7.3.2.Persoon van verdachte
Uittreksel Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf en een taakstraf voor huiselijk geweld tegen zijn (ex-)partner en daarnaast veelvuldig is veroordeeld wegens vermogensdelicten. Daarmee is sprake van recidive en dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage, opgesteld in het kader van de verdenking in zaak A, van 10 februari 2026 opgesteld naar aanleiding van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek naar verdachte door respectievelijk psychiater mw. D. Sikkens en psycholoog mw. E.C. Wendt.
Uit het psychiatrisch rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken, hechtingsproblematiek, een ongespecificeerde alcohol, cannabis en cocaïne gerelateerde stoornis en een laag intelligentieniveau. De persoonlijkheidspathalogie van verdachte uit zich volgens de rapporteur onder meer in impulscontroleproblematiek, prikkelbaarheid, gebrekkige agressieregulatie, gebrekkige copingvaardigheden, oneerlijkheid, beperkte emotieregulatie, een gebrek aan inlevingsvermogen en een verminderde gewetensfunctie.
Verdachte kent een patroon van moeizame relaties, waarbij hij snel achterdocht ontwikkelt richting zijn partners. Wanneer dit zich opstapelt is het voorstelbaar dat verdachte – vanuit zijn gebrekkige emotieregulatie, roekeloosheid, onverschilligheid en impulsiviteit – toenemend geagiteerd raakt en agressief kan handelen. De genuttigde alcohol die dag heeft hoogstwaarschijnlijk een drempelverlagende werking gehad op het gedrag van verdachte.
De mogelijkheid van verdachte tot het overzien van zijn eigen handelen was ten tijde van het tenlastegelegde beperkt door de aanwezige pathologie, zo ook dat het zijn vermogen om op een andere manier te reageren heeft verminderd. Volgens de rapporteur waren de stoornissen aanwezig en beïnvloedde deze de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit. Het advies is dan ook om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Gelet op de ontkennende houding van verdachte, kan de rapporteur dit niet verder specificeren.
Het recidiverisico bij verdachte wordt door de deskundige ingeschat als hoog voor wat betreft gewelddadig gedrag op lange termijn, matig-hoog voor wat betreft ernstig lichamelijk letsel en matig-hoog betreffende acuut dreigend geweld. Als beschermende factoren worden gezien de aanwezigheid van werk, financieel management, enige motivatie voor behandeling en positieve levensdoelen, het hebben van een beperkt netwerk en het hebben van een woning. Dat gezegd hebbende wordt de op dit moment geboden woonbegeleiding als mogelijk niet passend gezien, zijn er schulden en merkt de rapporteur op dat de huidige (nieuwe) relatie van verdachte risico verhogend kan werken.
De rapporteur merkt op dat behandeling van de problematiek van verdachte idealiter middels inzichtgevende psychotherapie (o.a. schematherapie) en agressieregulatietherapie zal geschieden en dat eventueel een therapeutisch partnerrelatietraject ingezet kan worden in het kader van zijn huidige of toekomstige relatie(s). Daarnaast moet worden ingezet op permanente abstinentie van alcohol en andere middelen en dient binnen de behandeling plek te zijn voor verslavingsbehandeling. Ook moet er aandacht zijn voor de laagbegaafdheid van verdachte, zowel in de bejegening, de therapieën als passende doelstellingen voor later. Het vergroten van verdachtes beschermde factoren is tevens van belang. Qua behandelmodaliteit zou een klinische start in een forensisch psychiatrische kliniek passend zijn volgens rapporteur. Wanneer verdachte toe is aan een ambulante fase, strekt het de aanbeveling dat van tevoren zaken als huisvesting, dagbesteding én ambulante behandeling bij een forensische polikliniek al geregeld zijn.
De rapporteur adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hiermee acht zij de kans het grootst dat voorgenoemde behandeling plaats zal vinden om zo het recidiverisico te kunnen verminderen. Voorts geeft de rapporteur in overweging om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende Maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Uit het psychologisch rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline kenmerken, wat zich uit in impulsiviteit, gebrek aan gedragsremming en beperkte verantwoordelijkheid voor eigen handelen. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis, is sprake van zwakbegaafdheid en functioneert verdachte op licht verstandelijk beperkt niveau.
Verdachte interpreteert sociale situaties regelmatig vanuit een wantrouwende bril, waarbij onduidelijke signalen al snel worden opgevat als bedreigend, vijandig of oneerlijk. Op de dag van het tenlastegelegde feit lijkt er sprake te zijn geweest van een emotioneel beladen situatie, waarin verdachte geconfronteerd werd met gevoelens van afwijzing, jaloezie en onduidelijkheid. Verdachte is onvoldoende in staat om bij oplopende spanning passende alternatieven te kiezen voor agressief of impulsief handelen. Situaties waarin hij zich afgewezen, gekleineerd of bedreigd voelt, leiden bij hem tot reactieve agressie.
De antisociale persoonlijkheidsstoornis, in combinatie met de stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis, de beperkte emotieregulatie en de cognitieve beperkingen, zijn in algemene zin van invloed op het functioneren van verdachte en hebben doorgewerkt in het tenlastegelegde feit. Het advies is dan ook om het tenlastegelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Op de lange termijn wordt de kans op herhaling ingeschat als hoog. Er is noodzaak voor behandeling en begeleiding binnen een forensisch kader, waarbij het accent moet liggen op gestructureerde begeleiding, toezicht en ondersteuning in het dagelijks functioneren. Verdachte is vooral gebaat bij een gestructureerde leefomgeving waarin toezicht en ondersteuning zijn gegarandeerd. Er zijn door de rapporteur drie kaders genoemd waarbinnen dit mogelijk is.
De eerste mogelijkheid betreft bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij kan worden gestart met een korte klinische behandeling, gevolgd door begeleid wonen, ambulante behandeling en reclasseringstoezicht. Er bestaat echter het risico dat verdachte zich door zijn beperkingen niet aan de voorwaarden houdt, wat kan leiden tot terugkeer in de samenleving zonder passende behandeling. Dit risico kan deels worden beperkt door aansluitend een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen, waardoor ook na afloop van de straf toezicht en begeleiding kunnen worden voortgezet.
Een tweede optie betreft het opleggen van tbs. Binnen dit kader kunnen behandeling, intensief toezicht en begeleiding op langere termijn samenhangend worden gewaarborgd, waarbij de meerwaarde vooral ligt in de langdurige structurering en het intensieve toezicht en begeleiding. Er kan worden gekozen voor tbs met voorwaarden, met een korte klinische start gevolgd door gefaseerde resocialisatie. Ook binnen dit kader bestaat echter het risico dat verdachte door zijn beperkingen de voorwaarden niet naleeft, met als mogelijk gevolg een omzetting naar tbs met dwangverpleging. Zelfs hierbij blijft het risico bestaan dat verdachte zich niet volledig aan de voorwaarden kan houden, waardoor dit kader mogelijk lang zal duren.
De laatste mogelijkheid is het opleggen van een ISD-maatregel. Binnen dit kader kan worden ingezet op abstinentie, stabilisatie en structurering, met aansluitend uitstroom naar begeleid wonen. Gelet op de beperkte leerbaarheid, het geringe probleeminzicht en de langdurige aard van de problematiek van verdachte is de kans op duurzame gedragsverandering echter onzeker. Ook is onduidelijk of de maatregel kan worden gevolgd door passende ondersteuning en begeleiding, die noodzakelijk is om de behaalde stabiliteit te bestendigen. Het risico bestaat dat de effecten van de ISD-maatregel na beëindiging onvoldoende duurzaam blijken.
Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 27 mei 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van een breed scala aan risicofactoren. Verdachte verkeert mogelijk in een negatief sociaal netwerk en er is sprake van langdurig middelenmisbruik en een verstandelijke beperking. Ook is er sprake van gebrekkige emotieregulatie en impulsbeheersing en van beperkt (zelf)inzicht.
Verdachte staat reeds langere tijd onder reclasseringstoezicht. Dit toezicht is, ondanks de stevige inzet van de reclassering, niet altijd constructief geweest en behandeling is tot op heden om verschillende redenen niet van de grond gekomen. Verdachte is in gesprekken vaak terughoudend en ontwijkend en is wisselend afsprakentrouw. Hij legt verantwoordelijkheden veelal buiten zichzelf. Wel is vooruitgang geboekt als het gaat om praktische zaken, zoals de woonsituatie en de financiën van verdachte, en lijkt de dreiging van naderende tbs verdachte recentelijk (meer) ontvankelijk te maken voor hulp, onder meer ten aanzien van impulsbeheersing en verslavingsproblematiek. Deze motivatie lijkt dus voornamelijk extern gedreven.
Het recidiverisico en het risico op letsel wordt als hoog ingeschat, gelet op het uitgebreide justitiële verleden van verdachte waar huiselijk geweld en meerdere veroordelingen wegens geweldsdelicten naar voren komen. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld.
De reclassering adviseert tbs met voorwaarden. De reclassering acht dit ook haalbaar; ondanks zijn verstandelijke beperking en het feit dat verdachte moeite lijkt te hebben met het overzien van de gevolgen van zijn gedrag, lijkt de betekenis van een tbs-maatregel met voorwaarden wel goed tot hem door te dringen De reclassering acht verdachte ook in staat om zijn medewerking te verlenen aan de maatregel en hij kan volgens de reclassering de mogelijke consequenties hiervan overzien. Ondanks dat de motivatie grotendeels extern lijkt, wil de reclassering verdachte de kans bieden de behandeling ambulant te starten. Wanneer blijkt dat verdachte zich niet aan de behandelafspraken houdt of de behandeling op advies van de behandelaar klinisch voortgezet dient te worden, kan verdachte aangemeld worden voor een klinische behandeling.
De reclassering adviseert de volgende voorwaarden te koppelen aan de voorwaardelijke tbs-maatregel, waarop de reclassering ook het toezicht kan uitoefenen:
- geen strafbare feiten plegen;
- meewerken aan reclasseringstoezicht;
- meewerken aan een time-out;
- geen vertrek naar het buitenland;
- meldplicht bij reclassering;
- opneming in een zorginstelling;
- ambulante behandeling;
- verbod op gebruik van verdovende middelen;
- alcoholverbod;
- contactverbod;
- locatieverbod;
- dagbesteding;
- verbod op andere huisvesting.
Schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als hiervoor genoemd wordt geadviseerd, evenals dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs, gelet op het hoge recidiverisico. Tot slot worden er geen contra-indicaties gezien voor het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, mede gelet op het feit dat het moeilijk in te schatten is hoe lang er nodig is om tot gedragsverandering te komen.
Dit reclasseringsadvies is ter terechtzitting door deskundige W. Wegbrans bevestigd. Hij heeft daarnaast aangevuld dat de mogelijkheid van oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel alléén (zonder tbs-voorwaarden) niet is onderzocht, maar dat dit minder waarborgen zal bieden. Binnen een gedragsbeïnvloedende maatregel zijn minder mogelijkheden voor een langdurige klinische opname, die door de deskundige wordt gezien als noodzakelijk wordt gezien in het geval ambulante behandeling mislukt.
7.3.3.Tbs-maatregel
De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder rekening gehouden met de conclusies van de gedragsdeskundigen uit de Pro Justitie rapportage van 10 februari 2026, die onder rubriek 7.3.2 – zakelijk weergegeven – zijn opgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en is van oordeel dat het handelen van verdachte deels werd gedreven door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis, in combinatie met de stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis en zijn cognitieve beperkingen. De rechtbank neemt ook de conclusie van de deskundigen, dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, over.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank tbs met voorwaarden en een gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De rechtbank zal dit hierna nader motiveren.
De deskundigen hebben slechts gerapporteerd in het kader van zaak A. Nu zij niet hebben gerapporteerd in het kader van zaak B en dit een geheel andersoortig feit betreft, kan de rechtbank niet vaststellen dat en in welke mate de vastgestelde stoornissen hebben doorgewerkt in dit feit. De rechtbank rekent zaak B dan ook volledig aan verdachte toe.
De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt met voorwaarden en dat aan de formele voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan. De rechtbank stelt op basis van voornoemde rapportages vast dat tijdens het begaan van het feit bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts vereist de veiligheid van anderen, gelet op het hoge recidiverisico voor geweldsdelicten als verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij, het opleggen van die maatregel.
De rechtbank komt tot de conclusie dat uitsluitend tbs met voorwaarden een passend kader vormt voor de behandeling van verdachte. Hoewel de psycholoog de ISD maatregel als mogelijkheid noemt, stelt de rechtbank vast dat deze maatregel niet in aanmerking komt omdat verdachte(nog) niet voldoet aan de zogenoemde zachte ISD-criteria en deze maatregel door de deskundigen onvoldoende passend wordt geacht voor de behandeling van de problematiek van verdachte. Het genoemde alternatief van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden acht de rechtbank onvoldoende om het recidiverisico te beperken. Uit de toelichting van de reclassering volgt namelijk dat het eerdere reclasseringstoezicht om uiteenlopende redenen – bijvoorbeeld omdat verdachte wisselend afsprakentrouw is - niet van de grond is gekomen. Verdachte lijkt zich thans wel aan de voorwaarden te houden, waarbij de geadviseerde tbs, volgens de reclassering bij verdachte een grotere bereidheid creëert om hulpverlening te accepteren. De motivatie van verdachte is daarmee in belangrijke mate extern gedreven.
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen dat behandeling binnen een minder dwingend kader dit keer wel succesvol zal zijn. Mede gelet op de externe motivatie van verdachte, acht de rechtbank het risico groot dat behandeling onvoldoende van de grond komt zonder tbs, terwijl behandeling gelet op de problematiek van verdachte en het recidiverisico noodzakelijk is. Tegelijkertijd acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte, zich bewust van het feit dat het niet houden aan de voorwaarden kan leiden tot omzetting naar tbs dwangverpleging, gemotiveerd blijft om aan de behandeling mee te werken.
De rechtbank acht oplegging van tbs met voorwaarden daarom noodzakelijk en proportioneel en zal daarbij de voorwaarden opleggen zoals door de reclassering geadviseerd. Verdachte heeft zich ter terechtzitting van 10 juni 2026 bereid verklaard om deze voorwaarden na te leven.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank vindt het bovendien noodzakelijk dat de behandeling van verdachte direct na dit vonnis aanvangt, ook indien hoger beroep wordt ingesteld.
Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting
Het bewezenverklaarde feit in zaak A is een misdrijf dat gericht is tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat, in geval van een omzetting van de tbs met voorwaarden in een tbs met dwangverpleging, de termijn van de tbs met dwangverpleging niet beperkt is tot vier jaren.
De ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het strafblad van verdachte, tevens het opleggen van een gevangenisstraf. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in zaak A, zijn persoonlijke omstandigheden en de oplegging van tbs, zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur die door verdachte in voorarrest is doorgebracht. De rechtbank legt dan ook een gevangenisstraf op voor de duur van 81 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Op basis van voornoemde deskundigenrapportages is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling en is het lastig in te schatten hoe leerbaar verdachte is, vanwege zijn verslaving, psychische problematiek en laagbegaafdheid. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om, nadat de tbs afloopt, langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom, naast tbs met voorwaarden, ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.
Schorsing van de voorlopige hechtenis
Verdachte is op 9 juni 2025 aangehouden en in verzekering gesteld en op 10 juni 2025 in bewaring gesteld. De rechtbank heeft op de pro forma zitting van 27 augustus 2025 het bevel voorlopige hechtenis met ingang van 28 augustus 2025 geschorst.
De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd het bevel tot voorlopige hechtenis bij eindvonnis opnieuw te schorsen onder de voorwaarden van de tbs-maatregel. De rechtbank beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst blijft en zal de voorwaarden verbonden aan deze schorsing wijzigingen in die zin dat dit dezelfde voorwaarden worden als de voorwaarden die aan de tbs-maatregel zijn verbonden.
Deze voortdurende schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank nodig, omdat omzetting van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden (bij overtreding van de voorwaarde van de tbs) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. Als verdachte de in het kader van de tbs maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situatie de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.4.3 en 6.5. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.