ECLI:NL:RBAMS:2026:6429

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/13/788269
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 BWArt. 4:185 BWArt. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslaglegging op nalatenschap onrechtmatig; beslagen opgeheven en huurachterstand toegewezen

Eiseressen, dochters van een overleden vrouw, vorderden inzage in stukken van de nalatenschap van erflaatster en legden conservatoir beslag op bankrekeningen en roerende zaken. Gedaagde, enig erfgenaam en executeur, verzocht opheffing van het beslag en schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat eiseressen geen belang hadden bij inzage omdat zij schuldeisers en geen erfgenamen zijn, en dat de vordering reeds in een bodemprocedure aan de orde is. Het conservatoir beslag werd onrechtmatig geacht omdat het binnen de wettelijke beraadtermijn was gelegd zonder concrete aanwijzingen van verduistering.

De beslagen werden opgeheven, en eiseressen werden veroordeeld tot betaling van €1.163,26 aan achterstallige huur als gevolg van het beslag. De overige schade- en proceskostenvergoedingen werden afgewezen. Eiseressen werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van €1.459,00.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot inzage af, heft het conservatoir beslag op en veroordeelt eiseressen tot betaling van huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788269 / KG ZA 26-436 MdV/KH
Vonnis in kort geding van 24 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2] ,
3.
[eiser 3],
te [woonplaats 1] ,
eisende partijen in conventie bij dagvaarding van 2 juni 2026,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: eiseressen,
advocaat: mr. F.L.P. Vulto,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: gedaagde,
advocaat: mr. N.C. Bouman-de Vos.

1.De procedure

Ter zitting van 10 juni 2026 hebben eiseressen de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Gedaagde heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld, die eiseressen hebben bestreden. Beide partijen hebben producties ingediend en namens eiseressen is een pleitnota (deels) voorgedragen. Ter zitting waren aanwezig, voor zover relevant, partijen met hun advocaten. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Eiseressen zijn de dochters van [moeder eiseressen] , die is overleden op [overlijdensdag 1] 2024. De nalatenschap van [moeder eiseressen] is van rechtswege overgegaan op zijn echtgenote, [erflaatster] .
2.2.
[erflaatster] (hierna: erflaatster) is op [overlijdensdag 2] 2026 overleden. Gedaagde is in het testament van erflaatster tot enig erfgenaam en executeur van de nalatenschap benoemd.
2.3.
Eiseressen menen dat zij op grond van artikel 4:13 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) een vordering hebben op de nalatenschap van erflaatster – in de vorm van hun kindsdeel van de nalatenschap van [moeder eiseressen] – van minimaal € 509.319 (gezamenlijk).
2.4.
Ter verzekering van die vordering hebben eiseressen op 13 februari 2026 ten laste van de nalatenschap van erflaatster conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V., Coöperatieve Rabobank U.A. en ASN Bank N.V. Ook is conservatoir beslag gelegd op de roerende zaken in de sociale huurwoning van erflaatster (hierna: de huurwoning).
2.5.
Uit de verklaring derdenbeslag van de ING Bank N.V. van 9 april 2026 blijkt dat ten tijde van het beslag op de ING-rekening van erflaatster een bedrag van € 600.181,75 stond. Ter zitting is gebleken dat ook het beslag bij ABN AMRO Bank N.V. doel heeft getroffen: voor € 168.151,38 op de ‘direct sparen’ rekening en voor € 10.563,60 op de privérekening.
2.6.
Op 13 maart 2026 hebben eiseressen bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot benoeming van een onafhankelijke vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster. Op 17 maart 2026 is door hen ook een bodemprocedure aanhangig gemaakt. In die bodemprocedure wordt in een afzonderlijk incident door eiseressen op grond van artikel 194 en Pro 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgifte van stukken gevorderd.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
Eiseressen vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. gedaagde te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan eiseressen, door tussenkomst van hun advocaat, inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken van de in randnummer 33 onder i. tot en met xiii. opgesomde gegevens, op straffe van een dwangsom,
II. gedaagde te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Gedaagde voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
In reconventie
3.4.
Gedaagde vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. eiseressen te veroordelen tot opheffing van alle door hen gelegde beslagen ten laste van de nalatenschap van erflaatster of ten laste van gedaagde, pro se of in haar hoedanigheid van executeur, onder de ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V., Coöperatieve Rabobank U.A. en ASN Bank N.V. op de vorderingen die de nalatenschap heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhoudingen rechtstreeks zal verkrijgen en op de roerende zaken in de huurwoning, binnen een week na dit vonnis, op straffe van een dwangsom,
II. eiseressen te veroordelen tot betaling aan de nalatenschap van erflaatster van de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beslagleggingen door eiseressen, waaronder de huurtermijnen vanaf de datum van de beslagleggingen ad € 1.163,26 tot dusver, en de rente en boetes i.v.m. de schulden die als gevolg van de beslagleggingen niet voldaan kunnen worden,
III. eiseressen te veroordelen tot betaling aan gedaagde van de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beslagleggingen en het nodeloos procederen, waaronder alle juridische kosten die gedaagde heeft moeten maken, ad tot dusver € 10.231,83, en nog zal maken in het kader van de door eiseressen tegen gedaagde en de nalatenschap van erflaatster gestarte juridische procedures,
IV. eiseressen te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
Eiseressen voeren verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.
4.2.
De vordering in conventie ziet op het verstrekken door gedaagde van inzage in of afschrift of uittreksel van de in de dagvaarding genoemde gegevens. Die vordering wordt afgewezen. Eiseressen hebben bij merendeel van de gevraagde gegevens geen belang, nu zij geen erfgenamen zijn van erflaatster, maar enkel schuldeisers ten aanzien van haar nalatenschap. Specifiek ten aanzien van de onder vi. genoemde eerdere testamenten geldt verder dat deze zich niet in de macht van gedaagde kunnen bevinden, omdat ze bij de notaris worden bewaard, die bovendien te dien aanzien een beroepsgeheim heeft. Ten slotte is ter zitting duidelijk geworden dat in het incident in de bodemzaak (2.6) al een beslissing zal worden gegeven over exact dezelfde vordering. Dat het noodzakelijk is om daar in dit kort geding op vooruit te lopen, is onvoldoende gesteld of gebleken.
4.3.
Vordering I in reconventie heeft betrekking op het opheffen van de gelegde beslagen. Deze vordering wordt toegewezen. Deze beslissing wordt als volgt toegelicht.
4.4.
Eiseressen hebben de beslagen gelegd zo’n 14 dagen na het overlijden van erflaatster. Daarmee hebben zij de wettelijke termijn van beraad (artikel 4:185 BW Pro) doorkruist. Die termijn is ervoor bedoeld om erfgenamen de gelegenheid te bieden zich een beeld te vormen van de nalatenschap en een beslissing te kunnen nemen over het wel of niet aanvaarden daarvan, zonder dat schuldeisers zich daarin mengen. Weliswaar verbiedt artikel 4:185 BW Pro niet met zoveel woorden het leggen van conservatoir beslag, maar gelet op de gevolgen die een dergelijk beslag kan hebben (en in dit geval ook heeft, zie hierna) dient zo kort na een overlijden grote terughoudendheid te worden betracht alvorens beslag wordt gelegd. Eiseressen hebben gedaagde vooraf niet aangeschreven, laat staan gesommeerd. Zij hebben zonder meer aangenomen dat gedaagde de nalatenschap zou verduisteren, zonder dat zij zich hiervan verder hebben geprobeerd te vergewissen en zonder dat er daadwerkelijk concrete aanwijzingen voor waren dat hun aanname juist was. Hun aanname was bovendien onjuist, zoals wel blijkt uit het getroffen saldo op de bankrekeningen. Dit alles leidt voorshands tot de conclusie dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd, zodat ze om die reden moeten worden opgeheven.
4.5.
Ook een afweging van de wederzijdse belangen van partijen leidt overigens tot opheffing. De gevolgen van de beslaglegging zijn groot. Gedaagde heeft zelfs de kosten van de uitvaart van de erflaatster nog niet kunnen betalen. Een belastingaanslag ten laste van de erflaatster is onbetaald gebleven, net als de huur en andere vaste lasten van de huurwoning van erflaatster. De huur van die (sociale) huurwoning kan ook niet worden opgezegd, omdat de beslagen roerende zaken zich in die woning bevinden. Die zaken vertegenwoordigen overigens geen bijzondere waarde, zoals ter zitting is gebleken. Daar tegenover is het belang van eiseressen om verhaal te kunnen nemen voor hun vordering voldoende gewaarborgd. Het saldo op de bankrekeningen toont aan dat er meer dan genoeg in de nalatenschap zit om de vordering van eiseressen te kunnen voldoen. Er is geen enkele objectieve aanwijzing dat gedaagde als executeur geld zal verduisteren of haar taak anderszins niet goed zal verrichten. Zij heeft, ook richting eiseressen voorafgaand aan deze procedure, duidelijk gemaakt dat zij de nalatenschap goed wil afwikkelen. Daaraan hoeft niet te worden getwijfeld. In dit kader wordt terzijde nog opgemerkt dat eiseressen met hun stellingen lijken te miskennen dat erflaatster naar eigen inzicht mocht beschikken over haar hele vermogen, inclusief het vermogen dat zij van haar echtgenoot (de vader van eiseressen) had geërfd. Erflaatster was niet verplicht om ervoor te zorgen dat de gehele nalatenschap van haar echtgenoot ook bij haar eigen overlijden nog intact zou zijn. Overigens lijkt het er voorshands op dat dit vermogen wel degelijk grotendeels intact is gebleven.
4.6.
Vordering II in reconventie ziet op geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beslagleggingen door eiseressen, waaronder € 1.163,26 aan achterstallige huur en de rente en boetes in verband met de schulden die als gevolg van de beslagleggingen niet voldaan kunnen worden. Zoals hiervoor is toegelicht, wordt voorshands geoordeeld dat het gelegde beslag onrechtmatig is. Voor toewijzing van een geldvordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat is voor nu enkel het geval ten aanzien van het concrete bedrag van € 1.163,26 aan achterstallige huur, nu de huur is doorgelopen als gevolg van het beslag op de roerende zaken. Alleen dat bedrag wordt daarom toegewezen.
4.7.
Vordering III in reconventie heeft betrekking op de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beslagleggingen en het, volgens gedaagde, nodeloos procederen. Zij vordert in dit verband een bedrag van € 10.231,83 aan gemaakte juridische kosten. Daarbij is niet gespecificeerd welk deel van deze kosten betrekking heeft op welke procedure. In dit kort geding kan niet worden geoordeeld over de eventuele onrechtmatigheid van de andere procedures (2.6); dat zal in die zaken moeten worden beoordeeld. Mogelijk is een deel van de opgevoerde kosten gevolg van de onrechtmatige beslagen, en komen die kosten daarom voor vergoeding in aanmerking, maar in dit kort geding kan niet eenvoudig worden vastgesteld welk deel van de kosten dit betreft. Gelet op de eisen die gesteld worden aan toewijzing van een geldvordering in kort geding, kunnen de gevorderde kosten daarom niet worden toegewezen.
4.8.
Eiseressen zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagde worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.459,00
4.9.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. In reconventie worden de proceskosten begroot op nihil.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt eiseressen hoofdelijk in de proceskosten van € 1.459,00,
5.3.
veroordeelt eiseressen hoofdelijk, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, in de extra proceskosten van € 98 plus de kosten van betekening,
5.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
heft op alle door eiseressen gelegde beslagen ten laste van de nalatenschap van [erflaatster] of ten laste van gedaagde, pro se of in haar hoedanigheid van executeur, onder de ING Bank N.V., ABN Amro Bank N.V., Coöperatieve Rabobank U.A. en ASN Bank N.V.,
5.6.
heft op het door eiseressen gelegde conservatoire beslag op de roerende zaken in de huurwoning van [erflaatster] aan de [adres] te [plaats] ,
5.7.
veroordeelt eiseressen tot betaling van een bedrag van € 1.163,26 aan achterstallige huur aan de nalatenschap van [erflaatster] ,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. [1]

Voetnoten

1.Coll: GR