Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6394

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
13/175304-25 (zaak A) en 13/131999-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en bedrijfsinbraak met oplegging tbs en gedragsmaatregel

De rechtbank Amsterdam heeft een 50-jarige man veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van zijn ex-vriendin door haar keel met kracht dicht te knijpen en voor het plegen van een bedrijfsinbraak. De mishandeling vond plaats op 28 maart 2025, waarbij het slachtoffer diverse verwondingen opliep en angstig is geworden. De bedrijfsinbraak vond plaats op 1 maart 2025, waarbij verdachte sieraden stal door braak en inklimming.

De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer en getuigen betrouwbaar en het letselrapport bevestigde het geweld. Verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar verklaard vanwege een antisociale persoonlijkheidsstoornis, verslavingsproblemen en laag intelligentieniveau. De rechtbank volgde het advies van deskundigen en reclassering om tbs met voorwaarden op te leggen, gecombineerd met een gevangenisstraf van 81 dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest.

Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd om langdurig toezicht en behandeling mogelijk te maken. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder dezelfde voorwaarden als de tbs-maatregel. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard vanwege de opgelegde tbs-maatregel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 81 dagen gevangenisstraf, tbs met voorwaarden en een gedragsbeïnvloedende maatregel voor poging zware mishandeling en bedrijfsinbraak.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/175304-25 (zaak A) en 13/131999-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging (tul): 13/093047-25 en 13/197811-24
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank W. Wegbrans, reclasseringswerker bij GGZ Inforsa, ter terechtzitting als getuige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
Ten aanzien van zaak A
Poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] op 28 maart 2025, subsidiair tenlastegelegd als mishandeling.
Ten aanzien van zaak B
Diefstal door middel van braak op 1 maart 2025, subsidiair tenlastegelegd als een poging daartoe.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
gelden als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaak A en zaak B primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van de poging zware mishandeling voert hij aan dat, anders dan de verklaring van verdachte, de verklaring van aangeefster steun vindt in overig bewijsmateriaal. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals kwetsbare en vitale organen bevinden. Door de hals van het slachtoffer met beide handen dicht te knijpen, moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij de aanmerkelijke kans in het leven riep dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Door dit 5 tot 10 secondelang te doen, heeft verdachte deze kans bewust aanvaard. Ten aanzien van de inbraak heeft de officier van justitie opgemerkt dat verdachte dit feit tijdens de zitting heeft bekend.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, omdat de keel slechts kort is dichtgeknepen en geen nader letsel is geconstateerd. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal door middel van braak is geen verweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van zaak A
Feiten en omstandigheden
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 28 maart 2025 via het badkamerraam haar woning in Amsterdam is binnengeklommen. In de woning heeft verdachte aangeefster vastgepakt en in de bank geduwd. Vervolgens heeft verdachte met beide handen haar keel hardhandig en met veel kracht dichtgeknepen, terwijl hij riep: ‘Ik ga je vermoorden!’. Aangeefster voelde pijn in haar keel en had het gevoel even geen lucht te krijgen. Zij liep onder andere rode striemen in haar hals op, schaafwondjes op haar neus en bovenlip, een tand door de lip en blauwe plekken op haar linkerarm. Zij heeft hierdoor pijn in haar keel en hals, waaronder bij het slikken, gekregen.
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt deze als uitgangspunt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat aangeefster gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Haar verklaring over de manier waarop verdachte haar woning is binnengekomen vindt steun in andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals de verklaring van getuige [naam getuige] . Deze getuige zag in de avond van 28 maart 2025 een persoon over een muurtje klimmen achter haar woning en via de uitbouw van haar buurman omhoog klimmen. Even later hoorde zij aangeefster hard schreeuwen, waarna zij de persoon zag wegrennen. Zij herkende deze persoon als verdachte. De ontkenning door verdachte dat hij via het badkamerraam naar binnen is gekomen is in het licht van deze verklaring van de getuige, ongeloofwaardig. Hetzelfde geldt voor wat zich volgens verdachte in de woning zou hebben afgespeeld. Het dossier biedt geen enkele steun voor zijn bewering dat in de woning door de ex-partner van aangeefster een vuurwapen zou zijn getrokken, waarna verdachte het wapen zou hebben weggeslagen. Aangeefster heeft verklaard dat alleen verdachte in haar woning aanwezig was en ook de getuigen spreken enkel over één persoon.
Dat verdachte de keel van aangeefster zou hebben dichtgeknepen, wordt bovendien ondersteund door een letselrapportage. Aangeefster is een paar dagen na het incident, onderzocht door een forensisch arts die meerdere letsels aan haar hals waarnam, waaronder krasverwondingen, huiddoorbrekingen met korstvorming en bloeduitstortingen. Een bloeduitstorting is doorgaans het gevolg van uitwendig (stomp)geweld op het lichaam, zoals samendrukken. Ook wordt ‘tand-door-lip’-letsel geconstateerd.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 maart 2025 in haar woning in [woonplaats] met beide handen en met kracht de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag naar de juridische kwalificatie van het handelen van verdachte. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarnaast is vereist dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat zijn gedrag – in dit geval het dichtknijpen van de keel – zwaar lichamelijk letsel kon veroorzaken en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard.
Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals en keel kwetsbare en vitale onderdelen van het lichaam – waaronder de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader – bevinden en dat de kans aanmerkelijk is dat deze bij krachtig samendrukken beschadigd raken. Dit kan leiden tot zuurstofgebrek, wat op zijn beurt hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben. Of in een concreet geval een aanmerkelijke kans bestaat op het ontstaan van dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de intensiteit en duur van het knijpen. De rechtbank overweegt dat ook in het geval het dichtknijpen van de keel slechts enkele seconden duurt, maar dit wel met veel kracht gebeurt, de kans op zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Deze wetenschap mag ook bij verdachte bekend worden verondersteld.
De rechtbank is van oordeel dat de verrichte geweldshandeling, gelet op de wijze waarop deze is verricht, naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank houdt in dit kader in het bijzonder rekening met de agressieve wijze van optreden door verdachte, waarbij hij met twee handen de keel van aangeefster hardhandig en met kracht heeft dichtgeknepen, terwijl hij de woorden “Ik ga je vermoorden!” riep. Aangeefster heeft verklaard dat zij tijdelijk geen lucht kon krijgen, en dat zij met al haar kracht heeft geprobeerd los te komen uit de greep van verdachte. Verdachte zou pas gestopt zijn met knijpen toe hij het vermoeden kreeg dat aangeefster de politie aan de telefoon had. Aangeefster heeft naar aanleiding van de verwurging meerdere letsels en pijn in haar hals opgelopen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.3.2.
Ten aanzien van zaak B
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde diefstal door middel van braak. De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
1.
De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting van 10 juni 2026 heeft afgelegd;
2.
Een proces-verbaal van aangifte door [naam] , met proces-verbaalnummer PL1300-2025050044-3 van 1 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s 5 tot en met 7.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
rubriek 3.3.2en in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van zaak A
op 28 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met beide handen met kracht bij de keel heeft vastgepakt en de keel van voornoemde [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, althans zodanig de keel heeft vastgepakt dat voornoemde [slachtoffer] geen lucht meer kon krijgen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van zaak B
op 1 maart 2025 te Amsterdam sieraden die aan [naam] / [naam atelier] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het feit

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard, gelet op de bevindingen in de Pro Justitia-rapportage van 10 februari 2026. De officier van justitie ziet geen aanleiding om ook het feit in zaak B in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: tbs) wordt opgelegd. Hiermee kunnen behandeling, intensief toezicht en begeleiding in samenhang en voor langere duur worden gewaarborgd, hetgeen noodzakelijk is ter beheersing van het recidivegevaar, dat op lange termijn als hoog wordt ingeschat. Een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden of de ISD-maatregel bieden daartoe onvoldoende waarborgen. Voor wat betreft de voorwaarden sluit de officier van justitie aan bij de voorwaarden die door reclassering zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies van 27 mei 2026.
Ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met parketnummers 13/093047-25 en 13/197811-24, heeft de officier van justitie verzocht deze niet ten uitvoer te leggen gelet op de vordering tot oplegging van tbs met voorwaarden. Indien de rechtbank niet zou besluiten tot oplegging van tbs met voorwaarden, vordert de officier van justitie tenuitvoerlegging van beide vorderingen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen tbs dient te worden opgelegd, omdat deze maatregel in het onderhavige geval te zwaar is. Verdachte heeft moeite met het nakomen van afspraken. Indien de voorwaarden worden overtreden, zou dit kunnen leiden tot tbs met dwangverpleging voor relatief lichte feiten. Die situatie dient volgens de raadsman te worden voorkomen. Hij acht een deels voorwaardelijke straf in combinatie met een gedragsbeïnvloedende maatregel voldoende.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregel en straf zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
7.3.1.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte is laat in de avond via het badkamerraam de woning van het slachtoffer, zijn ex-vriendin, binnengedrongen en is haar daar aangevlogen, waarbij hij haar keel hardhandig en met kracht secondelang heeft dichtgeknepen. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel opgelopen. Met dit handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, op een plek waar zij zich bij uitstek veilig had moeten voelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Bovendien heeft het incident bij het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Zij geeft immers aan bang te zijn om verdachte op straat tegen te komen.
Daarnaast heeft verdachte een bedrijfsinbraak gepleegd en goederen buitgemaakt. Dergelijke inbraken hebben doorgaans gevolgen voor de bedrijfsvoering, waarbij bedrijven worden geconfronteerd met herstelwerkzaamheden en financiële schade. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen rekening heeft gehouden met de overlast en schade die hij heeft veroorzaakt, maar kennelijk alleen oog had voor zijn eigen financieel gewin.
7.3.2.
Persoon van verdachte
Uittreksel Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf en een taakstraf voor huiselijk geweld tegen zijn (ex-)partner en daarnaast veelvuldig is veroordeeld wegens vermogensdelicten. Daarmee is sprake van recidive en dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Pro Justitia onderzoek
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage, opgesteld in het kader van de verdenking in zaak A, van 10 februari 2026 opgesteld naar aanleiding van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek naar verdachte door respectievelijk psychiater mw. D. Sikkens en psycholoog mw. E.C. Wendt.
Psychiatrisch onderzoek
Uit het psychiatrisch rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken, hechtingsproblematiek, een ongespecificeerde alcohol, cannabis en cocaïne gerelateerde stoornis en een laag intelligentieniveau. De persoonlijkheidspathalogie van verdachte uit zich volgens de rapporteur onder meer in impulscontroleproblematiek, prikkelbaarheid, gebrekkige agressieregulatie, gebrekkige copingvaardigheden, oneerlijkheid, beperkte emotieregulatie, een gebrek aan inlevingsvermogen en een verminderde gewetensfunctie.
Verdachte kent een patroon van moeizame relaties, waarbij hij snel achterdocht ontwikkelt richting zijn partners. Wanneer dit zich opstapelt is het voorstelbaar dat verdachte – vanuit zijn gebrekkige emotieregulatie, roekeloosheid, onverschilligheid en impulsiviteit – toenemend geagiteerd raakt en agressief kan handelen. De genuttigde alcohol die dag heeft hoogstwaarschijnlijk een drempelverlagende werking gehad op het gedrag van verdachte.
De mogelijkheid van verdachte tot het overzien van zijn eigen handelen was ten tijde van het tenlastegelegde beperkt door de aanwezige pathologie, zo ook dat het zijn vermogen om op een andere manier te reageren heeft verminderd. Volgens de rapporteur waren de stoornissen aanwezig en beïnvloedde deze de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit. Het advies is dan ook om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Gelet op de ontkennende houding van verdachte, kan de rapporteur dit niet verder specificeren.
Het recidiverisico bij verdachte wordt door de deskundige ingeschat als hoog voor wat betreft gewelddadig gedrag op lange termijn, matig-hoog voor wat betreft ernstig lichamelijk letsel en matig-hoog betreffende acuut dreigend geweld. Als beschermende factoren worden gezien de aanwezigheid van werk, financieel management, enige motivatie voor behandeling en positieve levensdoelen, het hebben van een beperkt netwerk en het hebben van een woning. Dat gezegd hebbende wordt de op dit moment geboden woonbegeleiding als mogelijk niet passend gezien, zijn er schulden en merkt de rapporteur op dat de huidige (nieuwe) relatie van verdachte risico verhogend kan werken.
De rapporteur merkt op dat behandeling van de problematiek van verdachte idealiter middels inzichtgevende psychotherapie (o.a. schematherapie) en agressieregulatietherapie zal geschieden en dat eventueel een therapeutisch partnerrelatietraject ingezet kan worden in het kader van zijn huidige of toekomstige relatie(s). Daarnaast moet worden ingezet op permanente abstinentie van alcohol en andere middelen en dient binnen de behandeling plek te zijn voor verslavingsbehandeling. Ook moet er aandacht zijn voor de laagbegaafdheid van verdachte, zowel in de bejegening, de therapieën als passende doelstellingen voor later. Het vergroten van verdachtes beschermde factoren is tevens van belang. Qua behandelmodaliteit zou een klinische start in een forensisch psychiatrische kliniek passend zijn volgens rapporteur. Wanneer verdachte toe is aan een ambulante fase, strekt het de aanbeveling dat van tevoren zaken als huisvesting, dagbesteding én ambulante behandeling bij een forensische polikliniek al geregeld zijn.
De rapporteur adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hiermee acht zij de kans het grootst dat voorgenoemde behandeling plaats zal vinden om zo het recidiverisico te kunnen verminderen. Voorts geeft de rapporteur in overweging om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende Maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Psychologisch onderzoek
Uit het psychologisch rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline kenmerken, wat zich uit in impulsiviteit, gebrek aan gedragsremming en beperkte verantwoordelijkheid voor eigen handelen. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis, is sprake van zwakbegaafdheid en functioneert verdachte op licht verstandelijk beperkt niveau.
Verdachte interpreteert sociale situaties regelmatig vanuit een wantrouwende bril, waarbij onduidelijke signalen al snel worden opgevat als bedreigend, vijandig of oneerlijk. Op de dag van het tenlastegelegde feit lijkt er sprake te zijn geweest van een emotioneel beladen situatie, waarin verdachte geconfronteerd werd met gevoelens van afwijzing, jaloezie en onduidelijkheid. Verdachte is onvoldoende in staat om bij oplopende spanning passende alternatieven te kiezen voor agressief of impulsief handelen. Situaties waarin hij zich afgewezen, gekleineerd of bedreigd voelt, leiden bij hem tot reactieve agressie.
De antisociale persoonlijkheidsstoornis, in combinatie met de stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis, de beperkte emotieregulatie en de cognitieve beperkingen, zijn in algemene zin van invloed op het functioneren van verdachte en hebben doorgewerkt in het tenlastegelegde feit. Het advies is dan ook om het tenlastegelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Op de lange termijn wordt de kans op herhaling ingeschat als hoog. Er is noodzaak voor behandeling en begeleiding binnen een forensisch kader, waarbij het accent moet liggen op gestructureerde begeleiding, toezicht en ondersteuning in het dagelijks functioneren. Verdachte is vooral gebaat bij een gestructureerde leefomgeving waarin toezicht en ondersteuning zijn gegarandeerd. Er zijn door de rapporteur drie kaders genoemd waarbinnen dit mogelijk is.
De eerste mogelijkheid betreft bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij kan worden gestart met een korte klinische behandeling, gevolgd door begeleid wonen, ambulante behandeling en reclasseringstoezicht. Er bestaat echter het risico dat verdachte zich door zijn beperkingen niet aan de voorwaarden houdt, wat kan leiden tot terugkeer in de samenleving zonder passende behandeling. Dit risico kan deels worden beperkt door aansluitend een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen, waardoor ook na afloop van de straf toezicht en begeleiding kunnen worden voortgezet.
Een tweede optie betreft het opleggen van tbs. Binnen dit kader kunnen behandeling, intensief toezicht en begeleiding op langere termijn samenhangend worden gewaarborgd, waarbij de meerwaarde vooral ligt in de langdurige structurering en het intensieve toezicht en begeleiding. Er kan worden gekozen voor tbs met voorwaarden, met een korte klinische start gevolgd door gefaseerde resocialisatie. Ook binnen dit kader bestaat echter het risico dat verdachte door zijn beperkingen de voorwaarden niet naleeft, met als mogelijk gevolg een omzetting naar tbs met dwangverpleging. Zelfs hierbij blijft het risico bestaan dat verdachte zich niet volledig aan de voorwaarden kan houden, waardoor dit kader mogelijk lang zal duren.
De laatste mogelijkheid is het opleggen van een ISD-maatregel. Binnen dit kader kan worden ingezet op abstinentie, stabilisatie en structurering, met aansluitend uitstroom naar begeleid wonen. Gelet op de beperkte leerbaarheid, het geringe probleeminzicht en de langdurige aard van de problematiek van verdachte is de kans op duurzame gedragsverandering echter onzeker. Ook is onduidelijk of de maatregel kan worden gevolgd door passende ondersteuning en begeleiding, die noodzakelijk is om de behaalde stabiliteit te bestendigen. Het risico bestaat dat de effecten van de ISD-maatregel na beëindiging onvoldoende duurzaam blijken.
Reclasseringsadvies
Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 27 mei 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van een breed scala aan risicofactoren. Verdachte verkeert mogelijk in een negatief sociaal netwerk en er is sprake van langdurig middelenmisbruik en een verstandelijke beperking. Ook is er sprake van gebrekkige emotieregulatie en impulsbeheersing en van beperkt (zelf)inzicht.
Verdachte staat reeds langere tijd onder reclasseringstoezicht. Dit toezicht is, ondanks de stevige inzet van de reclassering, niet altijd constructief geweest en behandeling is tot op heden om verschillende redenen niet van de grond gekomen. Verdachte is in gesprekken vaak terughoudend en ontwijkend en is wisselend afsprakentrouw. Hij legt verantwoordelijkheden veelal buiten zichzelf. Wel is vooruitgang geboekt als het gaat om praktische zaken, zoals de woonsituatie en de financiën van verdachte, en lijkt de dreiging van naderende tbs verdachte recentelijk (meer) ontvankelijk te maken voor hulp, onder meer ten aanzien van impulsbeheersing en verslavingsproblematiek. Deze motivatie lijkt dus voornamelijk extern gedreven.
Het recidiverisico en het risico op letsel wordt als hoog ingeschat, gelet op het uitgebreide justitiële verleden van verdachte waar huiselijk geweld en meerdere veroordelingen wegens geweldsdelicten naar voren komen. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld.
De reclassering adviseert tbs met voorwaarden. De reclassering acht dit ook haalbaar; ondanks zijn verstandelijke beperking en het feit dat verdachte moeite lijkt te hebben met het overzien van de gevolgen van zijn gedrag, lijkt de betekenis van een tbs-maatregel met voorwaarden wel goed tot hem door te dringen De reclassering acht verdachte ook in staat om zijn medewerking te verlenen aan de maatregel en hij kan volgens de reclassering de mogelijke consequenties hiervan overzien. Ondanks dat de motivatie grotendeels extern lijkt, wil de reclassering verdachte de kans bieden de behandeling ambulant te starten. Wanneer blijkt dat verdachte zich niet aan de behandelafspraken houdt of de behandeling op advies van de behandelaar klinisch voortgezet dient te worden, kan verdachte aangemeld worden voor een klinische behandeling.
De reclassering adviseert de volgende voorwaarden te koppelen aan de voorwaardelijke tbs-maatregel, waarop de reclassering ook het toezicht kan uitoefenen:
  • geen strafbare feiten plegen;
  • meewerken aan reclasseringstoezicht;
  • meewerken aan een time-out;
  • geen vertrek naar het buitenland;
  • meldplicht bij reclassering;
  • opneming in een zorginstelling;
  • ambulante behandeling;
  • verbod op gebruik van verdovende middelen;
  • alcoholverbod;
  • contactverbod;
  • locatieverbod;
  • dagbesteding;
  • verbod op andere huisvesting.
Schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als hiervoor genoemd wordt geadviseerd, evenals dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs, gelet op het hoge recidiverisico. Tot slot worden er geen contra-indicaties gezien voor het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, mede gelet op het feit dat het moeilijk in te schatten is hoe lang er nodig is om tot gedragsverandering te komen.
Dit reclasseringsadvies is ter terechtzitting door deskundige W. Wegbrans bevestigd. Hij heeft daarnaast aangevuld dat de mogelijkheid van oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel alléén (zonder tbs-voorwaarden) niet is onderzocht, maar dat dit minder waarborgen zal bieden. Binnen een gedragsbeïnvloedende maatregel zijn minder mogelijkheden voor een langdurige klinische opname, die door de deskundige wordt gezien als noodzakelijk wordt gezien in het geval ambulante behandeling mislukt.
7.3.3.
Tbs-maatregel
De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder rekening gehouden met de conclusies van de gedragsdeskundigen uit de Pro Justitie rapportage van 10 februari 2026, die onder rubriek 7.3.2 – zakelijk weergegeven – zijn opgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en is van oordeel dat het handelen van verdachte deels werd gedreven door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis, in combinatie met de stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis en zijn cognitieve beperkingen. De rechtbank neemt ook de conclusie van de deskundigen, dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, over.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank tbs met voorwaarden en een gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De rechtbank zal dit hierna nader motiveren.
De deskundigen hebben slechts gerapporteerd in het kader van zaak A. Nu zij niet hebben gerapporteerd in het kader van zaak B en dit een geheel andersoortig feit betreft, kan de rechtbank niet vaststellen dat en in welke mate de vastgestelde stoornissen hebben doorgewerkt in dit feit. De rechtbank rekent zaak B dan ook volledig aan verdachte toe.
Tbs met voorwaarden
De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt met voorwaarden en dat aan de formele voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. De rechtbank stelt op basis van voornoemde rapportages vast dat tijdens het begaan van het feit bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts vereist de veiligheid van anderen, gelet op het hoge recidiverisico voor geweldsdelicten als verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij, het opleggen van die maatregel.
De rechtbank komt tot de conclusie dat uitsluitend tbs met voorwaarden een passend kader vormt voor de behandeling van verdachte. Hoewel de psycholoog de ISD maatregel als mogelijkheid noemt, stelt de rechtbank vast dat deze maatregel niet in aanmerking komt omdat verdachte(nog) niet voldoet aan de zogenoemde zachte ISD-criteria en deze maatregel door de deskundigen onvoldoende passend wordt geacht voor de behandeling van de problematiek van verdachte. Het genoemde alternatief van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden acht de rechtbank onvoldoende om het recidiverisico te beperken. Uit de toelichting van de reclassering volgt namelijk dat het eerdere reclasseringstoezicht om uiteenlopende redenen – bijvoorbeeld omdat verdachte wisselend afsprakentrouw is - niet van de grond is gekomen. Verdachte lijkt zich thans wel aan de voorwaarden te houden, waarbij de geadviseerde tbs, volgens de reclassering bij verdachte een grotere bereidheid creëert om hulpverlening te accepteren. De motivatie van verdachte is daarmee in belangrijke mate extern gedreven.
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen dat behandeling binnen een minder dwingend kader dit keer wel succesvol zal zijn. Mede gelet op de externe motivatie van verdachte, acht de rechtbank het risico groot dat behandeling onvoldoende van de grond komt zonder tbs, terwijl behandeling gelet op de problematiek van verdachte en het recidiverisico noodzakelijk is. Tegelijkertijd acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte, zich bewust van het feit dat het niet houden aan de voorwaarden kan leiden tot omzetting naar tbs dwangverpleging, gemotiveerd blijft om aan de behandeling mee te werken.
De rechtbank acht oplegging van tbs met voorwaarden daarom noodzakelijk en proportioneel en zal daarbij de voorwaarden opleggen zoals door de reclassering geadviseerd. Verdachte heeft zich ter terechtzitting van 10 juni 2026 bereid verklaard om deze voorwaarden na te leven.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank vindt het bovendien noodzakelijk dat de behandeling van verdachte direct na dit vonnis aanvangt, ook indien hoger beroep wordt ingesteld.
Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting
Het bewezenverklaarde feit in zaak A is een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat, in geval van een omzetting van de tbs met voorwaarden in een tbs met dwangverpleging, de termijn van de tbs met dwangverpleging niet beperkt is tot vier jaren.
Gevangenisstraf
De ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte, tevens het opleggen van een gevangenisstraf. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in zaak A, zijn persoonlijke omstandigheden en de oplegging van tbs, zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur die door verdachte in voorarrest is doorgebracht. De rechtbank legt dan ook een gevangenisstraf op voor de duur van 81 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Op basis van voornoemde deskundigenrapportages is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling en is het lastig in te schatten hoe leerbaar verdachte is, vanwege zijn verslaving, psychische problematiek en laagbegaafdheid. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om, nadat de tbs afloopt, langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom, naast tbs met voorwaarden, ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.
Schorsing van de voorlopige hechtenis
Verdachte is op 9 juni 2025 aangehouden en in verzekering gesteld en op 10 juni 2025 in bewaring gesteld. De rechtbank heeft op de pro forma zitting van 27 augustus 2025 het bevel voorlopige hechtenis met ingang van 28 augustus 2025 geschorst.
De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd het bevel tot voorlopige hechtenis bij eindvonnis opnieuw te schorsen onder de voorwaarden van de tbs-maatregel. De rechtbank beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst blijft en zal de voorwaarden verbonden aan deze schorsing wijzigingen in die zin dat dit dezelfde voorwaarden worden als de voorwaarden die aan de tbs-maatregel zijn verbonden.
Deze voortdurende schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank nodig, omdat omzetting van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden (bij overtreding van de voorwaarde van de tbs) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. Als verdachte de in het kader van de tbs maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situatie de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.4.3 en 6.5.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

8.Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

8.1.
De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/093047-25
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 27 maart 2025 van de politierechter van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 13/093047-25
.Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf, omdat de proeftijd van deze straf pas is aangevangen na de datum van de bewezenverklaarde feiten, te weten 10 april 2025.
8.2.
De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/197811-24
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 9 oktober 2024 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, in de zaak met parketnummer 13/197811-24. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 128 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel afwijzen, omdat aan verdachte tbs wordt opgelegd. Hierdoor is tenuitvoerlegging niet opportuun.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38, 38a, 38z, 45, 57, 63, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A
Poging tot zware mishandeling
Ten aanzien van zaak B
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
81 (eenentachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat verdachte
ter beschikkingwordt gesteld en stelt daarbij de volgende
voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
  • Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
  • Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
  • Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
  • Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
  • Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
  • Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
  • Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
  • Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of een andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4.
Niet naar het buitenland
Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5.
Opneming in een zorginstelling
Wanneer de reclassering, in samenspraak met de ambulante behandelaar, het nodig vindt, laat veroordeelde zich voor zolang nodig of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen in een FPA/PFP/FVK of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start wanneer nodig zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich voor 24 maanden behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
7.
Verbod verdovende middelen
Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
8.
Alcoholverbod
Veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
9.
Contactverbod
Veroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met het slachtoffer [slachtoffer] .
10.
Locatieverbod (zonder elektronische monitoring)
Veroordeelde bevindt zich niet binnen een straal van 100 meter van het adres [adres] . De politie ziet toe op dit verbod.
11.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt de
dadelijke uitvoerbaarheidvan de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het uit te voeren reclasseringstoezicht.
Legt aan verdachte op de
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkendemaatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Beveelt dat de
voorwaardenverbonden aan de reeds
geschorste voorlopige hechtenisvan verdachte
worden gewijzigd. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 11 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarden dat:
  • veroordeelde, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
  • veroordeelde, in het geval hij wegens een feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot een andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
Verklaart de officier van justitie
niet-ontvankelijkin de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/093047-25.
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/197811-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E. Kleinherenbrink, voorzitter,
mrs. B.C. Langendoen en F. Dekkers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2026.