedaagde] jegens zowel [eiser] als de gemeente slechts voor een klein deel zijn toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren; iedere partij draagt de eigen kosten in dit incident.

6.De beslissing

De rechtbank,
in het incident
6.1.
beveelt [eiser] aan [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld onder 5.6,
6.2.
beveelt de gemeente aan [gedaagde] binnen vier weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld zoals vermeld onder 5.8,
6.3.
compenseert de proceskosten in dit incident; iedere partij draagt de eigen kosten,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.