ECLI:NL:RBAMS:2026:6439

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
13/259066-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit verboden wapens en drugs met vrijspraak mishandeling

De rechtbank Amsterdam heeft op 12 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het bezit van verboden wapens, munitie en drugs, alsmede mishandeling van zijn levensgezel.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte op 1 oktober 2025 in zijn woning in Diemen een arsenaal aan verboden wapens en munitie bezat, waaronder een pistoolmitrailleur, twee pistolen, geluidsdempers, een schietpen, stroomstootwapens, pepperspray en een boksbeugel. Tevens werd vastgesteld dat verdachte diverse soorten drugs, waaronder LSD, MDMA, cocaïne en GHB, opzettelijk in zijn woning had. De mishandeling werd niet bewezen omdat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn kon worden gehoord, waardoor het ondervragingsrecht van de verdediging niet kon worden uitgeoefend.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens de vrijspraak op het mishandelingsfeit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en vrijgesproken van mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/259066-25
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. van Galen, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging ter terechtzitting– ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het opzettelijk aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, op 1 oktober 2025 in Diemen;
het voorhanden hebben van vuurwapens, stroomstootwapens, spuitbusjes pepperspray en munitie, op 1 oktober 2025 in Diemen;
het voorhanden hebben van geluidsdempers en een boksbeugel, op 1 oktober 2025 in Diemen;
mishandeling van zijn levensgezel in de periode van 1 december 2024 tot en met 29 september 2025 te Diemen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen als
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1, 2 en 3 kunnen worden bewezen en dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, voor zover de verdenking betrekking heeft op het aanwezig hebben van LSD. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging vrijspraak bepleit.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 zijn bewezen. Ten aanzien van feit 1 zijn de bewijsmiddelen als
bijlage IIbij dit vonnis gevoegd. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
3.3.1.
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt dat de aangetroffen zegels LSD bevatten. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de zegels in beslag zijn genomen onder goednummer 6717671 en 6717679. Dit laatste goednummer (bestaande uit twee vellen met daarop zegels) is onder vermelding van SIN-AARU2577NL ter onderzoek ingezonden naar het NFI. Hiervan is vervolgens een monster genomen met SIN-AATM7466NL, welk monster LSD bleek te bevatten. Niet is gebleken dat goednummer 6717671 (bestaande uit drie zegels) is onderzocht en dus LSD bevat. Verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken.
De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte niet wist dat er LSD-zegels in zijn woning lagen en dat hij deze zegels daarom niet opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bewoner van een woning in beginsel wordt geacht bekend te zijn met alles wat zich in zijn woning bevindt. Deze aanname kan worden weerlegd als verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Daarvan is niet gebleken. De LSD-zegels zijn aangetroffen in de bovenste la van de vriezer in de woning van verdachte – en daarmee in een regelmatig te gebruiken gebruiksobject –. De rechtbank acht het gelet op deze vindplaats en de omstandigheid dat in de woning van verdachte ook andere drugs zijn aangetroffen niet aannemelijk dat verdachte daarvan geen weet zou hebben gehad, omdat het door een vriend zou zijn neergelegd. De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte ook wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over de LSD-zegels.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2
Aangezien verdachte feit 2 heeft bekend en namens verdachte geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026;
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025245623-21 van 2 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] , doorgenummerde pagina’s 59 tot en met 63;
Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2025245623-29 van 2 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar met verbalisantnummer [nummer 1] , doorgenummerde pagina’s 202 en 203;
Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2025245623-29 van 2 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar met verbalisantnummer [nummer 2] , doorgenummerde pagina’s 204 en 205;
Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2025245623 van 2 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] , doorgenummerde pagina’s 206 tot en met 213;
Een proces-verbaal van technisch onderzoek met registratienummer 2025245623-55 van 9 oktober 2025, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3] , doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 12 (nazending procesdossier).
3.3.3.
Ten aanzien van feit 3
Aangezien verdachte feit 3 heeft bekend en namens verdachte geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank. gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026;
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025245623-21 van 2 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 59 tot en met 63;
Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2025245623 van 2 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 5] , doorgenummerde pagina’s 198 tot en met 201;
Een proces-verbaal van technisch onderzoek met registratienummer 2025245623-55 van 9 oktober 2025, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3] , doorgenummerde pagina’s 8 en 9 (nazending procesdossier).
3.3.4.
Ten aanzien van feit 4
Van dit feit spreekt de rechtbank verdachte vrij. Daarvoor is het volgende redengevend. De verdediging heeft verzocht aangeefster [aangeefster] als getuige te horen. Dit verzoek is toegewezen, maar heeft niet geleid tot het horen van de getuige. De griffier van de rechter-commissaris heeft wel contact gehad met de getuige, maar die heeft enkel gemeld dat zij in Maleisië verbleef en geen verdere adresgegevens verstrekt. De getuige bleek daarop niet binnen een aanvaardbare termijn te kunnen worden gehoord. De verdediging heeft hierdoor niet de mogelijkheid gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen. De verklaring van aangeefster is voor een bewezenverklaring beslissend en dat betekent dat de verdediging moet worden gecompenseerd voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht. Er zijn echter geen factoren die als voldoende compensatie kunnen worden beschouwd. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank spreekt verdachte daarom – bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs – vrij van dit feit.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 en de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 1 oktober 2025 te Diemen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in de woning gelegen aan de Distelvlinderweg 1
- 170 ml GHB (192,19 gram),
- 8,25 gram MDMA,
- 2,35 gram cocaïne,
- een hoeveelheid zegels LSD (6717679),
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
op 1 oktober 2025 te Diemen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur van het merk Zagi, model M91, kaliber 9mm Luger, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren
en
een wapen van een categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van een onbekend merk, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen
en
een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten stroomstootwapens, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht
en
een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten
• spuitbusjes pepperspray van het merk Rsonic en model Pepper spray, pepper-K.O., Fog en
• een spuitbusje pepperspray van het merk American Style Nato super paralisant, model CS-Gas Silliarde, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen
en
wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
• een pistool van het merk HS, model HS-9, kaliber 9mm x19 en
• een pistool van het merk Makarov, kaliber 9mmx18
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad
en
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
• 35 patronen 7.65mm Browning
• 53 patronen .22 Long Rifle,
• 151 patronen 9mm x 18,
• 25 patronen 6.35mm Browning,
voorhanden heeft gehad;
3.
op 1 oktober 2025 te Diemen, wapens, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten:
• geluiddempers van een onbekend merk en
• een boksbeugel,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van feit 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan de proeftijd dienen daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte zal diverse problemen ondervinden als hij opnieuw vast zou komen te zitten, onder meer in verband met de lopende civiele procedure rondom zijn jongste dochter. Verdachte zal dan naar verwachting de zorg voor zijn dochter kwijtraken. De verdediging verzoekt aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 171 dagen onvoorwaardelijk, eventueel te combineren met een taakstraf (maar dan kan de voorwaardelijke straf maximaal zes maanden zijn).
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Het zwaartepunt van de bewezenverklaarde feiten ligt bij het aanwezig hebben van diverse wapens en munitie. Verdachte heeft een arsenaal aan verboden wapens en munitie in zijn huis voorhanden gehad. Onder deze wapens bevonden zich onder meer een pistoolmitrailleur, twee pistolen, geluidsdempers en een schietpen. Het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke vuurwapens, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan kan uitgaan voor anderen. Het brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich en vormt derhalve een ernstige inbreuk op de rechtsorde. In Amsterdam, maar ook elders in Nederland, vindt de laatste jaren veel vuurwapengeweld plaats. Niet zelden kent dit vuurwapengeweld een dodelijke afloop. Verdachte heeft daarnaast op diverse plekken in zijn woning verboden stroomstootwapens, busjes pepperspray en een boksbeugel in zijn woning voorhanden gehad.
Verdachte, die volgens eigen zeggen een fascinatie voor wapens heeft, is zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewust van het kwalijke van zijn handelen. Dit volgt onder meer uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij inderdaad vuurwapens aan zijn dochter heeft laten zien. Dit is niet alleen gevaarlijk, maar ook – jegens zijn dochter – bijzonder onverantwoordelijk. De rechtbank weegt anderzijds mee dat de vuurwapens en munitie op het moment van het aantreffen in een kluis lagen.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van diverse soorten drugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs bezwarend is voor de samenleving vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit en de risico’s voor de volksgezondheid. Ook ten aanzien van dit feit is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich onvoldoende bewust is van het kwalijke van zijn handelen. Zo is in de vriezer LSD aangetroffen, terwijl hij (mede) de zorg draagt voor zijn minderjarige dochter. Verdachte heeft daarmee ook voor zijn dochter een gevaarlijke situatie veroorzaakt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 11 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 7 mei 2026. Uit dat rapport volgt dat door de psychologisch onderzoeker bij verdachte een psychische stoornis in de zin van een aandachtdeficiëntie-/hyperactiviteitstoornis is geconstateerd. Hoewel deze problematiek ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig was, ziet de onderzoeker geen gedragskundige gronden om de feiten in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. De rechtbank neemt dit oordeel over.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten, waaronder het meest recente rapport van 26 mei 2026. De reclassering schat de kans op herhaling als laag-gemiddeld in. Verdachte streeft volgens de reclassering stabiliteit op de leefgebieden na, maar lijkt gebaat bij ondersteuning om dit te bereiken. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijk straf met de volgende bijzondere voorwaarden: 1) meldplicht bij de reclassering, 2) ambulante behandeling, 3) dagbesteding, 4) aflossing van schulden en 5) beheersing van middelengebruik. Verdachte heeft verklaard bereid te zijn zich aan alle voorwaarden te houden.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met de afspraken die rechtbanken onderling hebben gemaakt voor strafoplegging (de LOVS-oriëntatiepunten). De oriëntatiepunten zijn voor het bezit van een enkel vuurwapen in de woning een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en voor een automatisch vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Zoals hiervoor vermeld had verdachte onder meer een automatisch vuurwapen en twee pistolen voorhanden. Daarnaast had verdachte nog meer wapens en munitie aanwezig en ook drugs. De rechtbank heeft verder acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
Anders dan de verdediging acht de rechtbank gelet op het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, gerechtvaardigd. De door de verdediging bij pleidooi aangehaalde jurisprudentie, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hoewel de rechtbank inziet dat detentie mogelijk nadelige gevolgen kan hebben voor de zorg van zijn dochter, weegt dit belang van verdachte niet op tegen de aard en ernst van de door hem gepleegde feiten. Verder acht de rechtbank het van belang dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd, die aan een voorwaardelijk strafdeel zullen worden verbonden. De reclassering kan daarmee met verdachte in contact blijven en verdachte ondersteunen.
Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de na te noemen bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

8.Beslag

Onder verdachte zijn diverse voorwerpen in beslag genomen. Deze goederen staan vermeld op de beslaglijst. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat al deze goederen moeten worden onttrokken aan het verkeer.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet alle in beslag genomen stoffen zijn onderzocht, zodat in zoverre niet vaststaat dat het om verboden middelen gaat. De verdediging heeft om teruggave van die goederen aan verdachte verzocht.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor deze niet onderzochte goederen geldt dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met het algemeen belang. Uit indicatief onderzoek is immers gebleken dat deze goederen mogelijk verboden drugs bevatten of is anderszins aannemelijk dat het om verboden drugs gaat. Deze goederen moeten daarom worden onttrokken aan het verkeer.
Ook de overige inbeslaggenomen verdovende middelen, wapens en verpakkingen waarin deze zijn aangetroffen, behoren aan verdachte toe en worden onttrokken aan het verkeer. De strafbare feiten zijn daarmee gepleegd en het ongecontroleerde bezit ervan is in strijd met de wet. Al de afzonderlijke goederen die moeten worden onttrokken aan het verkeer staan opgesomd staan in de beslissing,
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen medicijnen vermeld onder nummers 49 en 57.

9.Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] heeft een vordering ingediend ter hoogte van € 1.200,- ter vergoeding van immateriële schade die zij stelt als gevolg van feit 4 te hebben geleden.
Omdat verdachte wordt vrijgesproken van feit 4, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeeltverdachte tot een
gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een
gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als verdachte gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Nederland op afspraken met de reclassering bij Reclassering Nederland te [plaats] op het adres [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
2. Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door een forensische zorginstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op de cognitieve vaardigheden.
3. Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn werkzaamheden.
4. Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
5. Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Ten aanzien van het beslag
Beveelt de onttrekking aan het verkeervan:
1. STK Steekwapen, goednummer: G6717270
2. 1 STK Stroomstootwapen, goednummer: G6717196
5. 1 STK Zak, goednummer: G6717226
6. 2 STK Zak, goednummer: G6717232
7. 1 STK Wapen, goednummer: G6717243
8. 2 STK Wapen, goednummer: G6717252
9. 1 DS Doos, goednummer: G6717258
10. 1 STK Wapen, goednummer: G6717262
11. 1 STK Slagwapen, goednummer: G6717179
12. 1 STK Wapen, goednummer: G6717236
13. 1 STK Wapen, goednummer: G6717213
14. 1 STK Wapen, goednummer: G6717225
15. 1 STK Patroonhouder, goednummer: G6717228
16. 1 STK Patroonhouder, goednummer: G6717230
17. 1 STK Patroonhouder, goednummer: G6717250
18. 1 STK Patroonhouder, goednummer: G6717533
19. 25 STK Munitie, goednummer: G6717235
20. 50 STK Munitie, goednummer: G6717237
21. 8 STK Munitie, goednummer: G6717238
22. 25 STK Munitie, goednummer: G6717239
23. 13 STK Munitie, goednummer: G6717242
24. 3 STK Munitie, goednummer: G6717245
25. 15 STK Munitie, goednummer: G6717246
26. 42 STK Munitie, goednummer: G6717248
27. 50 STK Munitie, goednummer: G6717249
28. 8 STK Munitie, goednummer: G6717256
29. 19 STK Munitie, goednummer: G6717527
30. 10 STK Munitie, goednummer: G6717530
31. 19 STK Munitie, goednummer: G6717536
32. 1 STK Wapen, goednummer: 6717261
33. 1 STK Patroonhouder, goednummer: G6717532
34. 1 STK Pistool, goednummer: G6717259
35. 1 STK Patroonhouder, goednummer: G6717233
36. 1 STK Wapen, goednummer: G6717253
37. 1 STK Geluidsdemper, goednummer: G6717234
38. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717634
39. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717640
40. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717643
41. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717654
42. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717650
43. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717653
44. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717656
45. 4 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717658
46. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717660
47. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717661
48. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717662
50. 2 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717667
51. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717668
52. 2 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717669
53. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717670
54. 3 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717671
55. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717672
56. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717673
58. 1 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717675
59. 473 STK Verdovende Middelen, goednummer: G6717679
Gelast de teruggave aan verdachtevan de op beslaglijst vermelde goederen:
49. 3 STK Medicijn, goednummer: G6717666
57. 15 STK Medicijn, goednummer: G6717674
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
Verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in haar vordering;
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Nieuwenhuijs. voorzitter,
mrs. M. Wiewel en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2026.
[…]