ECLI:NL:RBAMS:2026:6408

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
12010097 \ CV EXPL 25-17175
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:204 BWArt. 7:207 lid 1 BWArt. 7:241 BWArt. 7:272 lid 1 BWArt. 7:274 lid 1 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst woning wegens dringend eigen gebruik en proceskostenveroordeling

De verhuurster vordert ontbinding van de huurovereenkomst van een woning wegens dringend eigen gebruik, omdat zij de woning zelf wil betrekken na haar echtscheiding. De huurder verzet zich tegen de beëindiging en vordert onder meer huurprijsvermindering wegens gebreken en een verhuiskostenvergoeding.

De kantonrechter stelt vast dat de verhuurster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de woning dringend nodig heeft voor eigen bewoning en dat de belangenafweging uitwijst dat haar belangen zwaarder wegen dan die van de huurder. De huurder kan passende woonruimte verkrijgen, mede gelet op zijn inkomen en het aanbod van alternatieve woningen.

De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming wordt toegewezen per 30 september 2026. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en wettelijke rente. De gevorderde huurprijsvermindering wegens gebreken wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verhuurster wordt veroordeeld tot betaling van een redelijke tegemoetkoming in verhuiskosten van € 2.000. Proceskosten in conventie worden aan de huurder opgelegd, in reconventie worden de kosten gecompenseerd.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens dringend eigen gebruik, de huurder moet ontruimen en achterstallige huur betalen, en krijgt een verhuiskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12010097 \ CV EXPL 25-17175
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
[verhuurster],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [verhuurster] ,
gemachtigde: mr. J. Kouvarnta,
tegen
[huurder],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. M. Wervenbos (DAS)

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 13 maart 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [huurder] nog nadere producties in het geding gebracht. [verhuurster] heeft een conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie met nadere producties ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verhuurster] en [huurder] zijn verschenen met hun gemachtigden. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd, onder meer aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verhuurster] is eigenaresse van de woning aan het [adres] (hierna: de woning). Haar hypotheeklasten voor deze woning zijn thans € 641,42 bruto per maand.
2.2.
[verhuurster] verhuurt deze woning sinds september 2016 aan [huurder] . [verhuurster] is op dat moment ingetrokken bij haar toenmalige echtgenoot. Omdat partijen het nooit eens zijn geworden over de huurcondities is de huurovereenkomst niet op schrift gesteld.
2.3.
De huidige huurprijs voor de woning bedraagt € 1.177,00 per maand.
2.4.
Bij e-mailbericht van 4 maart 2023 heeft [huurder] [verhuurster] als volgt geïnformeerd: “(…) In het onderstaande verzoek herhaalde ik de reden waarom ik niet graag reparatieverzoeken aan jou stuur. Deze reden had ik telefonisch ook al met je gedeeld. De reden is omdat je vaker beloofd dingen op te lossen maar vervolgens niks (…) doet. (Zoals ‘het dossier’ lekkage en schimmelvorming van de badkamer en keuken dat inmiddels ruim 4,5 jaar duurt en waarvan de herstelwerkzaamheden nog steeds niet af zijn). (…). Ik informeer je alvast dat het uitblijven van een schriftelijke inhoudelijke reactie via email (…) en/of concrete oplossingen zal leiden tot de noodzaak om jou als verhuurder formeel in gebreke te stellen. Tevens kan een deel van de maandelijkse huur, ingaande bij de huur van de maand april 2023, tijdelijk worden ingehouden omdat verhuurder niet aan haar onderhoudsverplichtingen voldoet. (…).”
Op 3 april 2023 en 30 mei 2023 heeft [huurder] opnieuw e-mailberichten naar [verhuurster] gestuurd waarin hij refereert aan gebreken in de woning.
2.5.
Met ingang van 1 mei 2023 heeft [huurder] 20% van de huur ingehouden wegens door hem ervaren vocht- en schimmelgebreken in de woning.
2.6.
Op 16 januari 2025 heeft [verhuurster] [huurder] bericht dat zij de huurovereenkomst wenste te beëindigen, omdat zij vanwege een naderende echtscheiding zelf de woning weer wilde betrekken. [huurder] heeft [verhuurster] op 15 mei 2025 bericht dat hij daaraan niet wil meewerken.
2.7.
Op 9 september 2025 heeft [verhuurster] de huurovereenkomst met [huurder] opgezegd tegen 1 april 2026 op grond van dringend eigen gebruik. Op 10 september 2025 is de echtscheiding tussen [verhuurster] en haar toenmalige echtgenoot uitgesproken. Bij brief van 4 november 2025 heeft [huurder] [verhuurster] bericht dat hij niet instemt met de opzegging van de huurovereenkomst.
2.8.
Per brief van 26 februari 2026 heeft de gemeente Amsterdam aan de beheerder van de VvE (die de gezamenlijke belangen van alle appartementen in het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt, behartigt) bericht dat melding is gemaakt van vocht- en schimmelproblemen in de woning en dat daarom een inspectie in de woning is uitgevoerd. Als bijlage bij de brief is een voorzieningenlijst meegezonden waarin onder meer het volgende staat vermeld:
“(…)
Het aanwezige vocht in de woning condenseert op het plafond van de badkamer, gang en woonkamer met schimmelvorming tot gevolg. Zwarte schimmel is giftig en is daardoor een gevaar voor de gezondheid van personen. De schimmel moet worden verwijderd en het ontstaan van schimmel moet worden voorkomen, (art. 3.5 Bbl).
(…)
De ventilatievoorziening in de badkamer heeft onvoldoende capaciteit (de gemeten waarde is 0,0 liter per seconde). Daardoor ontstaat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Er moet een ventilatievoorziening met een afvoercapaciteit van ten minste 14 liter per seconde worden aangebracht, waarbij de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten plaatsvindt. Dit kan gerealiseerd worden met een mechanische ventilatie, dan wel een oplossing hieraan gelijkwaardig.
(…).”
Verder staat daarin, voor zover hier van belang, ook vermeld dat in de kleine slaapkamer en op de kozijnen van de grote slaapkamer schimmel is geconstateerd. In de brief is de beheerder verzocht/gesommeerd om tot herstel van de geconstateerde gebreken over te gaan.
2.5.
[huurder] heeft een inkomen van ruim € 6.000,00 netto per maand uit vast dienstverband. Daarnaast verricht hij af en toe tegen betaling werkzaamheden als zzp-er. [huurder] heeft een nieuwbouwwoning in [plaats 1] gekocht. Deze woning wordt naar verwachting medio 2027 opgeleverd.
2.6.
[verhuurster] heeft een WW-uitkering van € 2.694,38 die binnenkort tot een einde komt. Als zij op dat moment nog geen baan heeft, zal zij daarna een beroep moeten doen op een bijstandsuitkering als zij daarvoor in aanmerking komt. Zij heeft een stacaravan gehuurd in [plaats 2] waarin zij tot en met mei tegen gereduceerde kosten mag verblijven.

3.De vorderingen en het verweer in conventie

3.1.
[verhuurster] vordert in conventie - samengevat - dat de kantonrechter de huurovereenkomst met betrekking tot de woning ontbindt en dat [huurder] wordt veroordeeld tot ontruiming daarvan. Verder vordert zij dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 9.386,70 aan achterstallige huurpenningen en een maandelijkse gebruiksvergoeding gelijk aan de laatstelijk verschuldigde huur vanaf het moment van ontbinding tot de daadwerkelijke ontruiming, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
[verhuurster] legt aan haar vordering kort gezegd ten grondslag dat zij de woning vanwege haar echtscheiding en financiële situatie dringend nodig heeft voor eigen bewoning (artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro) en dat haar belangen bij beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan de belangen van [huurder] bij voortduring daarvan. [verhuurster] heeft nauwelijks inschrijfverleden voor een sociale huurwoning en onvoldoende inkomen voor een huurwoning in de vrije sector. Bovendien heeft zij een hond die zij onderdak moet geven. [huurder] beschikt over voldoende inkomen voor een woning in de vrije sector en uit overgelegde advertenties blijkt dat voor hem passende woonruimte elders te verkrijgen is. Vanaf 30 april 2023 betaalt [huurder] niet de volledige huurprijs waardoor een achterstand is ontstaan.
3.3.
[huurder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Volgens [huurder] heeft [verhuurster] de door haar gestelde dringendheid onvoldoende onderbouwd. De door haar gestelde omstandigheden zijn algemeen van aard en onvoldoende toegespitst op een actuele en concrete noodzaak tot bewoning van de woning. Het tijdverloop tussen de echtscheiding en de gevraagde huurbeëindiging per 1 april 2026 onderstrepen dat. Verder ontbreken controleerbare inkomens- en vermogensgegevens van [verhuurster] en is niet aannemelijk gemaakt dat zelfbewoning van de woning de enige reële oplossing is voor haar omstandigheden. Er is onvoldoende toegelicht welke woonalternatieven [verhuurster] voor zichtzelf heeft onderzocht. Als al sprake zou zijn van een dringende situatie, dient een belangenafweging in het voordeel van [huurder] uit te vallen gelet op i) de langdurige/ernstige gebreken die zijn huurgenot aantasten, ii) het concrete vooruitzicht op zijn verhuizing in 2027 en iii) de forse impact van een tussentijdse verhuizing. Door de lange looptijd van de huurovereenkomst is sprake van sociale inbedding in het flatgebouw en [huurder] is gebonden aan de omgeving vanwege zijn arbeidslocatie en medische behandelingen die hij ondergaat. [verhuurster] heeft verder niet aangetoond dat - gelet op de financiële en medische situatie van [huurder] - passende vervangende woonruimte voor [huurder] voor handen is. Van een huurachterstand is geen sprake. Sinds mei 2023 heeft [huurder] 20% op de huur ingehouden vanwege aanwezige vocht- en schimmelgebreken, waarvan hij [verhuurster] vanaf 2017 mededeling heeft gedaan. Verder zijn in 2024 en 2025 gebreken ontstaan aan keukenapparatuur en lekkages bij kozijnen en deuren. Omdat na melding hiervan herstel uitbleef, heeft [huurder] enkele noodzakelijke reparaties zelf uit laten voeren en de kosten begin 2025 met de huur verrekend.
3.4.
Voor het geval de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming worden toegewezen, maakt [huurder] in reconventie aanspraak op een forfaitaire verhuiskostenvergoeding van € 7.673,00. Verder vordert [huurder] , onvoorwaardelijk en na wijziging van eis, dat
i) voor recht wordt verklaard dat de huurprijs met 20% mag worden verminderd vanaf 30 april 2023 tot het moment dat herstel van desbetreffende gebreken in de woning heeft plaatsgevonden, dan wel dat [verhuurster] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens gederfd woongenot ter hoogte van de totaal toegepaste huurkorting van € 8.003,60, te vermeerderen met wettelijke rente;
ii) [verhuurster] wordt veroordeeld tot herstel van deze gebreken, zijnde lekkage-, vocht- en schimmelklachten en de daardoor ontstane gevolgschade, op straffe van verbeurte van een dwangsom en
iii) [verhuurster] wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.5.
[verhuurster] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie.
3.6.
Op de stelling van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.
Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld.
4.2.
Beantwoord moet worden of [verhuurster] een geslaagd beroep kan doen op dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 sub c van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van dat artikel kan de kantonrechter een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst - zoals de vordering van [verhuurster] wordt begrepen - toewijzen als de verhuurder aannemelijk maakt dat hij de woning zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik dat van hem niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. De kantonrechter moet daarbij de belangen van partijen tegen elkaar afwegen. Verder moet blijken dat de huurder andere passende woonruimte kan krijgen.
Er is sprake van dringend eigen gebruik
4.3.
[verhuurster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringend eigen gebruik, omdat zij zelf weer in de woning wil gaan wonen. Niet in geschil is dat de echtscheiding tussen [verhuurster] en haar ex-echtgenoot in november 2025 is uitgesproken en dat zij daardoor de door hen tot dat moment bewoonde woning moest verlaten omdat deze eigendom is van haar ex-echtgenoot. Zij heeft geen andere woonruimte ter beschikking, zodat zij vanaf het moment van de echtscheiding geen vaste verblijfplaats heeft. Zij heeft verbleven bij vrienden en verblijft op dit moment tijdelijk in een vakantiewoning in [plaats 2] . [huurder] heeft onvoldoende aangevoerd om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De dringendheid van het eigen gebruik van de woning door [verhuurster] staat daarmee voldoende vast. Dat [verhuurster] een opzegtermijn van zes maanden heeft gehanteerd doet daar niet af.
De belangen van [verhuurster] wegen zwaarder dan de belangen van [huurder]
4.4.
Gelet op de duur van de huurovereenkomst ligt voor de hand dat [huurder] een band met de buurt heeft opgebouwd. Ook is duidelijk dat [huurder] een belang heeft om in de woning te kunnen wonen totdat zijn nieuwbouwwoning gereed is, zodat hij niet twee keer hoeft te verhuizen. Dit belang is echter niet van zodanig gewicht dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Tegenover het belang van [huurder] staat immers het belang van [verhuurster] om zo snel mogelijk in haar eigen woning te kunnen wonen. De nieuwbouwwoning van [huurder] wordt naar verwachting pas medio 2027 opgeleverd, zodat [verhuurster] gedurende die tijd elders zou moeten verblijven. Daarbij is van belang dat [verhuurster] voldoende onderbouwd heeft toegelicht dat zij thans leeft van een WW-uitkering waardoor zij financieel beperkt wordt om een andere passende woning te huren. De lasten daarvan zijn beduidend hoger dan de lasten van haar hypotheek. [huurder] heeft, gelet op zijn aanzienlijke inkomen, ruimere mogelijkheden voor het huren van een andere woning. Het door [huurder] aangevoerde argument dat dit hem dubbele woonlasten bezorgt (huur en hypotheekrente) gaat niet op. Dat is immers nu ook zo. [huurder] heeft verder gesteld dat hij vanwege zijn medische situatie (en behandelingen die hij moet ondergaan) en zijn werk gebonden is aan de locatie van de huurwoning. Deze stelling is echter in het geheel niet onderbouwd en valt niet te begrijpen tegen de achtergrond van het feit dat de door hem gekochte nieuwbouwwoning in [plaats 1] ligt. Aan die stelling wordt dan ook als ongemotiveerd voorbij gegaan. Evenmin valt in te zien waarom de aanwezigheid van gebreken in de woning het belang van [huurder] om daar te blijven wonen, onderstrepen. Het tegenovergestelde zou evengoed bepleit kunnen worden.
4.5.
Samenvattend wegen de belangen van [verhuurster] bij dringend eigen gebruik van de woning zwaarder dan de belangen van [huurder] bij behoud van de woning. Van [verhuurster] kan in de gegeven omstandigheden niet worden gevergd dat de huurovereenkomst nog langer wordt voortgezet.
[huurder] kan passende woonruimte verkrijgen
4.6.
[verhuurster] heeft een overzicht van een aantal beschikbare huurwoningen in [locatie] overgelegd. Anders dan [huurder] heeft aangevoerd, valt niet in te zien waarom daaruit niet kan worden afgeleid dat passende woonruimte voor [huurder] beschikbaar is. Een concreet aanbod van een vervangende woning is niet vereist. [verhuurster] heeft dan ook - mede gelet op het inkomen van [huurder] en het feit dat hij alleenstaand is - aan haar stelplicht op dit punt voldaan. [huurder] heeft verder niet concreet betwist dat deze huurwoningen passend voor hem zouden kunnen zijn. Daarbij is van belang dat passende woonruimte niet gelijk hoeft te zijn aan de woning die [huurder] nu huurt. Ook woningen die bijvoorbeeld qua omvang of locatie een ander woongenot bieden dan de woning kunnen passend zijn. Gelet op het inkomen van [huurder] , geldt dit ook voor gelijkwaardige woningen met een hogere huurprijs. Hierbij speelt ook een rol dat vanwege (de medio 2027 verwachte oplevering van) de door [huurder] gekochte nieuwbouwwoning vervangende woonruimte slechts voor een beperkte duur noodzakelijk is, zodat aan de passendheid daarvan minder hoge eisen hoeven te worden gesteld. In dit verband weegt verder in het nadeel van [huurder] mee dat niet is gebleken dat hij zelf heeft geprobeerd om een andere woning te vinden, hij geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van [verhuurster] om van het netwerk van haar voormalige werkgever (een bedrijf dat bemiddelt bij de totstandkoming van huurovereenkomsten voor woonruimte) gebruik te maken voor het vinden van een andere huurwoning en hij de door een vriendin van [verhuurster] aan [huurder] aangeboden huurwoning heeft geweigerd. Aan het vereiste van andere passende woonruimte is in dit geval dan ook voldaan.
Einde huurovereenkomst en ontruiming
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op dringend eigen gebruik slaagt. De vorderingen om een datum vast te stellen waarop de huurovereenkomst eindigt en de woning moet worden ontruimd, zullen daarom worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Nu geen sprake is van ontbinding van de huurovereenkomst en de opgezegde huurovereenkomst van rechtswege van kracht blijft, kort gezegd totdat de rechter daarover onherroepelijk heeft beslist, wordt de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding afgewezen. [huurder] is op grond van de huurovereenkomst de huurprijs verschuldigd zolang hij het gehuurde niet heeft ontruimd.
Gebreken in de woning/huurprijsvermindering/herstel
4.8.
Het begrip gebrek als bedoeld in artikel 7:204 BW Pro is voor woonruimte uitgewerkt in artikel 7:241 BW Pro. Dat artikel verwijst naar het Besluit Gebreken (bijlage bij het Besluit huurprijzen woonruimte), door de huurcommissie uitgewerkt in het Beleidsboek Gebreken. Op grond van artikel 7:207 lid 1 BW Pro kan een huurder in geval van vermindering van huurgenot door een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.
4.9.
Ter onderbouwing van de door hem gestelde gebreken heeft [huurder] verwezen naar de e-mailberichten van 4 maart 2023, 3 april 2023 en 30 mei 2023 (zie 2.4 hiervoor). Uit die e-mailberichten valt slechts op te maken dat [huurder] (voldoende concreet) heeft geklaagd over vocht- en schimmelproblematiek in de badkamer en de keuken. Andere gebreken aan de woning worden in die e-mailberichten niet, althans niet voldoende, toegelicht. [huurder] noemt daarin weliswaar nog de reparatie van een deur en microwave/oven, maar niet wat daarmee mis is. Mogelijk heeft hij andere gebreken wel toegelicht in eerdere e-mailcorrespondentie met [verhuurster] waarnaar wordt verwezen, maar die is niet in het geding gebracht. Bij gebreke daarvan kan niet worden vastgesteld of (en zo ja wanneer) [huurder] deze door hem gestelde gebreken voldoende onder de aandacht heeft gebracht van [verhuurster] , zoals is vereist om aanspraak te kunnen maken op huurvermindering.
4.10.
Dat daadwerkelijk sprake is (geweest) van (vochtproblematiek en) schimmelvorming in de keuken, is evenwel onvoldoende onderbouwd. De aanwezigheid daarvan staat niet vermeld in het door de gemeente opgestelde rapport van de inspectie van de woning van 18 februari 2026. Voor zover [huurder] dit heeft willen onderbouwen met de door hem in het geding gebrachte foto’s, geldt dat op die foto’s niet valt te zien welke ruimte de keuken is.
4.11.
In het rapport van de gemeente staat wel vermeld dat sprake is van schimmelvorming op het plafond van de badkamer. Volgens de gemeente heeft de ventilatievoorziening in de badkamer onvoldoende capaciteit en moet er mechanische ventilatie worden aangelegd. Ventilatiegebreken worden op grond van het beleidsboek gebreken van de huurcommissie pas als een ernstig gebrek worden aangemerkt als i) sprake is van onvoldoende mogelijkheid tot ventilatie waardoor ernstige stank- en vochtoverlast ontstaat of ii) vrijwel constant vocht- of schimmelvorming aanwezig is, veroorzaakt door condensatie van waterdamp als gevolg van onvoldoende ventilatiemogelijkheden of onvoldoende thermische kwaliteit van de constructiedelen in de badkamer, en als de vocht- en schimmelvorming aanwezig is over een oppervlakte van 0,25 m2 of meer (categorie C sub 1 en CNb3 van het gebrekenboek). [huurder] heeft niet gesteld dat sprake is van stankoverlast. Evenmin blijkt uit de door hem in het geding gebrachte foto’s (van januari 2026) of het rapport van de gemeente dat in de badkamer sprake is van vochtoverlast en/of schimmelvorming over een oppervlakte van 0,25 m2, laat staan dat dit het geval was over de gehele periode vanaf 1 mei 2023. In tegendeel, uit de e-mailberichten van [huurder] blijkt dat tussentijds maatregelen zijn getroffen om de schimmel te verhelpen en dat deze tijdelijk geholpen hebben. [huurder] heeft dus onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat in de keuken en badkamer sprake is (geweest) van een schimmelgebrek dat vermindering van het huurgenot oplevert die een huurprijsvermindering rechtvaardigt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
4.12.
Op grond van het voorgaande worden de door [huurder] gevorderde verklaring voor recht dat de huurprijs wegens gebreken mocht worden verminderd, en de vorderingen tot vergoeding van schade en herstel van gebreken afgewezen. [huurder] moet de door hem ingehouden huur alsnog aan [verhuurster] betalen. [huurder] heeft onvoldoende weersproken aangevoerd dat dit - na verrekening van een aantal achterstallige reparaties in de woning waarvan [verhuurster] niet heeft betwist dat deze voor haar rekening behoren te komen - een bedrag betreft van € 8.003,60, zodat dit bedrag wordt toegewezen. Ook de daarover onbetwist gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen.
Verhuis- en inrichtingskosten
4.13.
[huurder] maakt op grond van artikel 7:275 lid 1 BW Pro aanspraak op een bijdrage aan de verhuis- en inrichtingskosten. In dit geval geldt het in lid 4 van dat artikel genoemde minimumbedrag niet. [huurder] heeft zelf geen aanknopingspunten genoemd voor de door hem te maken kosten in geval van een verhuizing naar een andere woning. Omdat [huurder] een woning heeft gekocht die naar verwachting medio 2027 wordt opgeleverd, zal hooguit sprake zijn van een verhuizing naar een andere tijdelijke woning voor korte duur en is niet aannemelijk dat [huurder] daarvoor inrichtingskosten zal moeten maken. Wel is het redelijk dat [verhuurster] [huurder] in dat geval een tegemoetkoming betaalt voor deze (extra) verhuizing. Nu [huurder] niets heeft gesteld over de te maken kosten voor een dergelijke verhuizing, worden deze in redelijkheid begroot op € 2.000,00. Het enkele feit dat [verhuurster] over beperkte financiële middelen beschikt, maakt niet dat de tegemoetkoming niet kan worden toegewezen. De vergoeding van deze kosten is pas toewijsbaar als [huurder] de woning daadwerkelijk verlaat naar een tijdelijke woning vooruitlopend op de verhuizing naar zijn koopwoning. Gelet op de hoogte van het bedrag ziet de kantonrechter geen aanleiding om gebruik te maken van de in art. 7:275 lid 2 BW Pro gegeven mogelijkheid om [verhuurster] een termijn te gunnen waarbinnen zij de opzegging kan intrekken.
Overige vorderingen en proceskosten
4.14.
[verhuurster] heeft een machtiging gevorderd om de ontruiming zo nodig met behulp van de deurwaarder en de sterke arm zelf te kunnen bewerkstelligen. Deze vordering wordt afgewezen. De wet schrijft namelijk al voor dat de gedwongen ontruiming gebeurt door een deurwaarder. Als [huurder] de woning niet tijdig zelf verlaat, dan zal [verhuurster] na betekening van dit vonnis op grond van de wet (artikelen 555 en verder, in samenhang met artikel 444 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) de deurwaarder in moeten schakelen om [huurder] te dwingen de woning te verlaten.
4.15.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van eisers worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 257,00
- salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00)
- nakosten
€ 72,00(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing vermeld)
Totaal € 1.152,45
In reconventie zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten worden gecompenseerd.
De beslissing wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.15.
De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt, behoudens voor zover het om de proceskosten en de achterstallige huur gaat, afgewezen. In artikel 7:272 lid 1 BW Pro is ten aanzien van huur van woonruimte bepaald dat een opgezegde huurovereenkomst in een geval als dit van rechtswege van kracht blijft, totdat de rechter kort gezegd daarover onherroepelijk heeft beslist. Daar kan slechts bij zeer bijzondere omstandigheden van worden afgeweken. Dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
stelt vast dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het [adres] eindigt op 30 september 2026,
5.2.
veroordeelt [huurder] om de woning aan het [adres] te ontruimen per 30 september 2026, met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurster] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurster] ,
5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling van € 8.003,60 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere afzonderlijke huurtermijn tot de dag van betaling,
5.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.152,45, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,
5.5.
verklaart de beslissingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.6.
stelt het bedrag dat [verhuurster] aan [huurder] moet betalen als tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten vast op € 2.000,00,
5.7.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in conventie en reconventie
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
42146